Staat en Maatschappij.
Het beginsel gered.
Onlangs maakten wij enkele opmerkingen over de voornemens van den Minister van Oorlog inzake de bestendiging van het Instituut der veldpredikers voor vredestgd. Bij die gelegenheid brachten wij enkele ernstige bezwaren te berde over de plannen, die de Minister ten opzichte van dit. Tnatitnut in zijne begrooting had uitgewerkt.
Het betrof bijzonderlijk het standpunt w der regeering om de voorziening in de geestelijke behoeften van de militairen tot rechtstreeksche overheidszorg te maken.
Het is nu echter nader gebleken, dat de Minister bij het schriftelijk overleg met de Kamer van zijn oorspronkelijk idéé is teruggekeerd en het thans volmondig toegeeft, dat bij den geestelijken arbeid onder de militairen de primaire roeping niet ligt bij de Overheid, maar bij de Kerk.
Voor dit veranderd inzicht van den Minister zijn wij dankbaar.
De regeering heeft bijtijds ingezien, dat zij, door den. kerkdijken arbeid ter hand te nemen, zich op een terrein zou begeven, dat niet het hare, maar dat der Kerken is.
De Kerk heeft hare eigen plaats, evenals de Overheid.
De Overheid predikt het Evangelie niet, maar wel is dit de taak der Kerk.
Wanneer nu die primaire roeping ten opzichte van den speciaal kerkelijken arbeid aan de Kerken zal worden overgelaten, zullen deze gaarne daarbij" op de medewerking van de Overheid prijs stellen.
Wat tot de bemoeienis van de Overheid behoort, is om de Kerk in het vervullen van hare taak te helpen, d.w.z. de beletselen en moeilijkheden, die tusschen Kerk en leger kunnen ontstaan, weg te nemen.
En daarvoor kan een instituut in het leven geroepen worden, en in dien geest heeft de Minister ook het karakter van zijne instelling gewijzigd, die als tusschenschakel dienst zal doen tusschen de Overheid en de Kerken. Dit lichaam kan de Overheid voorlichten en van advies dienen en medewerken aan de geestelijke verzorging der krijgsmacht, voor zoover deze niet den speciaal kerkelqken arbeid betreft.
Maar deze taak thans aan het nieuwe instituut op te dragen is een gansch andere dan die, welke oorspronkelijk in het bedoelen der regeering lag.
Terecht is de Minister dan ook van oordeel, dat de legerpredikanten, die voortaan deel van het instituut zullen uitmaken, niet langer hun kerkelijk ambt zullen kunnen vervullen.
De regeering begrgpt voorts, dat de geestelijke verzorging, op die leest geschoeid, veel geld zal kosten, immers zal iedere Kerk onder dit stelsel voor zijn eigen militairen hebben te zorgen, maar zg verklaart zich bereid om, als die geestelgke verzorging te groote offers mocht eischen, eene tegemoetkom in; in de kosten van. harentwege in gunstige overweging te nemen.
Ten opzichte van dit laatste punt zal intusschen nog eenige meerdere klaarheid moeten komen. De regeering zal verder moeten gaan en een post op de begrooting hebben uit te trekken.
Doch dit komt o.i. wel in orde. De groote beteekenis van hetgeen thans; verkregen is, is dat bet beginsel, waar het bij de geestelijke verzorging der militairen om gaat, gered werd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's