Armen en rijken in het Nieuwe Testament.
VIII.
In het bezit, in den rijkdom, ligt voor ieder mensch, daar hg zondaar is, een verzoeking. Verweer hiertegen ligt in den weg, dien de Christus wijst in de Bergrede: matiging in-de eischen, .die gij aan het leven stelt; niet uitbreiding tot in het oneindige van wat gg als levensbehoefte beschouwt, maar beperking, (soberheid. Dat kan een hulpmiddel zgn om de geestelijke vrgheid te bewaren of te-verkrggen, die zoo licht wordt bedreigd door de verleiding des rijkdoms,
De practgk van het zondige leven bewijst, en gaf ook den Christus overvloedig gelegenheid op te merken, dat het geld gemakkelijk een aan God vijandige macht wordt; eene macht, die den mensch overheerscht, hem tot slaaf maakt.
Aan die gedachte geeft Hg eveneens uiting in de Bergrede, door God en den Mamon tegenover elkaar te stellen: „niemand kan twee heeren tot slaaf zgn; want of hg zal den ééaen haten enden anderen liefhebben, of hij zal den eenen aanhangen en den anderen verachten ; gij kunt niet God dienen, d.i. aan Hem onderworpen zgn en den Mamon".
Al is de beteekenis en afleiding aan het woord Mamon niet zeker (de meening, dat het de naam zou zgn voor een in Syrië vereerden afgod berust niet op goede gronden), de bedoeling van deze uitspraak is volstrekt niet onzeker. De Mamon wordt hier voorgesteld als een verpersoonlgkte macht, die den mensch overheerscht, die zgn hart en gedachten in beslag neemt, die hem stuurt en gevangen houdt.
Als zoodanig staat zij tegenover God, die vraagt, en daarop heeft Hij recht, Hem lief te hebben met geheel de ziel en geheel het verstand en alle krachten. Daarom kan de Christus elders ook spreken van den „onrecht vaardigen Mamon".
Want waar de liefde tot God niet is uitgestort in de ziel, en de zucht naar bezit het hart vervult, daar wordt ook de liefde iot den naaste geheel verdrongen door eigenliefde.
En wie zijn hart verpandt aan den Mamon, kan Zgn' God niet dienen. Dat geldt voor den rijke, die door zgn bezit wordt geregeerd; die almaar zoekt, het te vergrooten, en zich aan den dienst van het geld wijdt.
Maar dat geldt evenzeer voor den sociaaldemocraat, die, de schuld van de sociale misstanden wijtend aan „het kapitalistisch stelsel, " ten slotte naar niet hooger streeft dan zelf op zgne beurt in betere conditie te ^omen.
Achter dat streven zit dezelfde stuwkracht, die den rgke drijft; en hier, als de idealen der sociaal-democratie eens ooit werkelgkheid zouden worden, is, afgezien nog van den weg, waarlangs zg dit hopen te bereiken, een verwachting, die niet anders dan bittere ontgoocheling kan brengen.
Mamon-dienst wordt .voor allen onvereenigbaar geacht met den dienst des Heeren; zoowel voor hen^ die gewillig en gaarne zijn ketenèn dragen, als door hen, die van verre en met afgunst hunkeren naar het oogenblik, dat ook zg de gunsten van dien heerscher zullen genieten.
„Gij kunt niet God dienen en den Mamon".
Want wie den Mamon dient, heeft geen oog voor het doel, waarop het leren steeds moet gericht zijn.
Ook daarover spreekt de Christus in de Bergrede: „Vergadertugeensphatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen; maar vergadertu schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven en stelen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zgn".
Ook dit is een vrucht van de materialiseering van het van God losgeraakte en van Hem afgekeerde leven: het aardsche goed lokt den blik, wekt de begeerte, houdt al de gedachten bezig; en helpt daardoor oog en hart ten eenenmale af te sluiten voor den „schat in den hemel".
En nu kan het verwgt, dat, , de Kerk door deze prediking de menschen tevreden tracht te houden door hen te paaien met een „wissel op de.eeuwigheid", niemand deren, die buigt voor Gods Woord, en Hem vreest.
Want het is nu eenmaal niet anders: wie met den levenden God te doen heeft, ziet verder dan dit aardsch bestaan; erkent, dat het leven meer is dan het voedsel; zijn horizont is wijder dan dit eindig leven, en daarom verwacht het kind van God het volmaakte niet in deze bedeeling, maar hg leert uitzien naar en wachten op het volmaakt en heerlgk Koninkrqk des Heeren, dat is gewaarborgd in Hem, die op den troon zit, en alle dingen nieuw maakt.
En bovendien: de sociaal-democratie, die de sociale revolutie predikt, en de massa in haar gevolg tracht te krijgen, wat doet zij ? Het moge dan geen wissel op de eeuwigheid zijn, waarmede zg de geestdrift tracht aan te «rakkeren, een wissel op de toekomst is het zonder twgfel. Het is een ideaal, dat vow verre wenkt; en welke waarborg is er, dat het ooit zal verwezenlijkt worden? De zekerheid hiervoor ligt niet in een historisch feit, zooals het is voor de verwachting aller geloovigen: zij verwachten de vervulling der belofte Gods, omdat Hg in de historie den Christus heeft doen optreden, in Wien alle beloften Gods ja en amen zgn.
Doch de zekerheid der sociaal-democratische leiders, waarop berust deze? Op het geloof in de juistheid van eene theorie.
En heeft niet Troelstra op het oogenblik zelf dat hg waande, dat zgn kansen schoon waren om naar de macht te grijpen, 'en zgn idealen te gaan verwezenlgken, het noodig geacht zgn mannen te waarschuwen? Heeft hij het niet dienstig geoordeeld, hun aan te zeggen, dat zij niet moesten meenen, dat nu de ideaal-staat zou gevestigd worden? De wissel werd, nog vóèrdat hg gepresenteerd werd, reeds bij voorbaat uitgesteld!
Doch liever dan hierbij langer stil te staan, willen wij wijzen op het onloochenbare feit, dat ook in de kringen, waar het Woord des Heeren nog in eere is, duizenden bg duizenden mede zijn aangetast door de koorts, die het leven maakt tot een jacht naar geld en goed.
Daar is een angstwekkende zuigkracht, die uitgaat van de wereld, waarin wij leven; en deze vindt een bondgenoot in de neiging van het vleesch; wat voor oogen is, bekoort; wat de zinnen streelt, lokt aan.
En zoo zgn er, helaas velen, die in beginsel nimmer zouden ontkennen, dat het doel des levens hooger ligt dan dit aardsch bestaan; en wier leven en levengpractgk toch op dat doel niet is gericht.
Hoevele armen laten zich mede-sleepen door leuzen, die niet hooger klimmen dan het verkrggen van vergankelijk goed, en scharen zich om een vaan, die wordt opgeheven tegen de banier des kruises.
En hoe vele rijken zien zich als ingesponnen in een web, dat hen verstrikt; al hun gedachten en zinnen worden gericht op het geld en het goud.
Hun bestaan wordt, evengoed als van den ongeloovige, gematerialiseerd; hunne ziel Igdt schade; het levens-peil, dat naar de wereld'misschien rijst, daalt in geestelgk opzicht,
„Waar uw~ schat is, aldaar zal ook uw hart zgn". De mensch, als schepsel Gods, verlaagt zich, wanneer niet het doel hem wenkt, door God aan zijn bestaan gesteld; als hg zgn hart niet verheffen kan in den hemel, waar Christus is, in Wien alle schatten van wgsheid en kennis verborgen zgn.
Als vanzelf doet zich hier de vraag voor: indien Jezus de aimen heeft gelukkig geprezen, en de rijken gewaarschuwd voor het gevaar, dat hunne ziel bedreigt, heeft Hij dan soms alle bezit veroordeeld? Of heeft Hg aangedrongen op een algeheele gelijkmaking van het bezit?
Van te voren is dit niet waarschgnlijk, daar Hg de sociale kwestie in den modernen zin van het woord niet in het oog heeft gevat. Wel liggen er in Zgne prediking, gelijk wij zien zullen, grondregels, die gelden voor het Koninkrgk Gods in zijn aardsche regeling, en die ook voor het sociale leven van beteekenis zijn.
Doch een regeling van het maatschappelijk leven heeft Hg niet bedoeld. Op den voorgrond stond, en hoofdzaak was het bezien van alle leven en alle verhoudingen in het licht van de heiligheid des Heeren, en met betrekking tot Zijn eeuwig Koninkrgk.
Het treft dan ook aanstonds, dat Jezus van een gelijkmaking van alle bezit nergens heeft gesproken.
Veeleer heeft Hg ondersteld, dat er ongelijkheid altgd zou zgn. Hoe zou Hij anders hebben kunnen zeggen, dat in Zgne toekomst, als allen voor Zijn' rechterstoel zullen gedaagd worden, zij zullen ingaan tot het eeuwige leven, die den naakte zouden gekleed, den hongerige gespgzigd, in één woord, die barmhartigheid zouden geoefend hebben aan den ellendige? (Matth. 25.)
Eenzelfde onderstelling ligt met zooveel woorden uitgesproken in het gezegde, waarmede Hg Maria, de zuster van Lazarus, in bescherming neemt tegen Judas, die de kostbare zalf, waarmede zg den Christus zalfde, vermorst achtte, en 800 denariën beter aan de armen esteed: „de armen hebt gij altgd met u".
Dit bewijst wel duidelijk, dat men zich op 's Heeren prediking ten onrechte beroept om de noodzakelgkheid van ge-Igkmaking van alle bezit te betoogen.
Ook blijkt uit het feit, dat Maria's daad van hulde door Hem werd in bescherming genomen, dat Hg niet het besteden van alle geld voor wat niet strikt noodig is, veroordeelde als verkwisting of verspilling.
Zijn eigen leven trouwens heeft niet het stempel der asceze gedragen; in dit opzicht trok de tegenstelling met het kluizenaars-leven van Johannes den Dooper de aandacht; want van Johannes, die wat wij zouden noemen het „cultuurleven" van zgn' tijd meed en teruggetrokken leefde in de woestgn, zeide men: hg is bezeten.
Doch van den Christus, die mede aanzat aan de bruiloft te Kana, en leefde als de andere menschen, durfde men lasteren: „ziedaar een mensch, die een vraat en een wijnzuiper is".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's