Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN.
8) •
Ze voelde de deining, ze hoorde het zwalpen soo lang tot haar oom , Amen" zei. Dan bleef ze nog even stil zitten en merkte, dat tante haar gelaat droogde, en dan besefte ze, dat zij niet alleen was geweest iu 't ondergaan van iets heel bijzonders, iets van heel hoog.
„Toe, Ombra, begin nu !" zei tante, terwijl oom heenging, haar een zachten duw gevend, en 't meisje wachtte dan niet langer. En terwijl nicht at, zocht tante een breikous, alleen maar om iets in de handen te hebben, waarnaar ze kon zien. als ze onder 't vragen liever het meisje niet aanzag. En toen ze dat vrije, altgd open toevluchtsoord voor haar blik in handen had, en nicht iets soortgel^ks bq brokjes tusschen haar tanden bracht, zei ze:
, Heb je daar nog al een goeie dominee in Termole? " Ik weet niet, tante! — Vader houdt niet van hem, en 't volk in de herberg zegt allerlei kwaad van hem. Maar daarom zou 't wel een goeie man kunnen zijn."
, Je gaat toch wel eens naar de kerk 7" , Toen 'k nog op school was ging ik een enkelen keer met een vriendinnetje, maar 'k was tóen nog klein en 'k mocht niet meer van vader. En nu moet ik 's Zondags den heelen dag in de herberg zqn."
, Dan ging je zeker ook niet te vraagleeren ? "
„Wel nee, tante! Geen een van onsI" De vrouw wilde haar nicht zeggen, dat ze naar de kerk moest gaan Zondags, en ze bad haar daartoe reeds een hartelgken duw gegeven, maar dan in eens wist ze niet, van welke richting de predikant van Termole was. En in eens liep ze hard naar de keuken, alsof ze daar iets hoorde overkoken, maar ze liep door, achterom naar de werkplaats, om van haar man te weten, wat voor 'n predikant er in Termole stond. En als ze goed bescheid had opgedaan, liep ze weer door de keuken, na daar eerst met een deksel heel wat leven te hebben genaaakt, naar de huiskamer.
„Ombra, wat ik je daar even zeggen wou, je moest Zondags eens naar de kerk gaan; dat doet een mensch goed, en de Heere God wil, dat we dat doen zullen."
Nicht zei daarop dadelijk niets, omdat haar mond juist ander werk had. En daarna toen tante druk zat te pikkelen, kwam ze dicht naar haar toe, pakte haar arm om aandacht te wekken en zei zacht, opdat niemand het zou hooren:
„Tante! daarom sou 'k zoo graag willen dienen: dan kon ik Zondags naar de Kerk gaan. En daarom hoop ik zoo, dat we de herberg uit zullen moeten. Maar thuis durf ik dat niet te zeggen."
Tante had de blauwbloemde doek al weer in de hand, om haar oogen uit te vegen, 't Was haar zoo groot, dat deze jonge nicht op een ramp hoopte, om zekerder in 't bezit te komen van wat uiterlgk geen gedaante noch heerliijkheid had.
„Ombra! — zij kreeg weer een armpak — je zoudt dezen kant op moeten komen ! Hier in of om 't dorp! — Ons huis stond dan altijd voor je open!"
„Dat zou 'k juist zoo graag willen, tante!"
Even was er stilte, en dan kwamen de gezichten heel dicht bij elkaar.
„Ombra, hoe staan de zaken er nu eigenlijk bij juUui voor? Of weet j' er niks van? Zie, 'k wou maar zeggen: hoe gauwer hoé beter."
Alsof ze aan iets heel lekkers zaten te smullen, zóo gingen de oogen, en zóo zei nicht, heel zacht:
„Tante! zij zeggen mij niks, vader niet, moeder niet en Femma niet, maar 'k merk aan alles wel, dat vader aan alle kanten vastzit."
Tante wreef de handen van geluk. En alsof ze vreesde, dat dit als blgdschap over vaders tegenspoed zou kunnen opgevat worden, zei ze:
„Je vader en moeder zullen best weer hun bestaan vinden, veel beter en eerlijker dan in een kroeg; hij zal dan ook niet meer zooveel kunnen drinken, 't Is beter, voor hem en voorje moeder, maar voor jullui, kinderen^, vooral. En zie je. als je eens verlegen bent om dit of dat, dan kom je maar naar je oom en tante hier, hoor, — hoor, doen hoor!"
Nicht kreeg drie knepen om haar arm, bij elk „hoor!" éen, en ze gaf er tante een hartelijken handpak voor terug.
„Is Roosje ook zoo als jq bent? " „Roosje? — dat is nét een jong kalf; ze lacht om alles, en trekt zich niets vas alles aan."
„Een luchthart, net als je vader, zeker." „Nee tante, alleen 't uiterlgk lachen heeft ze van vader; maar ze heeft de onverschilligheid en gevoelloosheid van moeder. Ze kijkt niet verder dan haai neus lang is: net een jong kalf: veel gerucht en veel kabaal, maar zonder zorg en nadenken. Zij zal blij zgn, aïi» we de herberg uitmoeten, alleen omdat er dan eens wat anders komt."
Een vreemd kind, vreemd! — En Femma, hoe is die? " ^ Ombra schudde triestig het hoofd. „Femma lijdt het meest van allemaal Vader misschien ook wel, maar aan vader merk je 't zoo niet.
{Wordt vervolgd},
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's