Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN.
9) ~
Femma lacht nooit meer. Als ze zou moeten dienen — ik weet niet — maar ik geloof, dat ze liever dood zou gaan. O, dat Igkt haar zulk een vernedering toe, en om dat te ontgaan, tobt ze meer dan vader en moeder."
, Ze is nog al hooghartig, nietwaar? " „Ja tante, _ wel een beetje, denk ik." „En je moeder, geeft die er wel veel om? " „Niks, tante I — heelemaal niks. Moeder wil wel dag en nacht hard werken, maar zorg kent ze niet; ze denkt aan niets; ze werkt maar en Iaat al 't andere op vader aankomen."
„En je vader doet niks I" „Nee, tante, niks. Als hij alleen in de herberg is, roept hij mij of moeder, om een klant een glaasje in te schenken. Bezorgt er iemand een pakje, al staat hg in de deur, dan moet er één van ons komen, om 't aan te nemen. Hq doet bepaald niks. Hg meent, dat hij anders niet de herbergier zou zijn. Het hoort zoo niet, zegt hij."
Tante schudde weer druk met het hoofd, „Dan zal hij spoedig't werken moeten leeren!"
„'k Geloof het niet, tante ! — En daarom zie ik voor vader de toekomst wel wat donker in, want ik weet wezenlijk niet, wat hij zou kunnen doen''
Tante keek heel lang strak voor zich uit, alsof zij iets meende te kunnen verzinnen voor hem, doch na lang gepeins zei ze: „Ik ook niet. We moeten 't maar afwachten, kind, en jg moet maar hulp bij den Heere zoeken. En dat moet je allemaal doen, maar dan ookdengoeien weg inslaan. Jij zult dat wel doen, niet waar ? "
„Ja, tante!" zei Ombra zoo beslist, alsof ze dien goeden weg al heel goed kende.
En tante Betje had niet het minste besef van nichtjes diepe onkunde van dat goede. Haar wereld was van der jeugd aan zoo klein geweest, haar vrome wereldje van enkel eenvoudige geloovigen, eerst thuis bg vader en moeder en nu bg haar man met den geloovigen knecht. En haar kinderen, wel, die kenden de Schrift veel beter dan zg zelf, en 't wereldsch leven was hun even vreemd als haar. Met wereldsehe menschen kwam ze bgna niet in aanraking en als 't gebeurde, sprak ze openhartig met hen alsof 't allen geloovigen waren, en als ze haar maar lieten praten, meende ze, dat de menschen precies zoo dachten als zg.
En zoo nu ook praatte ze al maar met haar nicht en gebruikte Bijbelteksten en gegkte uitdrukkingen, alsof ze voor nicht even bekend waren als voor haar.
Voor Ombra was het, of haar tante haar in een groot, wonderlijk gebouw rond leidde, waar ze nog nooit een voet had gezet, en — waar 't voor haar pikdonker was, en ze volgde, volgde maar die goede tante, haar vasthoudend om niet hier en daar tegen te stooten in deze duisternis. Soms ja, was het, of ze 't hallen hoorde van den weerklank in de ruime zalen en of ze iets van glans zag nevelen, heel geheimzinnig; 't was goed hier, en zacht en zoet en wonderlijk, maar — haar onbekend en vreemd.
Mien en Willem waren soms ook even naast nicht komen zitten, even maar, want moeder had hen in etilte gezegd, dat ze eerst alleen met Ombra wilde spreken. Na den middagmaaltgd mochten allen blijven of komen, zoolang ze wilden.
En als eindelijk de tafel gedekt was en allen aanzaten, de knecht ook, en als dan ieder, vanden oudste tot den jongste, zich tot bidden had gezet en de man, vader en baas als tolk van allen overluid om zegen bad en voor allen zegen dankte, dan kwam dat machtig wondere, dat heerlijke weer over Ombra; dan was 't, of haar liel een zee was van zalig zuchten, van zoete smeeking, van heilig jammeren om dat alle ledigheid vervullende, dat geweldig heerlgke, datl hemelsch groote, dat ali met wijd uitgestrekte armen op haar aandrong om haar te omhelzen en haar in zich op te nemen. Even doorroerde haar een helige beving — God, de Vader in den hemel, was daar! En zg — lag aan Zijn voeten als een vreemdelinge, maar die toc eigen met Hem hoopte te worden.
En als er dan een kapittel gelezen werd, en vader sprak met zijn vrouw, zqn knecht, zqn kinderen, en ook haar iets vroeg, dan voelde ze zich als in 't gebouw, waar ze geen weg wist en waar 't zoo donker was, waar 't allerheerlqkste slechts voor haar oog schemerde in vale vormlooze groezelinge doch waar ze toch genietend ademde zoo wonder reine vrede en heilige rust.
Maar ook, als 't „Amen" na de dankzegging was uitgesproken, en allen de stoelen terugschikten en de tafel werd afgedekt, dan doomde al dat groote en heerlgke weer weg en ontwaarde ze, dat het iets was buiten haar, en voelde de ledigheid van haar hart.
En nu stond moeder haar nicht af aan heel het gezin. Maar nu wilden ook allen terstond weten, hoe groot het brok genot was waaraan ze nu mochten beginnen, en vroegen dus hoe lang Ombra bleef.
(Wordt vervolgctj.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's