De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

9 minuten leestijd

VIL

Heeft Jezus alle bezit als zoodanig veroordeeld?

Niet zelden wordt dit van zekere zgde beweerd. Doch zelfs al zou de gestelde vraag bevestigend moeten beantwoord, dan nog mag niet vergeten worden, dat gansch het menschelgk leven voor Hem stond en door Hem gesteld werd in het licht van het Koninkrijk Gods. Indien de Christus alle bezit als zondig veroordeelde, dan was het toch in geen geval om de niet-bezitters in het hezit der rgken te stellen, en op hun beurt tot bezitters te maken, maar dan was het hij met het oog op Gods Koninkrijk.

De sociaal-democratie, die zich tot steun van haar theorieën op de prediking des Heeren beroept, doet Hem onrecht. Want wanneer een eisch of regel wordt losgemaakt van zijn motiveering, komt in een valsch licht.

Jezus' vermeende eischen over te nemen, zonder te beamep hun motiveering, is een geweld aandoen aan Zijn woord. Wat nu is er waar van de bewering, dat de Christus den rijkdom als zoodanig verwerpelgk achtte, en den rgke om zgn sociale positie onbekwaam voor het Koninkryk Gods?

In den regel dient de bekende ontmoeting met den rijken jongeling tot staving van deze stelling.

Deze komt tot Jezus met de vraag: wat moet ik doen, om bet eeuwige leven te beërven? Hg maakt hiermede ernst; hg is niet een man, die zich alleen om het tgdelijke en stoffelgke bekommert; hg gevoelt zich zelfs tot Jezus aange trokken, en wil goeden raad van Hem.

Hg heeft zich toegelegd op de vervulling der geboden Gods; want als Jezus hem die geboden voorhoudt, verzekert hij, ze gehouden te hebben van ziijne jeugd af.

Maar den vrede heeft hij hierbij niet gevonden. Of hij meent, dat hg nog wel iets extra's, iets buiteegewoons kan prestoeren ; en zooieta verwacht hij nu uit den mond des Heeren te vernemen. Het gewone, waarnaar alle eigengerechtige vromen in Israël streven, is hem te ge woon. Hg wil méér doen; iets, dat boven dit gewone uitgaat.

En wat is nu 's Heeren antwoord? Dit: »wilt gg volkomen zijn, ga uw be zittingen verkoopen, en geef het (geld) aan de armen, dan zult gij een schat in den hemel hebben, en kom dan, en volg mij."

Hier wordt ongetwijfeld van den jongen man gevergd een loslaten van alle bezit, en een volgen van Jezus; doet hij dit, dan wordt hem een blijvend goed, het eeuwige leven, in uitzicht gesteld.

De sociale tegenstelling tusschen armoede en rgkdom zonder meer wordt hier dus niet in het oog gevat; maar het is d« beteekenis, die de rgkdom van dezen rijke had met betrekking tot het eeuwige leven.

Nu voelde deze jonge man zich sterk, almede door zijn rgkdom. Hg kon wel iets doen, dat een ander zich niet kon veroorlooven. Jezus heeft het maar te zeggen, en hij zal toonen, waartoe hg in staat is.

Hg heeft niet het minste begrip van wat ontvangen is; hij wil geven, verdienen.

Daarom wil Jezus hem onder Zgn' invloed hebben, hem van alles ontblooten, opdat hg de zaligheid zal leeren beseffen van het niets bezitten en alles ontvangen om niet.

Hiervoor echter is hem zijn rgkdom een beletsel, zoodat hij bedroefd heengaat.

Dus dan toch de eisch, van alle bezit af te zien? In het geval van den rijken jongeling ongetwijfeld.

Zgn bezit stond hem in den weg, maakte hem onbekwaam voor het Koninkrijk Gods.

Ja, Jezus spreekt naar aanleiding van deze ontmoeting een algemeenen regel uit: Voorwaar zeg ik u, een rijke zal bezwaarlijk in het Koninkrijk Gods inkomen.

En ik herhaal: „het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van een naald komt, dan een rijke in het Koniokrgk Gods."

Hierop kan niet te scherp de nadruk gelegd worden. Rgk te zijn, in weelde te baden, vervult niet alleen het hart met gedachten aan het vergankelijk goed, legt beslag op de ziel en de overleggingen; maar het kweekte, bg den wettischen godsdienst van het Jodendom, ook de eigengerechtigheid.

Geld maakt den mensch tot een slaaf; en zoodra hij er niet innerlijk los van is, is hg niet meer geestelijk vrij.

Daarom, zegt de Christus, zal een rijke niet gemakkelijk het Koninkrijk Gods binnenkomen.

Op het gevaar, de verleiding van den rgkdom, wgst Hg dus ook hier. Doch ook hier staat op den voorgrond de gedachte aan het Koninkrijk Gods.

En de eisch, dezen jongen man gesteld, wordt niet tot een algemeenen regel gemaakt.

Voor hèm was deze eisch noodig. En dikwijls zal rijkdom een beletsel zijn voor het ingaan in het Koninkrgk Gods.

Zonder bgzondere genade-werking Gods en bgzondere bewaring valt een rijke o zoo licht ten prooi aan de verleiding, in den rijkdom gelegen. Eerder gaat nog een kameel door het oog van een naald, dan een rijke in het Koninkrijk Gods inkomt.

Nog eens: niet om het bezit op zichzelf; maar omdat weelde en overvloed, omdat sociale onafhankelijkheid zoo gemakkelijk het besef van afhankelijkheid verzwakt, zoo niet verdrgft.

Omdat er buitengewone genade toe noodig is, den bezitter te houden „als niet bezittende, " en hem te doen blijven in dien staat, waarin hij beseft, in zichzelf niets te bezitten.

Dat de rgkdom aan stoffelijk goeden geestelijke hoogmoed, eigengerechtigheid, nauw samenhangen, bewgst ook het antwoord der discipelen; zij vragen niet, , welke rijke kan dan zalig worden, " maar: wie kan dan zalig worden ?

De eisch, door Jezus aan den rijken jongeling gesteld, is niet door Jezus als algemeene regel bedoeld.

Was dit het geval, dan zou het wel vreemd zgn, dat Hg eerst tegen het einde Zgner openbare werkzaamheid zulk een' eisch liet hooren; immers dezejpntmoeting heeft plaats op de laatste reis naar Jeruzalem. Matth, 19 vs. 1, 16—25.

En dan zou ook de ontsteltenis der discipelen onverklaarbaar zijn: zouden zij dan iets dergelgks nooit te voren uit den mond des Heeren hebben vernomen ?

Neen, er zgn bepaalde redenen, dat Jezus in dit geval zegt: verkoop uw bezittingen, en geef (het geld) aan de armen.

Van zulk een eisch hooren wij niet tegenover een Nicodemus of een Jozef van Arimathea.

Dit neemt echter niet weg, dat Jezus zeer kras waarschuwt tegen de verleiding van den rijkdom, waarin hij een gevaar ziet, dat den arme niet bedreigt.

Zoo duidelijk mogelijk komt dit ook uit in de gelijkenis van den rijken man en Lazarus, Luk, 16 vs. 19—31.

Zeker, hij kan deze gelijkenis met haar felle kleuren uitnemend gebruiken, die de schrille tegenstelling tusschen den in weelde badenden „kapitalist, " en den in ellende wegzinkenden „pauper" wil schilderen.

Mits hierbij dit maar niet vergeten worde: ook hier schgnt. over heel het tafereel het licht der eeuwigheid; het rampzalig einde, van den rgke en de vertroosting van Lazarus vallen niet aan deze zijde van het graf. Daar is dus een ander licht, een ander perspectief, dan bij hen, die niet verder zien dan dit aardsch© leven.

Toegegeven, zal wellicht iemand zeggen, doch in deze gelijkenis staat dan toch maar, dat deze rijke in de pgn kwam, omdat hij rijk was geweest; en van Lazarus wordt gezegd, dat hij, die in dit leven het kwade had ontvangen, nu vertroost wordt.

Beteekput dit dan niet, dat de rijkdom op zichzelf vloekwaardig is, en vergelding vindt in de helsche smart; en dat de arme als zoodanig rekenen kan op heraelsche vertroostingen ?

Wie deze conclusie uit deze gelijkenis trekt, ziet m. i. twee dingen over het hoofd: allereerst het verband, waarin de twee geschetste tafereelen met elkaar staan, eenerzgds het overdadige, weelderige leven van den rijke, die zich aanstelt als een vorst, in purper en fijn lijnwaad gekleed; anderzgds de ellende van Lazarus, met zweren overdekt, en van honger schier omkomend.

Als het slechts om de tegenstelling tusschen arm en rijk te doen was, waarom zou dan de gelgkenis den arme aan de poort van des rijken huis doen vertoeven 

Dit trekje in de gelijkenis wijst immers hierop: de zonde van den rgke is niet zijn rijkdom, maar zijn onbarmhartigheid, zijn gruwelijke zelfzucht, die geen acht slaat op de ellende van Lazarus: van dag tot dag kon hij hem gadeslaan, zooals hij daar was neergelegd aan de poort van zijn huis; niet de geringste moeite Bou het hem kosten, zijn ellende te doen verzachten, zijn' honger te stillen. Doch dat komt in hem niet op.

Neen, zijn zonde is, wat in Ez, 16 vs. 49 aan Sodora verweten wordt: „hoogmoed, zatheid van brood, en stille gerustheid had zij; maar zg sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet."

Het tweede, dat wij niet over het hoofd moeten zien, is dit: den arme in de gelijkenis wordt, wat in geen andere gelgkenis voorkomt, een naam gegeven: Lazarus: d.-w. z.., hetzelfde als Eleazar, God is een helper.

Die naam geeft geen recht tot het vermoeden, dat de Christus in deze gelijkenis een bepaald persoon, een bekend bedelaar, op het oog zou hebben; dan zouden wij dus ook in den rijke iemand als met den vinger aangewezen moeten achten; en ieder, die wist, wien Jezus bedoelde met Lazarus, zou óok geweten hebben, welken harteloozen rijke Hg hier schilderde als zijnde in de pgn.

Neen, die naam typeert: deonbarmartigheid en gruwelijke zelfzucht van den rgke waren genoegzaam getypeerd door zijn houding, tegenover den vergeten arme.

Hoe déze was in zijn ellende, zegt ons zijn naam; hij was éen der armen, zooals Jezus ze zalig prees in de bergrede; hg zag temidden van zijne ellende, op God als zijn' helper.

Daarom wordt hij niet beschaamd. De vertroostingen, die hij geniet „in Abrahams schoot" zijn niet de vergelding voor zijn armoede; maar het genadeloon voor zijn vertrouwen. Hij had den Heere tot zgn toevlucht gesteld in zijne armoede.

Zoo is ook deze gelijkenis een bewijs te meer van wat we reeds eerder schreven, dat wij de tegenstelling tusschen armen en rijken in het Israël van Jezus' dagen niet mogen verstaan als een sociale tegenstelling zonder meer.

Om nu nog te zwijgen van de omstandigheid, dat deze gelgkenis van den rijken man en Lazarus feitelijk uitloopt op een geheel andere gedachte dan de tegenstelling tusschen den rijke en den arme, n.l. op eene waarschuwing tegen de verachting van de door God in Zijn Woord geschonken openbaring, vgl, vs. 27—29.

Maar .ook al valt alle licht op het contrast tusschen het zondige en hardvochtige genot-leven van den rgke, en het verworpen, troostelooze bestaan van Lazarus, dan nog mogen wg niet vergeten, wat het is, waarom de rijke de oogen opslaat in de pijn, en Lazarus wordt gedragen in den schoot van Abraham.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's