Stichtelijke overdenking.
»Hij is waardig dat gij hem dat doet.»Ik ben niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.* Lukas 7 vers 4b en 6a.
Waardig of onwaardig ?
Een bekende en aantrekkelijke figuur, die hoofdman te Kapernaüm, die voor zijn kranken dienstknecht bg den eenigen Medicijnmeester zijn hulpe zocht.
Wat wonder dat deze heidensche officier zich aan zgn slaaf zooveel gelegen liet liggen, dat hij dus niet gedacht heeft: het is mign dienstknecht maar.
O, mochten er meer heeren zijn aan dezen hoofdman gelijk. Maar mochten er ook meer knechten zijn als deze dienstknecht, van wien wij immers lezen dat hy hem zeer waard was. Ja, als de verhouding tusschen patroon en arbeider meer in overeenstemming was met de verhouding van dezen heer en zqn knecht, gij stemt het mij wel toe dat de sociale kwestie onzer dagen dan niet zoo brandend zou zijn en dat door deze kwestie ons gansche maatschappelijk leven dan niet met ontwrichting bedreigd zou worden.
Deze hoofdman echter was niet slechts een man met een teeder hart, die ernstige zorg had óok over het heil zijner minderen, maar bovendien was hij iemand die, hoewel van geboorte een heiden, zich toch bqzonder aangetrokken gevoeld had tot den godsdienst van Israël. Immers hij had voor de verachte Joden zelfs een synagoge gebouwd.
Was het wonder dat de oudsten der Joden hem dan ook gaarne een wederdienst wilden bewgzen, en dat zg voor dezen hoofdman tot den Heere Jezus hun toevlucht hebben gezocht?
En nu kent gij het eigenaardige motief waarop zij hun verzoek tot Jezus grondden om den hoofdman ter wille te zgn. Hij is waardig, zeggen zg, dat Gij hem dat doet, want hij heeft ons volk lief en heeft zelf ons de synagoge gebouwd.
Hij had hun volk lief en had hun de synagoge gebouwd, en daarom was, meenden zij, de hoofdman waardig om door Jezus geholpen te worden. De waardigheid van den hoofdman lag dus eigenlijk in hen. Dwaas, zegt ge, van deze Joodsche ouderlingen, 'dat zg dat denken konden. Toch moet ge niet meenen dat deze Joodsche oudsten zoo heelemaal alleen daarin stonden. Integendeel, in den grond der zaak hebben wij zelfs allen van nature wel wat van hen weg. Nietwaar, als iemand dan maar met ons opheeft, zich veel aan ons gelegen laat liggen, een voorstander is van onze kerk of van onze school of van ome partij, dan meenen we zoo vaak dat hg toch altoos wel wat waardiger is om door den Heere geholpen te worden, dan iemand die niet met ons opheeft, die nooit bij ons komt, die tot een andere kerk behoort of voor een andere school is of zich bij een andere partij heeft aangesloten.
O, dat we dat „hij is waardig dat Gij hem dat doet" toch eens voorgoed af mochten leeren. Immers gij gevoelt wel, als de Heere Jezus het daarom had moeten doen, omdat de hoofdman Gods volk liefhad of omdat hij hun de synagoge had gebouwd, dat zijn kranke knecht dan nooit beter was geworden.
En daarom gelukkig dat de hoofdman er zelf anders over dacht. Ja, de overleggingen van den hoofdman zelf zgn zoo heel and era geweest. Dat blijkt als de Heiland, niet lettende op den verkeerden vorm, waarin de oudsten der Joden hun verzoek gegoten hadden, maar wèl lettende op de oprechte begeerte die daar in het hart van den hoofdman zelf gevonden werd, gezegd bad, dat Hij zou komen en hem genezen. Toen zouden we verwacht hebben, nietwaar, , dat de hoofdman zich over deze tijding zou hebbeu verheugd en verblijd en dat hij zijn deur wel wijd voor den zoozeer begeerden Medicijnmeester zou hebben opengezet.
Maar neen, niets van dat alles. Zeker, eenersiijds is de hoofdman er wel mee verblijd, maar die blijdschap wordt zoo veelszins getemperd door de vrees dat hij het hooge bezoek onwaardig zal zijn; en vandaar ook zijn uitroep: Heere, ik ben niet waardig, dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen.
Kent gij dieper besef van eigen onwaardigheid dan in de belgdenis van dezen hoofdman ligt opgesloten ? De Joden hebben gezegd: hg is het waard, maar zelf zegt hg : ik ben het niet waard, niet waard dat Gij zelfs maar onder mgn dak zoudt inkomen.
Maar hoofdman, hoe heb ik het nu? Hebt gij dan liever niet dat de Heere Jezus bg u inkomt? Maar uw kranke knecht dan, om wiens wil gij toch zelf de boden hebt uitgezonden ? Moet hij, die u zoo waard is, dan maar sterven, en dat waar de weg nu voor hem gebaand is om weer beter te worden
O neen, het geloof van den hoofdman weet er wel een middel op. Spreek alleen maar een woord, zoo zegt hij, en mijn knecht zal genezen worden. Jezus behoeft dus niet eens bij den hoofdman in huis te komen; hij behoeft den slaaf niet eens te zien, veel minder hem aan te raken. Slechts één enkel machtwoord des Heeren zal genoeg big ken te zijn. Deze hoofdman toch weet bij ervaring wat zelfs een menschenwoord uitwerken kan. Dat heeft zijn positie als overste, die zelf onder anderen stond en ook weer anderen onder zich had, hem genoegzaam geleerd.
Maar als nu een menschenwoord vaak al zooveel macht heeft dat het niet zelden over het lot van gansche volken beslist, hoeveel te meer zal dit dan het geval zgn met het woord van den Zone Godsl
En daarom: niet waardig dat Gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar nochtans een onbepaald vertrouwen op het Woord dat door den Heere gesproken zou worden. Zoo was het bij den hoofdman te Kapernaüm. Mocht het zoo óók wezen bg u en bg mg.
De hoofdman te Kapernaüm had een knecht, die hem zeer waard was. Wij hebben ook allen iets dat ons zeer waard is; het is onze onsterfelijke ziel, die op reis is naar de eeuwigheid, O, dat wij het toch goed mochten verstaan, dat niets in waarde onze ziel te boven gaat.
Maar nu geldt het ook van die ziel, wat van den knecht van den hoofdman gold. Ook die ziel is krank, doodelijk krank; ook die ziel heeft, tengevolge van de zonde, zware pgnen te doorstaan.
En nu is er maar Één, die het lijden onzer ziel kan verzachten; daar is er maar Één, die de doodelgke krankheid onzer ziel genezen kan. Die Ééne is Hij, van Wien Jesaja reeds sprak: Waarlijk, Hg heeft onze krankheden op zich genomen en onze smarten, die heeft Hij gedragen. Die Êéne is Hg, van Wien de dichter vau Psalm 103 reeds zong, dat Hg al onze ongerechtigheden» vergeeft, dat Hij al onze krankheden geneest.
Ja, die Ééne is dezelfde, tot Wien de hoofdman over honderd zijn vrienden had uitgezonden. En nu hebben we gehoord: die vrienden meenden het zoo goed, maar zg deden het zoo verkeerd. En zoo zou het ook met ons kunnen wezen, dat anderen wellicht van ons zeggen: hij is het zoo waard, want hij heeft dit al gedaan en bij heeft dat al gedaan, hij heeft al zoo veel voor de zaak des Heeren gearbeid, hij heeft zich zelf al zoo opgeofferd voor God en Zijn volk, dat hij toch werkelijk wel waard is om door den Heere geholpen te worden. En als gg nu in uw eigen hart een vreemdeling zgt, dan zijt gij het daar in den grond der zaak wel wat mee eens, dan zegt ge ook bg uzelf: ja, 't is waar, ik heb al zoo veel voor den Heere gedaan, de Heere mocht nu ook wel eens wat doen voor mg.
Wanneer daarentegen het ontdekkend licht des Heiligen Geestes over n opgegaan is, zoodat ge in uw hart geen vreemdeling meer zijt, dan komen deze dingen. wat anders te staan. Dan achten we, evenals de hoofdman, ons zelf niet waardig om tot den Heiland van zondaren onze toevlucht te nemen. En toch is er dan een begeerte om met de krankheid onzer ziel tot Hem te gaan. Immers dan is er ook voor ons» geen andere naam onder den hemel gegeven waardoor wg moeten zalig worden. Daarom hebben dan ook wij onze boden gezonden; we hebben onze smeekbeden voor den troon der genade nedergelegd: Heere, genees mijne ziel.
Maar ziet, als de Heere nu komt om dat gebed te verhooren; als Hij nu zegt: Ik zal komen en u genezen, wat zeggen wij dan ? Zijn we dan verheugd en verblijd dat de Heere bij ons Zijn intrek wil nemen. Dat zouden we zoo verwachten, niet waar? Maar dan is het vaak net als bij den hoofdman. Niet zelden worden we dan door het besef onzer eigen nietigheid overstelpt. Ja, dan is het ook: Heere, zult Gij inkomen bij mg ? Gg, die de groote Koning Israels, de machtige Jacobs zijt, zult Gij in mijn nietige, in mijn zwakke stulp Uw intrek nemen? Maar daar ben ik immers de man, daar ben ik immers de vrouw niet naar. Daarvoor is mijn schuld te groot, daarvoor zijn mgn zonden te veel, daarvoor is mijn hart te hard, daarvoor is mijn leven te zeer een overtreding van Uw wet, een schending van Uw eere geweest.
Niet waardig ? Maar is het dan beter, gg, die zoo spreekt, dat uw ziel verloren zal gaan ? Gij weet toch te goed dat er voor u geen andere weg is om zalig te worden dau' het volbrachte werk der verzoening door Christus volbracht? Is het dan beter dat gij zult omkomen dan dat gij door Jezus behouden zult worden?
O neen, zegt ge dan, maar als de Heere slechts één woord tot mg spreekt, dan zal ik behouden worden. Welnu, de Heere heeft al zoo dikwijls tot u gesproken; de Heere heeft het u al zoo menigmaal toegeroepen: komt dan en laat ons te zamen rechten, al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.
O gelukkig als daar, bg het besef van eigen onwaardigheid zulk 'n geloof als van den hoofdman, zulk een geloof in het Woord des Heeren bij u gevonden mag worden. Dan zult ook gg het ervaren, evenals dat ten slotte ook de ervaring van den hoofdman was, dat de Heere Zijn Woord bevestigt: wie tot Mij komt, ' zal Ik geenszins uitwerpen.
O zeker, deze hoofdman was van nature een heiden, evenals straks de Kananeesche vrouw een heldin. De hoofdman had dus van nature alles tegen. Maar nu is het wel opmerkelgk, dat er zoo staat, dat de Heiland zich over het geloof van dezen hoofdman verwonderd heeft en dat Hg zelfs zeide, dat Hij zulk een geloof zelfs in lsraël niet gevonden had. Wonderlijk toch dat alle geloof dat groot is bij zichzelf, klein, ja nieta is voor God, maar dat ook alle geloof dat kl«in, ja dat niets is in zichzelf, door den Heere juist groot wordt genoemd.
En daarom, mocht er van datzelfde geloof, dat klein denkt van zichzelf, maar dat in den Heere Jezus zulk een uitnemende heerlijkheid ziet, ook in onze harten iets gevonden worden. Dan zal het ook door ons ervaren worden, dat de Heere onze Heelmeester is en we zullen instemmen met het lied van den dichter:
Loof Hem, die u al wat gij hebt misdreven Hoeveel het zij, genadig wil vergeven, Uw krankheén kent en liefdergk geneest.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 31 januari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's