Armen en rijken in het Nieuwe Testament.
X.
Uit het tot dusver gezegde mogen wg wel samenvattend deze conclusie trekken: de prediking des Heeren richtte zich vooral tot de armen en geringen, en vond voornamelijk onder dezen gehoor; de enkele rgken, sommige met name genoemde aanzienlijken vormen een uitzondering tegenover de groote scharen, die uit het eenvoudige landyolk van Galilea Hem aanhangen.
Bij de armen, die van de hand in den tand leven moesten, die zich in religieus opzicht in mindere conditie gevoelden dan de rijken, waren niet zulke gevaren aanwezig, als den aanzienlgken dreigden.
Vooral tegen den hoogmoed, de eigengerechtigheid en zelfgenoegzaamheid der rijken waarschuwt Jezus dan ook herhaaldelijk. Hg wijst er op, dat de rgkdom een gevaar is, en dat rijken bezwaarlijk in het koninkrgk Gods zullen binnenkomen; want het geld is in deze zondige wereld een macht, die tegen God ingaat, en slaven maakt, welke zij met nauwlijks gevoelde koorden boeit.
Op de sociale positie wordt dus door Jezus wel terdege gelet; maar, dit zie men bij de waardeering van hetgeen Hg zegt, niet over het hoofd, al tgd om de beteekenis, die zij heeft voor het koninkrijk Gods.
In Jezus een sociaal hervormer te zien, is alzoo eene miskenning van de beteekenis Zijner prediking; het is een afsluiten van een gebied, een uitbannen van een gedachtensfeer, die juist al Zijn s woorden in een zeer bepaald licht doen uitkomen: het wordt alles gezien in betrekking tot God en dien?
En wie thans de sociale kwestie bespreekt in den zin waarin zij door onzen ; materialistischen tijd wordt opgevat, heeft geen recht zich daarbg op den Christus te beroepen.
Iets anders is het, of niet in Jezus' prediking allerlei gegevens liggen, die een sociologisch beginsel bevatten
Want bg Hem, het Woord dat Vleesch werd, vinden wg niet de door zoovelen gemaakte scheiding tusschen het natuurIijke en het geestelijke, het tijdelijke en het eeuwige. Voor Hem, die den Vader erkende en eerde als den Schepper, „den Heere des hemels en der aarde", Mt 11 VS. 25, zijn deze beide-niet als twee afzonderlgke terreinen, die met elkaar niets te maken hebben; voor Hem is niet het koninkrgk Gods iets louter toekomstigs; in en met Hem is het verschenen ; Hij kon zeggen: „het koninkrijk Gods is in uw midden."
En daarom moet er een vernieuwende, herscheppende kracht van Hem uitgaan op het leven in deze wereld, op het leven ook der maatschappg.
, Jezus", zoo is er gezegd, „behoort niet aan slechts één periode in de wereldhistorie, niet aan slechts één stand in de menschheid, maar aan al de tgden en gansch de wereld."
Daarom is het dwaasheid, bij hem een sociaal program te willen zoeken, of hem voor één' stand te willen annexeeren. Daartoe leent zich ook Zgne prediking niet, tenzij men haar geweld aandoet, enkele uitspraken uit haar verband haalt, en verkeerd uitlegt.
Wèl echter zgn in de prediking des Heeren groote Iijnen, machtige grondbeginselen te vinden, waarnaar ieder sociaal program wél zou doen, zich te richten, en waardoor het met vrucht zich zou laten leiden.
Lijnen en beginselen, die ook in de prediking des Woords wel mochten op den voorgrond gebracht, veel meer dan in den regel geschiedt.
Hier ligt voor de Kerk, mede in den dienst des Woords, eene taak, die zij schromelijk heeft verwaarloosd. Niet, als zou de prediking van het Woord een sociaal program moeten bespreken, of de oplossing van de sociale kwestie behandelen.
Maar wel mag er op gewezen worden dat ook in de bediening van het Woord ' te vaak alles wordt vergeestelgkt, dat de vragen van het geestelgk leven veel te veel geïsoleerd worden besproken, alsof zij met het leven in de wereld geen verband hielden.
De rechtvaardigmaking, de verkiezing, het geloof en de zekerheid des gelooS, de vragen van dood en eeuwig leven, zij worden naar het Woord Gods behandeld. En terecht.
Doch wordt ook in gereformeerde kringen niet al te veel vergeten, dat het Woord des Heeren óók iets te zeggen heeft over het leven in deze wereld, over de verhouding van den mensch tot zgn medemensch, van den geloovige tot zijn' medegeloovige ?
Moet over dit alles worden gezwegen, en niet het licht van 's Heeren Woord worden ontstoken?
Jezus heeft toch duidelgk genoeg doen uitkomen, dat iemands sociale positie beteekenis heeft voor zgn religieus leven; Hij heeft gewezen op de verleiding van den rijkdom, op den gruwel der schrille tegenstellingen tusschen de overdaad en de ongebreidelde genotzucht der éénen en de ellende, het gemis aan alle levensvreugde en levens-genot der anderen.
En zou dit alles tot de kinderen van onzen tgd nieta te zeggen hebben? Zou dit ook aan hen, niet moeten worden voorgehouden, die buigen voor het Woord es Heeren, maar toch blootstaan aan allerlei invloeden van een tijd, die met dat Woord niet meer rekent?
Moet er niet een waarschuwing uitgaan tot hen, die God vreezen, dat zg zieh niet laten meesleuren in den maalstroom van den materialistiachen tijd; moet het den rijken niet voorgehouden, dat zij ook nu niet God dienen kunnen en den Mamon ?
Speculeeren, ongehoorde winsten maken, dag en-nacht geen rust hebben om maar het vermogen te zien aanwassen en de inkomsten te vermeerderen, zou het niet door God veroordeeld worden; zou het niet den geest afstompen voor de dingen van het eeuwig Koninkrgk ?
En moet er niet anderzijds gewezen op het gevaar der lokkende stemmen, die den kleinen man voorspiegelen, dat ook voor hem mèt een sociale revolutie de betere dagen zullen aanbreken, die zijn hartstocht naar bezit aanblazen, zijn begeerlijkheid prikkelen, en hem afvallig zoudon maken van het woord :
„wat baat het een' mensch, zoo bij de geheele wereld gewint, en hij lijdt schade aan zqne ziel? "
De rijke en de arme, zij worden tegen elkaar opgehitst, in het hart van den niet-bezitter wordt afgunst en bitterheid uitgestort tegen den bezitter; en deze, die zich in de zekerheid van zijn bestaan bedreigd ziet, loopt gevaar, zijn hart te sluiten voor den arme, en alle ontferming in zijne ziel te zien verstijven.
Waarlijk, hier ligt voor de Kerk een dure roeping. In de prediking des Woords en in den dienst der barmhartigheid.
Niet, dat „de sociale kwestie" keer op keer van den kansel zou moeten behandeld worden.
Maar wel moeten de sociale verhoudingen getrokken worden in het licht van 'sHeeren Woord.
De Christus predikte zelfbeperking, matiging, soberheid aan den rijke.
En in diens verhouding tegenover den arme wees hiij op rechtvaardigheid en barmhartigheid als leidende beginselen.
Deze moeten het leven reguleeren onder de macht van Zijn evangelie; deze beginselen te prediken en toe te passen, is de roeping der Kerk.
Jezus heeft de rijken telkens weer hunne roeping* voorgehouden, zich aan de armen te laten gelegen liggen, zich hun lot aan te trekken, en niet in koud en zondig egoïsme het hart voor den nood der armen toe te sluiten.
Tot de rqken is het woord in de Bergrede gericht: „geef den gene, die iets van u vraagt, en keer u niet af van dengene, die van u leenen wil."
Wat natuurlijk niet wil zeggen, dat men zonder oordeel klakkeloos weg moet geven aan ieder, die zich aanmeldt, óf nimmer zou mogen weigeren, te leenen aan iemand, die daar om komt vragen.
Dat zou alleen dan goed zijn, wanneer men, gelijk dat op een dorp of in een weinig samengestelde maatschappg nog mogelijk was, de omstandigheden van den vrager kende, en zekerheid had, dat hulp noodig, en niét aan een' verkeerde besteed ware.
Doch dat kan in een maatschappij als waarin wij leven, slechts zóó worden toegepast, dat het werk der barmhartigheid georganiseerd zij; dat niet ieder welmeenead en welgesteld geloovige op eigen gelegenheid gaat weldoen; maar zijne gaven toevertrouwt aan de organen van het kerkelqk leven, aan wie deze arbeid is opgedragen.
Ook het aalmoezen geven is alzoo een uiting van een innerlijke gesteldheid, het oefenen van barmhartigheid. En waar zou deze beweging des harten eerder worden aangetroffen, dan in de gemeente des Heeren, die leeft van de barmhartigheid en de vrije gunst haars Gods?
Daarom moet de barmhartigheid ook niet worden beoefend om er eer mee in te leggen. Dat was het doen der Farizeërs, die met ophef en vertoon hun aalmoezen gaven, maar die dan ook in de toejuiching der mensehen en hun loon reeds hadden ontvangen.
Gerechtigheid en barmhartigheid de grondregels, de grondzuilen voor het sociale leven.
Dat heeft de Christus uitgesproken. herhaaldelijk
Dat, door de verwezenlijking van eenig sociaal program een ideale samenleving ooit zou ontstaan op deze zondige aarde, is een gedachte, die ge vruchteloos bij Hem zult zoeken.
Wel heeft Hg harteloosheid en ongetemperde zelfzucht gegeeseld met Zijne woorden.
Wel heeft Hij de waarachtige gemeenschap, die der liefde, als het samenbindende en verbindende element aangewezen.
Gemeenschap van belangen vraagt, zoekt te verkrijgen, staat naar vermeend of wezenlijk recht.
Doch de gemeenschap der liefde vraagt naar het belang en welzqn van den ander; zoekt te helpen, nood te lenigen, onrecht weg te nemen.
Dat moest toch allereerst verstaan worden in de gemeente van Christus, die de gave Gods is.
Het recht Gods heeft van Hem geeischt, wat geen zondaar ooit zou kunnen geven. De eeuwige ontferming Gods heeft den weg gevonden om in den weg van het ongekreukte recht den zondaar te zaligen.
Waar deze barmhartigheid wordt gekend, zou daar niet de liefde moeten wonen?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's