De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Diaconale arbeid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Diaconale arbeid.

10 minuten leestijd

Geringe waardeering van de Diaconale ondersteuning.

I.

Wg zgn zeer afgeweken van den weg en bet ideaal is wel.verre gebleven. Er is reden op diaconaal terrein te zuchten: „hoe is het goud zoo veranderd, het goede .fijne goud zoo verdonkerd".

Immers er is geen rechte waardeering van de ondersteuning door de diaconie verstrekt en deze openbaring van Christus' liefde en ontferming jegens het zwakke en verdrukte — want als zoodanig wil ze toch aangemerkt worden — wordt niet op prgs gesteld. Onder­ steund te worden door de diaconie wordt door een groot deel der Gemeente als een diepe vernedering beschouwd; en als men hoort van deze of gene, die zoodanige ondersteuning ontvangt, schudt mefi soms het hoofd en zegt meewarig: „och, och, is het zoover met hem gekomen", 't Is soms, alsof het de diepste val is, waartoe een mensch geraken kan, als hij geholpen moet worden van de diaconie. Zelden ziet men dan ook een fatsoenlijk burgergezin, dat in nood is geraakt, bij de diaconie aankloppen. De meesten loopen eer stad en land af om bg vrienden en bekenden hulp te vragen, dan dat ze zich tot de diaconie wenden zullen. Alleen in den uitersten nood wordt daartoe overgegaan.

Natuurlgk bedoelen wij hiermede geenszins de poging om zichzelf te helpen af te keuren. Dat iemand weigert ondersteuning te vragen of aan te nemen, alvorens hij alles in het werk gesteld heeft om zich zelf te helpen, juichen wij van ganscher harte toe. Zulk een afkeerigheid van ondersteuning beschouwen wij als een heilige schroom, die niets te maken heeft met die geringschatting, waarmee velen op den diaconiearbeid neerzien en waardoor deze arbeid zijn rechte waardeering heeft verloren. Want als de apostel in 1 Tim. 5 schrijft: „zoo eenige weduwe kinderea heeft of kindskinderen, dat die leer en eerst aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen", dan bedoelt hij daarmede zeer zeker ook het eigen initiatief op te wekken en keurt het af, dat men onmiddellijk tot de Gemeente om hulp komt, terwgl de familiekring in staat was zichzelf te helpen.

Wanneer wij spreken van de geringschatting, waarmede door velen op den diaconiearbeid wordt neergezien, dan hebben wij het oog op de voortdurend voorkomende gevallen, dat iemand er geen schande in ziet om vau dezen of genen als mild bekend staanden particulier een gave te vragen en aan te nemen, maar dat diezelfde persoon zich ten hoogste verontwaardigd zou betoonen, als de diakenen hem hun hulp aanboden. Hier staat dus niet het eigen initiatief tegenover een toestand van ondersteund worden, maar we worden hier voor het feit geplaatst, dat hulp door particuliere barmhartigheid verstrekt op prgs wordt gesteld, daarentegen in ondersleuning door de diaconie bepaald iets vernederends wordt gezien. Helaas, onze Kerk in haar officieele vertegenwoordiging heeft lang meegeholpen om degenen, die door de diaconie ondersteund worden, tot een klasse van minderwaardigen te stempelen door hen uit te sluiten van het stemrecht. Zoo is in de jaren, die achter ons liggen, de diaconale armenzorg door hoog en laag gebrandmerkt, tengevolge waarvan ze door velen geschuwd werd en de rechte belangstelling in dien arbeid verloren ging.

Gelukkig valt er thans een ommekeer op te merken. Het reglementsartikel, waarbg de bedeelden van het stemrecht uitgesloten worden, is geschrapt. Maar thans wacht de taak om de publieke opinie, waarvan genoemd artikel een sprekend getuige geweest is, om te zetten. De diaconale arbeid moet uit de vernederende positie, waarin hij gekomen is, worden opgeheven; het oorspronkelijk doel en de verheven bestemming van dit werk moet weer gezien worden; de Gemeente moet opnieuw deze hulp der liefde leeren waardeeren als de eigen openbaring van Christus' liefde en ontferming jegens het zwakke en arme in het midden Zijner Kerk op aarde.

Een onderzoek naar de oorzaken, door welke men in den loop der jaren in de diaconale ondersteuning meer en meer iets vernederends is gaan zien, is hierdoor gerechtvaardigd. We zullen ons bepalen tot de meest voor de hand liggende, die ieder aandachtig opmerker nog kan waarnemen en laten thans den eigenaardigen ontwikkelingsgang, die de diaconiearbeid ten onzent doorloopen heeft, en zijn invloed op de waardeering der diaconale ondersteuning ter zijde.

Dat de liefdeloosheid, waarmede de Gemeente haar' gaven vaak geeft, de noodige waardeering mede ondermijnd heeft, is haast wel zeker. Het moet voor het gevoel van den arme, die het smartelijke van zijn hulpbehoevendheid beseft, iets pgnlgks zijn; als gedurig bij de Gemeente moet worden aangedrongen om toch wat milder te geven, dewijl anders de diakenen niet kunnen rondkomen. Daardoor wordt hem duidelgk, dat "hetgeen hij ontvangt, niet immer uit vrijwillige liefde om Christus' wil is bgeengebracht, maar integendeel vaak hJieengebedeld is, ja voor een deel zelfs gedwongen is bggedragen, omdat men de diakenen nu eenmaal niet durft afwgzen, doch overigens zich liever onthouden had. Hoe kan zulk een ondersteuning worden gewaardeerd, die niet getuigt van broederlgke liefde, maar eerder iets weg heeft van een aalmoes, die men een bedelaar geeft om hem daardoor van de deur kwijt te raken?

De meesten onzer beseffen niet wat het zeggen wil armoede of gebrek te lijden. Maar als ons ter belooning van bepaalde diensten, die wij iemand bewezen hebben, uit dankbaarheid iets wordt aangeboden en wg bemerken daarna, dat die dankbaarheid voorgewend was en het souvenir enkel geschonken is, omdat het, nu ja, eenmaal zoo de gewoonte is, en men meende er niet buiten te kunnen, heeft dan het voorwerp, het moge nog zooveel gekost hebben, niet zijn rechtswaarde voor ons verloren ? Welnu, zoo vergaat het ook den arme, die fijn gevoelt. Als de gaven niet door vriij willige liefde en offervaardigheid bgeengebracht zijn, geeft de ondersteuning hem een drukkend gevoel. De nood zal hem dwingen om ze aan te nemen, maar de rechte waardeering ervoor heeft hg verloren. Misschien perst het hem zelfs de bede uit het hart, dat God van den hemel een anderen weg tot hulp moge banen, opdat hij van zulk een bezwarende ondersteuning bevrijd worde.

Wel is het droevig als de Gemeente zich zoo weinig barer roeping jegens haar arme medeleden bewust is, en in dezen weg medewerkt, dat de arbeid der liefde om Christus' wil haar waardeering verliest.

Evenwel nog twee oorzaken willen wij aanwgzen, die waarschglijk elk afzonderlijk veel meer hebben bggedragen tot de geringschatting van de diaconale armenzorg dan de zooevengenoemde liefdeloosheid, der Gemeente. De eerste dezer oorzaken moet gezocht worden in een verouderde en verkeerde werkwijze, de tweede bij de armen zelf.

We spreken thans niet over het gebrek aan kiescbheid, dat tal van diakenen aankleeft. Dit is iets zeer individueels, iets zeer persoonlijks. En wat de een mist, bezit de ander soms in ruime mate. Daarom kan op bepaalde plaatsen zulk een gemis aan tact en gave van optreden menigeen huiverig hebben gemaakt om zich tot de diakenen om ondersteuning te wenden, maar het gaat moeilijk om hier te generaliseeren en het zou onbillijk zgn om in hetgeen sommigen ontbreekt een oorzaak te zoeken, die tot algemeene geringschatting geleid heeft.

Wel iets algemeens is echter het feit, dat zelden afdoende hulp geboden wordt. Statistische gegevens van verschillende grootere plaatsen wijzen dit euvel aan, gelgk het trouwens vrij algemeen bekend is. Verreweg de meeste ondersteuningen bedragen f 1 è 3 per week. Slechts zeer enkele klimmen tot een bedrag van f 6 of meer. Om zich goed iDtedenken, wat dit beteekent — want al te achteloos gaat de Gemeente en misschien ook een deel onzer diakenen hieraan voorbg — wenden we ons een oogenblik tot de practijk.

Een kleine burgerman met eigen bedrijf, die met hard werken zijn gezin, bestaande uit vrouw en 4 of 5 kinderen onder Gods zegen weet te onderhouden, wordt ziek; van dien aard, dat de dokter minstens drie maanden rust noodzakelijk acht. Vrienden en bekenden begrijpen onmiddellijk, dat deze 3 er zeker 6 zullen worden, als de man ten minste ooit geneest. Ziekte van den man bet«'ekentin zulk een gezin stilstand van alle verdienste, gebrek en armoede. Hoe zwaar het ook valt voor iemand, die nooit hulp noodig gehad heeft, nu is men gedwongen bij de diakenen aan te kloppen. In den regel hebben dezen geen haast. Er verloopt nog een week voordat men gezamenlijk beraadslaagt over het geval Eindelijk na lang wikken en wegen komt men tot het besluit, dat het gezin voorloopig f6 per week zal ontvangen; voorloopig, want als het te lang d%urt, zal de stand der kas zulk een uitgave niet gedoogen. De diaken, die deze ondersteuning heeft doorgezet, gaat 's avonds met een bizonder gevoel van zelfvoldaanheid ter ruste; een uitkeering van f6 pet' week is in het leven van menigen diaken ook een groote bizonderbeid.

Maar laat nu een ieder eens nagaan, wat deze ondersteuning voor het genoemde gezin beteekent. De huishuur moet betaald worden; de dokter moet bet zgne hebben; medicgnen en versterkende middelen zijn voor den zieke noodig; . zonder brandstof kan men niet; kortom men behoeft geen groote rekenmeester te zijn om uit te rekenen, dat er voor het verdere levensonderhoud van vrouw en kinderen weinig meer overschiet. Een ondersteuning van f 6 per week aan dit gezin houdt dus de armoe en het gebrek niet buiten de deur; bij den winkelier moeten schulden gemaakt worden; de vrouw is tenslotte gedwongen de particuliere liefdadigheid van dezen of genen in te roepen of moet met een weinig koopwaar den boer op om onder den schijn van handel hier wat aardappelen en ginds een afgedankt kleedingstuk te vragen. Is het wonder dat tenslotte de hulp der diaconie niet wordt gewaardeerd, nu men niettegenstaande die hulp tóch op een fatsoenlijke wijze moet gaan bedelen? Het staat voor ons althans vast, dat daarom een klein burgergezin in tijden van nood zoo ontzettend huiverig is voor ondersteuning van de zijde der diaconie, omdat men haast vooruit weet toch geen afdoende hulp te zullen ontvangen.

Maar is in een geval als zooevengenoemd f 6 per week geen prachtige tegemoetkoming ? Zeker, een mooie tegemoetkoming, Maar — en laat ons daar nu eens den nadruk op gaan leggen — het is slechts een tegemoetkoming, méér niet. En dit euvel kleeft veel diaconale ondersteuningen aan. Ook zij, die niet tijdelijk, maar geregeld gesteund worden en die geen andere bron van inkomen hebben dan hetgeen ze van de diaconie ontvangen, hebben vaak een kommervol bestaan. Hoe groot is dikwijls het verschil met de eerste christen-Gemeente, toen — och, dat deze woorden meer in hun wijde strekking en groote heerlijkheid door de Gemeente van thans werden gezien — toen „aan een iegelgk werd uitgedeeld, naar dat elk van noode had." (Hand. 4 vers 35).

Onze diakenen zullen al hun aandacht aan dit vraagstuk moeten wijden, zal hun werk weer in eere komen en gewaardeerd worden, gelgk trouwens reeds meer dan ééamaal van hun zijde hierop gewezen is. Daarvoor nu zal niet genoeg wezen, dat ze meerdere offervaardigheid bg de Gemeente trachten op te wekken, maar op tal van plaatsen zal men moeten breken met een verouderde wijze van bedeelen en een grondige reorganisatie van den arbeid zal moeten gezocht worden.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Diaconale arbeid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's