De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

stichtelijke overdenking.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

stichtelijke overdenking.

9 minuten leestijd

Lukas 4:1-4.

Christus' eerste verzoeking door Satan in de woestijn.

De bevinding van de bruidskerke Christi is, dat op de stonde van blijde zielezaligheid, waarin zij zoo kennelijk de zoete gemeenschap des Heeren smaken mag, gemeenlijk volgt een uitgeleid worden in de woestijn, alzoo een tijd van beproeving en ontbering, ja. van satans verzoeking. Bovenal was dat, blijkens 't woord onzer overdenking, enmaal de ervaring van den Cliristus Gods.

Hoe zalig, hoe heerlijk was voor Hem kort te voren geweest de eeuwig-gedenkaardige ure Zyns Doops. Toen daalde neder op Hem in de liefelijke gedaante ener duive de Heilige Geest en werd Hij grootelijks verkwikt door dat onvergetelijke woord Zqns Vaders: Gy zijt Mijn geliefde Zoon, in U heb Ik mijn welbehagen (Luk. 3:22). Welk een schoone inwijding was dat niet tot Zijn Middelaarswerk!

Maar wat volgt onmiddeliyk daarop ? De Jordaanoever wordt verwisseld met onherbergzame woestijn. Welk een overgang De overlevering medlt dat 't was de Quarantanis, die zich als eene gansch woeste, rotsachtige vlakte uitstrekt ten noordwesten van Jericho,  Waar de doodelijke stilte slechts zoo nu en dan afgebroken wordt door 't akelig gehuil van roofgedierte en van den verengenden wind. Markus zegt dan ook 1:13): En Hij was bij de wilde gedierten. En dat waartoe? Niet uit willekeur, Lucas zegt in vers 1 : en (Jezus) werd door den Geest geleid in de woestijn, 't Was dus een heilig moeten, ten doel hebbend, om als Zoenborg Zijns volks verzocht te worden van den duivel.

O, men zou denken, in zulk een wildernis zou Hij wel alleen gelaten worden, niemand Hem volgen, niemand Hem zien dan alleen 't liefdeoog Zijns Vaders. Maar neen, éen achtervolgde, éen bespiedde Hem. Wie? Dezelfde, die ook eens den eersten mensch bespiedde in Eden's hof, n.l. vorst Satan, en wel met 't zelfde helsche doel: te brengen tot afval van den Heere en tot gehoorzaamleid aan hemzelven. Gewis, daar is een eer nauw verband tusschen de verzoening door Satan in Eden's lusthof en in de woestijn. Omdat door den vrij-en moedwilligen zondeval van den eersten Adam de mensch was geworden éen prooi des duivels, wilde deze ook verzoeken Christus, den tweeden en beteren Adam, opdat ook Deze kwame tot afval van zijnen Vader en tot gehoorzaamheid aan hem. Waarom? Wel waarom anders dan om zijn buit te behouden? Hij wist t wie de Heere Jezus was en waartoe Hij op deze aarde gekomen was, n.l. om Hem van zijne prooi te ontrukken en voor Zijn Vader te herwinnen een volk, door den Heere uitverkoren om Zgnen lof te verkondigen, ja eeuwig te leven tot Gods verheerlijking.

Zie, dat kan deze aartsvijand van God en Zijne eere niet dulden. En daarom, 't koste wat wil, hg zal alles )beproeven om dat te verhinderen: ook de Christus Gods moet worden zijn gewillige slaaf.

Hoe listig gaat hij ook nu evenals in Eden's hof te werk. Let vooral eens op den tqd der verzoeking: onmiddellijk nadat de Zone Gods zoo openlgk bij Zijn Doop tot Zqn Middelaarswerk was ingewijd. De Satan toch wist 't: nu stond zijne eigene zaak op 't spel; nu zou 't er om gaan öf behouden of verliezen dat volk als zijn prooi, dat Christus wilde verlossen, Of hijzelf of God zou eere ontvangen. En daarom, nu was zijne ure daar om zoo mogelijk ook den Zone Gods te maken tot zijn gehoorzamen dienaar. Toch zal hij, de listige, 't meest geschikte oogenblik daartoe afwachten, n.l. als 't ten laatste, na veertig dagen en nachten gevast te hebben, den Zone Gods hongerde en Hij 't meest alzoo begeeren zou raar voedsel. Nu wil hij ook Hem evenals den eersten mensch als 't ware verlangend doen grijpen naar spijze. En hoe sluw gaat hg ook thans te werk. Vriendelijk, als ware hij een engel des lichts, treedt hij thans op den Heere Jezus toe en zegt, zoo verleidelijk mogelijk: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen, dat hij brood worde. Satan weet, hoe God de Vader bij den Doop van Christus gezegd heeft: Gij zgt mijn geliefde Zoon. Welnu, zoo wil de duivel zeggen: indien dat waar ware. Hg geeft dus niet toe, dat 't zoo is, hoewel hij 't zeer wel weet. Zoo handelde hij ook met den eersten menschen is het ook dat God gezegd heeft? om aldus tot twijfel te brengen.

Nu dan, zoo wil Satan zeggen, indien 't werkelijk waar is, dat Gij de geliefde Zone Gods zijt, hoe is 't dan te verklaren, dat Hij u zoolang laat hongeren? En zie, nu wil hij zichzelf voordoen als barmhartiger dan God, door Christus een eenvoudig middel aan de hand te doen om spijze te verkrggen: Zeg tot dezen steen, dat hij brood worde.

Schijnbaar, hoe onschuldig dat middel, niet waar? Wat voor kwaad stak daar nu in? Immers, Christus was-machtig zulks te doen en 't kostte aldus Hem zoo weinig moeite, evenals voor den eersten mensch, om de begeerlijke spijze te verkrijgen.

Maar neen. Satan, uw door en door duivelsch plan mislukt. Niet tegen zoo duur een prijs, als door u bedoeld, wil Christus eigen honger stillen.

De Zone Gods doorgrondt u en weet 't, zoo Hij aan uw lokstem gehoor gaf, zou Hgzelve wel voor steen brood hebben, maar dan den hongerenden naar de gerechtigheid moeten geven steen voor brood, voor hemelbrood, dewijl Hg dan niet voor Zijn volk geweest zou zgn 't ware Manna tot verzadiging hunner ziel. Ja, dan zou dat volk nog in eeuwigen honger en kommer hebben moeten omkomen. En waar de Heere Jezus zulks weet, daar grijpt Hg, de slagvaardige en sterke Held uit Juda's stam, naar dat alvermogende zwaard des Geestes, 't welk is Gods Woord, om met dat wapen uit 't hemelsche tuighuis, dat scherpsngdender is dan eenig tweesngdend scherp zwaard. Satan te weerstaan, n.l. met 't enkele woord: Daar is geschreven.

Ongetwijfeld denkt Hij daarbg aan hetgeen we lezen in Deuteron. 8:8, waarin Mozes Israël er aan herinnert, hoe de Heere hun wonderdadig, niet met het brood der aarde maar uit den hemel gevoed had, zeggende: n Hij verootmoedigde u en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet noch uwe vaderen gekend hadden; opdat Hij u bekend maakte, dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar dat de mensch leeft van alles dat uit des Heeren mond uitgaat. En zie, aldus overwon in deze eerste verzoeking niet Satan maar Christus.

O, wat ligt in die heilswaarheid een troost. Voor wie? Wel, voor allen, die zoo afweten van Satan's verzoekingen. Wie nu zgn dat? Wel, niet zoozeer die mensch, die zoo volop gerustelijk in de zonde en wereld leeft, want dezen laat de booze gaarne in zgne gevaarlijke rust, maar eene aan zichzelf en aan eigen zonde ontdekte ziele tegenover de vlekkelooze heiligheid en rechtvaardigheid Gods.

Op allerlei wijze komt de vorst der duisternis zoo iemand te bekampen. Nu eens vleit hij, dat deze het al te zwaar opneemt met zijne zonde, dan weer, als dit niet baat poogt hg hem te doen schrikken, hem voorhoudend, dat zijn schuld al te zwaar is om nog vergeving te erlangen. Aldus weet deze tegenpartgder zulk een bestredene ziel wel eens bgna tot wanhoop te brengen, vooral als hij tracht wijs te maken, dat mogelijk wel de zonde tegen den Heiligen Geest bedreven kon zijn.

Maar wat wordt nu ondervonden ? Dat als de wanhoop nabij is, ook Christus nabij is door den Vader ais een sterke Hulp besteld in en voor Zijn Sion. Dit toch is zoo wondervol heerlijk : Satan wil van Christus afvoeren en doet juist het omgekeerde, leidt naar Hem heen, en dat, als de nood 't hoogst is, de Redder nabij is.

En niet slechts ligt er in die overwinning van Christus in de woestijn der verzoeking een troost voor eene voor 't eerst aan zichzelf ontdekte en nu heil- zoekende ziel, maar tevens voor heel Gods lijdend en strgdend volk. O, dat volk ervaart 't zoo, hoe Satan hen wil ziften als de tarwe en kan 't zoo betuigen: de aanklager der broederen is ons niet onbekend. Hoe is dat volk door zijne bestrijdingen en aanvallen niet als eene belegerde stad! Maar zie, nu mogen zg ook weten, hoe zij in hunnen Zoenborg Christus hebben eenen getrouwen Helper en Voorbidder, ja eenen medelijdenden Hoogepriester. Immers 't is zoo troostrijk waar, wat de apostel daarvan zegt in Hebr. 2:18. Want in hetgeen Hijzelf, verzocht zijnde, geleden heeft, kan Hg degenen, die verzocht worden, te hulpe komen.

Maar o, dan ook is noodig in de ure der verzoeking tot dien barmhartigen Hoogepriester te vluchten en te zuchten: Verlos ons van den booze, en niet te veronachtzamen een biddend en getrouw gebruik te maken van 't zwaard des Geestes, opdat ook hun maar recht veel blijken moge, hoe Gods Woord een wapen is sterker dan al de pijlen van den vorst der duisternis.

O, bekommerde, aangevochtene, als door een onweder voortgedrevene ziele, grijp moed. Satan moge u toefluisteren: voor u geen redding, Gods Woord roept 't luide uit: behoudenis ook voor den grootste der zondaren.

Tegenover Satan's groote macht staat Christus' almacht. De Zone Gods is inderdaad 't Brood des Levens, 't ware Manna voor den hongerende naar Zgne borggerechtigheid. Hg geeft geen steen voor brood, maar waarachtige zielespgs en dat om niet, zonder prijs, uit enkel genade."

Oprechte honger vindt bij Hem verzadiging, zeker en gewis, want 't is een levensteeken.

Geloof 't vrij, dat Satan komt met zgne bestrijdingen en aanklachten is nog zulk een slecht-teeken niet.

Zuist dat zou zulk een doodelijk teeken zijn, indien die aanklager der broederen voor u nog als een vreemde ware. Ja, wee, wee denzulken. Vreest toch vóór alles dien, die machtig is en 't er om te doen is om ziel en lichaam beide te doen storten in de hel, waar eeuwige honger wezen zal. Dat ze mochten bedenken, dat de mensch niet zal kunnen leven bij 't brood der aarde alleen, maar bij alle woord, dat uit Gods mond uitgaat en vóór en boven alles Jezus noodig heeft als de eenige, die verlossen kan van zond' en Satan, hel en dood.

Indien gij Hem nog niet kent als uwen Goël, och, ' dat dan boven alle lokstemmen van Satan en wereld uit, ook uwe bede als smartkreet eener hongerende ziele nog eens klinke :

Och, Heere, och wierd mijn ziel door U gered. Dan zal op 's Heeren tijd ook voor u eens aanlichten dat zalige „toen", dat ge moogt betuigen:Toen hoorde God, Hij is mijn liefde waardig.

Dat schenke de Heere, Zijn grooten Naam eeuwig ter eere.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

stichtelijke overdenking.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 februari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's