Uit de Afdeelingen.
ZEIST. Onze verslaggever schrgft:
Vrijdag 7 Febr. j.l. des avonds 71/2 uur trad in Gebouw „Irene" a/d. Slotlaan alhier op de WelEerwaarde heer ds. M. van Grieken, Herv. Pred. te Delft, Voorzitter van den Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Herv. (Geref.) Kerk.
Deze vergadering was belegd door een voorloopige Commissie, welke bedoelt de oprichting van een afd. van den Geref. Bond te Zeist.
Nadat' dit samenzijn door Z.E. W. werd geopend met 't doen zingen van Ps. 77:8, 't voorlezen van Jesaja 1:1-«10, en Z.E.W. was voorgegaan in gebed, vangt spreker zijne aangekondigde rede „De eeuw van Jesaja, en de behoeften van onzen tijd" aan, kiezende daartoe - als uitgangspunt Jesaja 8:20. „ Tot de Wet en tot de Getuigenis! Zoo aij niet spreien naar dit woord, het zal zijn, dat zij geen' dageraad zullen hebben.".
Jesaja was de zoon van Amoz en leefde ia de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hiskia, koningen van Juda.
't Was de begeerte van zijn hart, niets anders te zien, dan wat God hem liet zien. Een profeet is een ziener, is een getuige Gods, en daarom wenscht hg niets anders te zien dan wat God hem laaj zien, niets anders te getuigen, dan God hem gaf te spreken, niets anders te doen dan een werk dat God hem op de handen legt. Hg begint met weedom des harten een teekening te geven van den toestand waarin het volk verkeert.
„Hoort gij hemelen I en neem ter oore, gg aarde, want de Heere spreekt: Ik* heb kinderen groot gemaakt, en verhoogd, maar zg hebben tegen Mg overtreden.
Een os kent zijnen bezitter, ea een ezel de krib zgns heeren, maar Israël heeft geene kennis, mijn volk verstaat niet" (Jes. 1).
De Heere heeft alles voor het volk gedaan; Hij heeft het op Zijn arm gedragen uit Egypte, door de woestgn, naar het land Kanaên, het laad der belofte, overvloeiende van melk en honig, hun toedeelende de steden en de dorpen.
Ontzettende klacht uit den mond van den Godsman die staat op de markt des levens en den polsslag van het nationale leven beluistert. „Mgn volk kent Mij niet en vraagt niet naar Mg", Zg stellen vleesch tot hun arm, waarvan God gezegd heeft „Vervloekt is een iegelgkdie vleesch tot zijnen arm stelt." „Het is beter tot God de toevlucht te nemen, dan op menschen te vertrouwen." Nergens is een bekennen: „laa, t ons onze wegen doorzoeken en laat ons wederkeeren tot den Heere". En daarom is Jesaja van Gods wege geroepen om te getuigen, dat God een heilig God is, te heilig van oogen, dan dat Hg het kwade zoude kunnen aanschouwen en ongestraft laten.
Jesaja is een man staande in het midden van het volk, een man gebonden aan het heiligdom, wiens harte brandt van ijver voor des Heeren erfdeel. Omdat hij brandt van ijver, omdat zijn harte blaakt van liefde, omdat hij het volk draagt op z'n ziel, blgft hij getuigen van zonde en ongerechtigheid. Met harde woorden vermaant hg, omdat met zachte woorden de breuke niet geheeld wordt; zonde noemt hij zonde; daarbij verkondigend: God heeft geen lust in den dood des goddeloozen, maar daarin dat hij zich bekeere en leve.
De oórdeeien zullen komen als ze zich blgven verharden en verheffen. Het lot van Efraïm, zal het deel van Juda worden.
Ontzettend; want dien veel gegeven is, en die 't geweten heeft, maar niet gedaan, die zal met dubbele en vele slagen geslagen worden. Bij Jesaja leeft nooit de lust zijn eigen vaderland te vertreden, om het volk af te vallen of tot schande te maken, maar hij spreekt harde woorden, omdat hij leeft in de toestanden des volks; "'t is om het volk, zoo mogeliijk, nog te redden van den ge wissen en smadelgken ondergang.
Op elk terrein was het allertreurigst gesteld. De politieke hemel was onheilspellend donker. .Op maatschappelijk gebied heerschte verwarring en ongerechtigheid.
De rijken zuigen de armen uit, en de weduwen en weezen zijn de spigzen der machtigen, die lekkerlijk leven met wufte overdaad en lichtzinnig uitroepen: „Laat ons eten en drinken, want morgen zijn wij dood". De vrouwen wandelen op de straten uitgedost in eene kleeding, waaruit duidelijk spreekt dat zij opgaan in den dienst der zonde en der wereld, zich niet bekommerrend noch om God noch om Zijn gebod.
Onder Hiskia komt er verandering ten . goede, en deze vrome koning, die treurt over de breuke Sions, zendt ook boden tot de overblgfselen van Efrayn en Manasso, Dat was een daad van dezen godvruchtigen vorst.
Het hart van Hiskia brandt om saam te brengen wat saam te brengen is. Maar de boden werden bespot en belachen in het rijk der 10 stammen, doch dat komt voor rekening van Israël. De daad van Hiskia is er niet minder om. (2 Kron. 30).
Van een nieuwe toekomst droomde het volk, van Assyrië verwachtte men het. Maar wie afvalt van den hoogen God, moet vallen. Wie daar zeggen : wij redden het wel zonder Hem, moeten wegzinken al dieper en dieper in de ellende.
Zij hadden hunne wegen moeten doorzoeken en moeten wederkeeren tot den Heere; zo hadden moeten komen tot den spiegel van Gods heilige Wet; dan gaat het naar het Oosten, naar het Licht, naar eene' nieuwe toekomst. Want God de Heere zal genade en eere geven aan allen die Hem needrig te voet vallen en Hem vreezen
Helaas! ook in Hiskia's dagen werd geen hartgrondig wederkeeren opgemerkt; het volk hield aan de zonde vast, en de goddelooze Manasse nam de afgoden niet weg. Wee het land waar de Kerke Gods niet vast staat, niet is ala een stad boven op een berg gelegen; waar het goud verdonkerd eu de waarheid verduisterd is.
Dan gaat het van duisternis tot donkerheid, en van donkerheid tot nacht; dan zal men door Hem worden uitgeroeid.
Nadat nu nog gezongen werd Ps. 36:3, begint spreker den tijd waarin Jesaja leefde te vergelijken met onzen tijd. Een nieuwe tijd en een nieuwe toekomst — waarover men het ook nu druk heeft en waarvan men ook nu allerwege droomt — zal er dan eerst aanbreken voor ons land en volk, als er een terugkeer komt tot de aloude paden van Gods Woord en Getuigenis. Ons land werd nog gespaard en bewaard voor groote gevaren. God heeft Zijne barmhartigheden over ons land en volk groot gemaakt, niet omdat wg beter zijn dan anderen, o neen! Alle krachten wendt men nu aan om maar te komen tot tgdelgken voorspoed en geluk en zegening. Doch dan, d& n alleen zal er een waarlijk goede toekomst van heil en zegen zich openbaren, als er een terugkeeren tot de Wet en tot de Getuigenis gezien wordt op alle ierrein des levens, allereerst in de , Kerk. De vereeniging die in ons land bestaat genaamd „De Dageraad", gaat er op uit om te breken met en los te maken van Gods Woord, en te vervreemden Van de Kerk. Daarom moet des te meer gehoord worden: Tot de Wet en tot de Getuigenis". Dat ia het streven van den Gereformeerden Bond in onze Hervormde Kerk, voor ons land en volk, voor Kerk en maatschappelijk leven 't goede te zoeken. Om bg het licht van Gods Woord te getuigen tegen al wat ingaat tegen God en Zijn Woord. God heeft bemoeienissen met ons land, met dat land waar eenmaal de vader des vaderlands. Prins Willem van Oranje sprak: Ik heb een verbond gemaakt met den Potentaat aller Potentaten. Gods barmhartigheden zgn nog vele, en Hij roept ons toe: Wendt u tot Mg en wordt behouden, want waarom zoudt gg sterven ? " En waar is nu 't wederkeeren op te merken ? „Tot de Wet en tot de Getuigenis", ddtmoet worden uitgedragen op den kansel en in de pers, in den Staat en in de Maatschappij, in de Kerk en in de School. De Geref. Bond in onze Herv. Kerk wenscht niet anders dan zonde, zonde te noemen. En dat niet om de schande uit te dragen, en de Kerk den scheidsbrief te geven; maar dan is het juist, om voor die Kerk, die God geplant heeft en ons allen lief is, het goede te zoeken. Daarom wekelijks het optreden met uiteenzetting van de schriftuurlijke waarheid en de bespreking van hetgeen voorvalt in Kerk, School, Maatschappg en in 't Vereenigingsleven. Daarom het stichten van fondsen voor een betere opleiding en het steunen van a.s. predikanten.
Het is zoo heerlgk — en 't is bewijs. van Gods genade — als er jonge menschen zijn, met gaven des verstande en geheiligde liefde, die wenschen te arbeiden in 's Heeren wijngaard. En nu is het de roeping van de Gemeente Gods te zorgen voor de opleiding van dienaren des Goddelgken Woords. Dat is een hooge en heerlijke roeping, welke roeping onze gereformeerde vaderen van ouds hebben betracht, maar onder ons helaas! veronachtzaamd wordt.
Daarom moet er zijn vrgmoedigheid en blijmoedigheid in het uitreiken der gaven; daarom moet er meer en'meer gebeden, waar de velden wit zijn om te oogsten, en de arbeiders weinigen zijn, dat de Heere arbeiders in Zgnen wijngaard uitstoote; en Hem smeekende om een verbeurden, verzondigden, maar nochtans ©nmisbaren zegen, moeten we hoe langs hoe meer ook doen wat onze hand in deze vindt om te doen. Moge het werk van den Ger. Bond ook bg ons meer en meer op het harte worden gebonden.
Onder ademlooze stilte werd deze boeiende en ernstige rede door een groote schare aangehoord.
Ds. V. Grieken stelt nu de gelegenheid open • om zich als lid op te geven, met den wensch dat ook in Zeist een af deeling van den Geref. Bond mocht worden opgericht, wetende dat reeds enkelen lid van den Bond zijn.
Ruste 's Heeren zegen op het gesproken woord, eu moge 't die vrucht hebben weggedragen, dat ook hier allen, die de belgdenis lief hebben, ten opzichte van den Geref. Bond in onze Herv. Kerk hun hooge roeping meer en meer gaan verstaan
Nadat spreker ingebed was voorgegaan en gezongen was Ps. 146:6, verlieten allen, rgk voldaan, de plaatse der samenkomst.
Van harte hoop ik en zeer velen met mij, dat het niet het laatst moge geweest zgn, dat ds. v. Grieken in ons midden was en sprak.
UTRECHT, Was het voor de leden een leerzame avond, toen ds. Goslinga 31 Januari in ledenvergadering bijzonderheden mededeelde nit het leven van Calvgn, niet minder aangenaam en leerrijk was het, toen ds. van Grieken in openbare vergadering 6 Februari voor een flink gevulde zaal sprak over Jes. 8 VS 20. Treffend deed ZBw. uitkomen de overeenkomst van de dagen van Jesaja met die we thans beleven. Dat de Heere het gesprokene zegene opdat er een wederkeeren zij tot de wet en de getuigenis.
* * Voor de Hulpvereeniging Utrecht van den Geref. Zendingsbond hoopt D.V. op Donderdag 20 Februari 's avonds 8 uur in de Marnixzaal op te treden ds. Kievit van Benschop.
KAMPEN. Donderdag 30 Jan had de Vereen. „Uw Woord is de Waarheid" het voorrecht dat voojr haar optrad in de Broederkerk de WEw. heer ds. J. G. Dekking van Putten om te spreken in het belang van het Leerstoelfonda van den Geref. Bond. Als uitgangspunt zijner rede nam spreker Joh. 17:17. Jammer dat zoo weinigen waren opgekomen, want die wegbleven hebben veel gemist. De collecte voor het Leerstoelfonda bracht op f23, 05.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's