Diaconale arbeid.
Geringe waardeering van de Diaconale ondersteuning.
Naast liefdeloosheid der Gemeente en onvoldoende ondersteuning door de diaconie achten we een groot deel der armen mede oorzaak te zijn, dat de diaconale hulp niet wordt gewaardeerd. En deze oorzaak achten wij van zoo groot gewicht, dat we een weinig uitvoeriger dan bij de andere hierbij willen stilstaan.
leder stilstaan. Ieder diaken (maar niet ieder Gemeentelid) weet, dat er tweeërlei soort van armen zijn. Ten eerste, wat we zouden willen noemen: de fatsoenlgke armen ; zij, die altijd hun best hebben gedaan om zelfstandig door het leven te komen, die immer hebben gezwoegd en gearbeid, maar tenslotte döor ziekte of ouderdom of tegenspoed neergeworpen, noodgedwongen de hulp - der diaconie inroepen en aanvaarden.
Ten tweede degenen, die vaak met den naam „paupers" worden aangeduid. Het zijn die menschen (we teekenen ze thans, zooals ze op de dorpen en in de kleinere steden gekend worden, maar hun broeders en zusters in de groote stad zullen wel niet zoo bizonder veel van hen verschillen), die van de hand in den tand leven. 'sjZomers wordt alles opgemaakt en zoodra de winter zijn intrede doet, kloppen ze zonder eenigen schroom bij den diaken aan. Aan zorg voor den ouden dag wordt hieï allerminst gedacht. Waarom zou men ook bezorgd zijn ? De diaconie zorgt immers wel! Geen ziekte kan er in huis komen, geen ongelukje kan er plaats hebben, of onmiddellijk wordt de gang naar den armmeester gericht en hem op wijdloopige wijze den nood geklaagd. Dat de verdienste van den kostwinner doorgaat en anderen van gelgke positie in dergelijke gevallen zichzelf trachten te helpen, bekommert hen niet; ze trachten te halen wat er te halen is en soms zijn ze blij, als er weer iets is om te kunnen klagen, want het wordt zoo gemakkelijk meegenomen wat men van de diaconie krggt. Dézen menschen hindert het niet, dat de ondersteuning slechts een tegemoetkoming is; ze zullen wel zien, dat hetgeen er verder noodig is bijeengegaard wordt, want te bedelen schamen ze zich niet en doen het zelfs liever dan graven.
Juist deze menschen hebben den diaconalen arbeid allerwege in discrediet gebracht. Omdat het van hen het eerst bekend is, dat ze van de diaconie „trekken", is menig Gemeentelid geneigd te meenen, dat alle ondersteunden dit karakter vertoonen. Zoo is men ook eenigszins uit de hoogte gaan neerzien op de „bedeelden" en hebben dezen dat etiquet ontvangen, waardoor ze voor velen tot een klasse van minderwaardigen werden gestempeld. Is het dan wonder, dat langzamerhand do fatsoenlgke atme het als een schande is gaan beschouwen om „bedeeld" te worden en daardoor op één lijn te worden gesteld met hen, van wie hg toch wel degelijk niettegenstaande zijn armoede zich door een diepe klove voelde gescheiden?
We hebben hier voorzeker met een zeer netelige kwestie te doen, die niet in éen dag en éen jaar is op te lossen; maar het is noodzakelijk, dat onze diakenen, die zelf vaak'den schrik van deze paupers hebben, zich met het vraagstuk bezighouden. Het is niet genoeg, dat een enkele hunner zich deze dingen indenkt en op wetenschappelijke of populaire wgze daarover schrijft, maar hun andere mede-broeders hebben, hetgeen een onderzoek aangaande deze kwestie leert, zoo mogelijk in de practijk toe te passen. Het ware zeer te wenschen, dat onze diakenen na onderling overleg in gemeenschappelijke samenwerking tot . een in hoofdtrekken eenvormige wijze van handelen tegenover deze gezinnen en personen konden komen, of ze den smaad, die dit soort menschen op de diaconale Ondersteuning geworpen heeft, daarvan konden wegnemen.
Daarbij dienen ze wel acht te nemen op het feit, dat de Gemeente nog zoo dikwijls geneigd is om alle armen over éen kam te scheren. Toen eenige jaren geleden de Synode voorstelde om het reglements-artikel, waarbij de bedeelden worden uitgesloten van het stemrecht te schrappen, bleken zelfs tal van predikanten in dien waan bevangen en hun argumenten op de Classicale Vergadering tegen dat voorstel waren voornamelijk ontleend aan de minder aanbevelenswaardige karaktereigenschappen der bedeelden, waardoor er gevaar zou kunnen ontstaan, dat ze misbruik maakten van het stemrecht. Ze schenen dus geen andere armen te kennen dan de zooeven genoemde paupers en het is zeer waarschijnlijk, dat deze nog vrij algemeen verbreide zienswijze mede oorzaak geweest is, dat het voorstel in die dagen gevallen is Dat ten vorigen jare het voorstel met nagenoeg algemeene stemmen is aangenomen, schgut wel van een algeheele verandering van inzicht te getuigen.
Toch zg men in dezen niet te optimistisch. In de gemeente heeft de oude voorstelling diepe wortelen en hat moet allerminst als overbodig worden beschouwd om de Gemeenteleden nader in te lichten en op de hoogte te brengen, opdat er sympathie en medeleven kome met die armen, die toch al zoozeer gedrukt door hun armoede, hun kruis nog des te pijnlijker gevoelen, omdat de Gemeente des Heeren vaak met een onbewogen hart aan hen en hun lot voorbijgaat,
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's