De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

9 minuten leestijd

XII.

In de eerste helft van de Handelingen der apostelen vonden wy het beeld geschetst der Jeruzalemsche gemeente, die, geleid en geleerd door den Heiligen Geest, het geheim der liefde en der barmhartigheid hadleeren verstaan. Dekennis van dit geheim wortelt in de kennis der liefde en ontferming Gods, haar in Christus geopenbaard.

Omdat de Kerk te Jeruzalem dien Christus beleed, en in Hem al haar heil vond, is de drijving der liefde ook verklaarbaar, die wg daar aantreffen jegens de broederen. De H, Geest, die deel gaf aan Christus en aan Hem bond, deed hen leven als leden van één lichaam; ook in sociaal opzicht droeg dit zijne vruchten in de gedurige mededeelzaamheid, in de zorg, die .voor de armen werd gedragen, en in êen waardeering van het aardsche goed, die in overeenstemming was met do alles te boven gaande beteekenis van het hemelsche.

Dat echter de gewgde schrijver niet idealiseert, 't beeld niet fraaier teekent dan het in werkelgkheidwas, bewijst Ananias' en Saffira's bedrog, onomwonden door Lukas medegedeeld.

Nevens deze aanschouwelijke voorstelling nu van het leven der jonge gemeente treffen wij ook het onderwijs der apostelen en andere door den H. Geest geleide mannen in het N. Test.

En daarin is, evenzeer als in de prediking des Heeren Jezus, menige aanwijzing te vinden hoe. naar het^Woord Gods, het aardsch bezit moet gewaardeerd worden, en hoe armen en rijken elkander hebben te bejegenen.

Bij een kort overzicht hiervan beginnen wij met den brief van Jacobus. En dat niet alleen, omdat hg wellicht tot één der oudste geschriften van het Nieuwe Testament behoort; maar ook, otndat hij zoo dicht staat bg de prediking van Jezus, en zeer nauw zich hierbij aansluit,

Wij ademen hier in dezelfde sfeer als waarin de bergrede ons verplaatst.

Niet alleen naar het uiterlgke: aan Palestina's bodem herinnert ons de beeldspraak van den olgf-en den vijgeboom, 3 VS. 12, de zonne-hitte en de woestgnwind die het gras in een halven dag doet verdorren, 1 vs, 10, 11, de vroege en de spade regen, die aan het koren zijn wasdom brengen, 5 vs. 7 enz.

Doch ook de toon, die' in Jacobus' klinkt, schgnt wel de bergrede weer te geven. Jacobus, de broeder des vermaningen klanken der Het is alsof Heeren, die geloofde (vgl aanvankelijk niet in Hem Matth. 13 VS. 55, Joh. 7 VS. 3—5), doch later tot bekeering kwam, (vgl, 1 Cor, 15 VS. 7, Hand. 1 vs, 14), door den H. Geest geleid en geleerd, op zgn eigen wijze weergeeft en vertolkt, wat o, a, in de bergrede van de lippen geklonken had van Jezus Christus, wiens „dienstknecht" hij zich noemt, 1 VS, 1.

Het is hier niet de plaats om aan te wgzen, in hoe sterke mate het getuigenis, dat Jacobus doet hooren, herinnert aan de prediking des Heeren.

Wij hebben ons te bepalen tot hetgeen ons onderwerp medebrengt.

En ook wat in Jacobus gezegd wordt over armoede en rijkdom en over de verhouding van armen en rijken komt dezen indruk versterken: wij hebben hier te doen m«t een man, die, zoo hij al niet den Heere Jezus in Zijne omwandeling op aarde gedurig gevolgd heeft, dan toch Hem meermalen heeft gehoord; en wanneer hg eenmaal tot de erkentenis gekomen is, dat deze de Christus, de Zoon Gods is, dan is het, alsof onder de leiding des Geestes het vroeger gehoorde weer opstaat in Zijne ziel, daar onder een nieuw licht verschgnt, en door den gewijden schrgver wordt weergegeven.

Reeds in het Ie hfdst, heeft hij het over armen en rijken; en wel in het verband, waarin hij wijst op de beteekenis der beproevingen en verzoekingen: acht het voor groote vreugde, h d k w mijne broeders, zoo begint hij, wanneer gg in velerlei verzoekingen valt, 1 vs. 2,

En onder de dingen, die tot een verzoeking kunnen worden, wijst hij dan ook op armoede en rijkdom.

Hij weet, hoe een nederige staat, een bekrompen leven, een gevaar is voor een kind van God; hoe de zorg voor het dagelijkseh brood de gedachten kan in beslag nemen; vooral, hoe een onaanzienlijke positie, de minachtende bejegening door hooggeplaatsten, kan pijn doen, en dreigt bitterheid in het hart te doen insluipen.

Daarom vermaant hij, 1 vs, 9: „de broeder die nederig, d.i. van een lagen staat is, roeme in zgne hoogheid".

Dat „roemen" is niet een hoovaardig zijn, maar is hetzelfde als hetgeen vs. 2 noemt een „achten voor groote vreugde".

De verzoeking, die voor den arme in zijne geringe sociale positie zoo gemakkelijk gelegen is, wordt overwonnen, wanneer hij leert „roemen in zijne hoogheid, " d.i. wanneer hg zich leert verblgdea in den hoogen staat hem door Gods genade geschonken in het kind schap Gods, Dit weegt op tegen alle pijn en vernedering, want dit komt niet van menschen, maar van God-zelven, en kan niet teloor gaan

„En de rijke (broeder) roeme in zijne vernedering; want hg zal als een bloem van het gras voorbijgaan, " 1 vs. 10.

Voor den rgke is zijn rijkdom een verzoeking: zijn hart gaat hangen aan zgn aardsche schatten; hij loopt gevaar, almaar te zinnen op vermeerdering van zijn bezit.

Laat hem bedenken, hoe onzeker zulk bezit is; ook in Palestina stonden de christenen in de eerste eeuw bloot aan vervolgingen van de zqde der Joden: berooving, verbeurdverklaring van hun goed, gevangenschap en dood, ziedaar het lot dat menigeen trof, en velen steeds bedreigde.

Indien de rijke de „wijsheid, die van boven is" ontvangen heeft, hij zal de aardsche schatten leeren zien in het rechte licht en roemen niet in zijn' rijkdom, maar in de vernedering, waaraan hij blootstaat.

Zou hetnognoodig zijn, bg dergelijke woorden opzettelijk te verwijzen naar de prediking des Heeren? Of zou niet ieder, die in de H. Schrift thuis is, aanstonds de nauwe verwantschap herkennen?

Jacobus zet en ziet de sociale positie van den arme in het licht van de genade des Heeren, die opweegt tegen alle vernedering, welke hem van de zijde van menschen kan worden aangedaan.

Anderzijds wijst hg den arme op de „koninklijke wet der vrgheid, " 2 vs, 8, en beveelt hem daarom een fiere en rijken.

Kwam er een rgke, al was het zelfs een niet-geloovige, een Jood, in de samenkomst der broeders, dan werd hg met onderscheiding behandeld; een «ereplaats werd hem gewezen; terwijl een arme maar zien moest, wtór hg een zitplaats vond.

Dat keurt Jacobus af; die kruiperige houding striemt hg met zijn woord; zulk een „aannemen des persoons" mag niet plaats hebben. Als gg zoo handelt, „zijt gij dan niet gedeeld in uzelven, d.w.z. is uw hart dan niet gedeeld tusschen God en de wereld ? " 2 vs. 1—4. Neen, een koninklijke houding, 'n fier en vrij gedrag past den arme tegenover den rijke. Immers, God heeft de armen dezer wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof, en erfgenamen van het koninkrijk, dat Hij belooft dengenen, die Hem liefhebben.

Bovendien, wat aanleiding is er voor zulk een overdreven eerbied voor den rijken ongeloovige? Zijn zg het niet, die de geloovigen overweldigen, en voor de rechtbïsaiken sleepen? Inderdaad gingen de vervolgingen in de oudste tijden uit van Farizeërs en Sadduceërs.

Zijn het niet de rijken, die den schoonen en heerlgken naam lasteren, waarnaar de geloovigen zijn genoemd? 2 VS. 5—8.

Wat hier den arme wordt gepredikt, is waarachtige vrgheid.

Niet haat en bitterheid tegen de „bezitters." Tegen de „bezitters" wordt niet als bezwaar ingebracht, dat zg rijk zijn, en de armen niets bezitten. Den armen wordt niet nijd en afgunst aanbevolen, zij worden niet aangemoedigd, te streven naar een omkeering der verhoudingen.

Neen, hun wordt alleen gezegd, dat et niet recht voor God is, den rijke om ijn rijkdom te vleien en bovenmate te eren; hian wordt gewezen de koninklijke et der vrijheid: „heb den naaste lief ls uzelven, " Wanneer zg den rijke naar eze wet bejegenen, die de arme, indien g Christus toebehoort, in koninklijke rgheid en hoogheid kan vervullen, dan s het wèl.

Meene nu echter niemand, dat Jacobus, ie de armen vermaant, de rgken zou ntzien 1 Gg behoeft slechts te lezen, wat g hoofdst. 5 vs. 1—6 schrijft, om van ien waan genezen te zijn.

Scherper dan het daar wordt gezegd, v an het moeilgk: „Welaan nu, gij rgken, ^ eent en huilt over uwe ellendigheden, ' z die ovor u koniöa. Uw rijkdom is verrot, en uwe kleedereu zgn van de motten gegeten. Uw goud en zilver is verroest, en hun roest zal u zijn tot een getuigenis, en zal aw vleesch als een vuur verteren; gg hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. Ziet, de loon der werklieden, die uvre landen gemaaid hebben, welke van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben, is gekomen tot in de ooren van den Heere Sabaoth.

Gij hebt lekker geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in een dag der slachting.

Gij hebt veroordeeld, gg hebt gedood den rechtvaardige, en hij wederstaat u niet."

Het is van beteekenis, goed in het oog te vatten, wat hier zoo scherp gekastijd wordt. Het is dit: deze rijken zgn ingepalmd door hun rijkdommen; zij hebben zich schatten vergaderd op de aarde. Daarom treft hen de spot van den apostel, die zegt: gg hebt schatten vergaderd in de laatste dagen. D.w.z. gij hebt, die schatten opleggende, niet bedacht, dat de tijd komt, waarop dat alles u ontvalt, en gij voor het gericht Gods zult verschgnen.

En het tweede is dit: zij hebben van hun opgelegde schatten het rechte gebruik niet gemaakt; hun geld en goed gebruikt om zichzelf te goed te doen in weelde en overdaad; en den arbeider bovendien zijn loon onthouden. Dat ingehouden loon roept tot den Heere der heirscharen.

Begrijpelijk, maar daarom nog niet juist, is, dat bijv. Maurenbrecher hier een „proletarische stemming" vindt, en van oordeel is, dat een zoo echt proletarische toon als in den brief van Jacobus behalve in de evangeliën nergens in de oud-christelgke litteratuur wordt aangetroffen. (Von Jerusalern nach Rome, 1910, blz. 98). Evenmin heeft hij recht om te spreken van het proletarisch instinct der Joden in de verstrooiing, dat hier tegen andere kringen zou worden opgewekt (bl. 223).

Want van een sociaal program is bij Jacobus evenmin sprake als in de prediking van Jezus. En de sociale kwestie als zoodanig stelt noch kent hij.

Wèl vinden wij, evenals in de evangeliën, de vraag van armoede en rijkdom gesteld, maar dan in het licht van Gods wet en van Zgn eeuwig Koninkrijk.

En waar Jacobus de verhouding van armen en rijken aanraakt, geeft hij een sociaal begvnsel aan, maar geen ander dan in ganseh de H, Schrift is te vinden, nl. het beginsel van recht en gerechtigheid; iets dat, wij zouden haast zeggen vanzelf spreekt, omdat wij te doen hebben met het Woord van dien God, van Wien geschreven staat: „gerechtigheid en gericht zijn de vastigheden van Zgnen troon.''

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's