Uit de Pers.
We krijgen zoo wel eens den indruk, dat de mannen van de Geref, Kerken zich nog al voelen. Ze staan blijkbaar een paar voet hooger dan de mannen van het Hervormd Kerkgenootschap. (Anti-Hervormd Kerkgenootschap schrgft Prof, Fabius op elke bladzijde van zijn boek Kerkelijk leven een paar maal). Een predikant van de Geref. Kerken is een heel ander mensch dan de Herv, dominé. De onderwijzer, de leeraar, die tot de Geref. Kerken behoort, is te verkiezen boven hen die van de Herv. Kerk zijn. Is iemand van de Geref. Kerken dan is het met z'n belijdenis in orde, en die Hervormden zijn maar menschen die het lichtjes opvatten!
Zoo redeneert en denkt men dikwgls in den kring van hen, die kerkelgk gescheiden van ons leven. En zoo moet het dan ook in de politiek en bij elke bestuursfunctie en bg elke betrekking liefst maar een man van de Geref. Kerken zgn. Dan rijdt men toch maar de veiligste schaats! En, om de wille van de goede zaak, willen gelukkig de broeders van de Geref. Kerken ook wel vooraan staan. Ze doen heteigenlgkwel niet graag. Maar „men moet wat voor de goede zaak over hebben" en daar mogen dan de Herv. broeders toe meewerken, 't Gaat om de goede zaak!
Wij hebben wel eens pijnlijk deze dingen gezien en gevoeld; waarbij wij ons nooit aan het werk en de actie onttrokken hebben, maar waarbij menigeen uit Herv. kringen dikwijls gezegd heeft: „de menschen uit de Geref. Kerken kunnen ons, die van de Herv. Kerk zgn, soms zoo diep krenken en je moet met die lui altgd zoo oppassen, of ze palmen alles in". En daarom doen velen dan ook niet mee. Ze bedanken er voor; er op aandringend niet zoo lummelachtig te zijn, om alles uit onze handen te laten nemen en liever in eigen kring aan te pakken. Onze Hervormde kring is toch, als 't or op aankomt, groot genoeg! zegt men. En als nien dan altigd van de Geref. Kerken haantje de voorste zijn wil, welnu, laten ze daar dan in eigen kring werken, dan zullen wij het doen in ónzen kring! Zoo redeneert men soms.
En die klanken verminderen niet. Integendeel.
Een weinig bescheidener mocht men dan ook wel zijn in de Geref, Kerken. Van zich zelf iets minder te denken, zich zelf iets minder te voelen, zou niet slecht zijn. En misschien een weim^' meer waardeering voor de Hervormden, dat kon geen kwaad.
Maar dat nu alles daar gelaten, Hoe staat het zoo in de Geref. Kerken ? Hoe is daar de toestand? Is het waar: als men tot de Geref. Kerken behoort, dan is het alles in orde?
Ds. Klaarhamer van Utrecht heeft zoo óok wel eens hooren redeneeren. En nu voelt hij, man van de Geref. Kerken, behoefte, om daar eens iets van te zeggen.
We laten z'n artikel uit de Ütrechtsehe Kerkbode, weekblad voor de Geref. Kerken in de prpvincie Utrecht (van 11 Jan, 1919) hier volgen.
't Luidt:
Een begin.
Bg de Classis Dokkum der Geref. Kerken is van de Kerken van Nyawier en Metslawier een voorstel ingekomen, luidende:
„De classis schenke aandacht aan het feit, dat een groot aantal van onze aanstaande Dienaren des Woords lid zijn van eene vereeniging — de N. C. S. V. waarin leeringen worden verkonïfgd, die tegen Schrift en Be-Igdenis ingaan, en overwego de vraag, of er ook iets gedaan moet worden, om het indringen van zulke leeringen in onze Kerken tegen te gaan".
Ik acht het een verblijdend teeken, dat zich ongerustheid in de Geref. Kerken begint te openbaren tegenover het indringen der Ethische dwalingen.
Van die ongerustheid is ook dit voorstel een officiëele uiting. En voor deze ongerustheid is helaas maar al te veel aanleiding en oorzaak.
En dat niet enkel in het feit, dat Theol. studenten der V. U. en der Theol. School en dat ook predikanten lid der Ned. Christ, Stud, Vereen, zgn en haar steunen.
Wie kennis neemt van wat alzoo in brochures en tijdschriften en óp vergaderingen en in particuliere gesprekken wordt uitgelaten en daarbg let op de geestelijke strooming onder de jongeren en „intellectueelen", die zal met groote bezorgdheid zien, dat die ethische en zoogenaamd algemeen christelgke leeringen reeds verontrustende vorderingen in de Geref. Kerken maken.
En wat niet minder verontrust, is, dat de wacht bg het beginsel, bij de beIgdenis, verflauwt.
De farizeesche gedachte begint meer en meer onder ons post te vatten, dat als iemand maar „lid is" (n.l. van de Geref, Kerk) en „bij^ ons hoort", dan ia het in orde, en dan kan er heel wat meê door. En dan laat men dingen ongestraft, zelfs onbesproken gebeuren, die voor 20 jaar geleden ieders afkeuring zouden hebben gewekt en door de wachters niet ongemoeid zouden gelaten zijn; maar die ook niemand zou hebben durven doen.
En daarbg komt nog een angstig streven, om toch vooral de rust te bewaren en de uitwendige eenheid in stand te houden. Plat gezegd: 't boeltje bg elkaar te houden.
Bouwen en poetsen aan den buitenkant.
Getallen, namen, posities gaan weer groot opgeld doen, meer dan innerlijke, geestelgke waarde en beteekenis".
Tot zoover ds. Klaarhamer.
Men ziet, hij is over den werkelgken, innerlijken toestand in het midden van „de Geref. Kerken" niet zoo heel gerust en te vree". Ethischen aitten er daar bij hoopjes. En dan „die farizeesche gedachte, dat als iemand maar lid is van de Geref. Kerk, dan is het in orde". Waarbg een wekere dosis pocherg en werken met getallen bepaald onaangenaam aandoet.
Toch is het maar goed om deze dingen eens te schrijven in het publiek, misschien dat het nog heilzaam werkt, wat zeer te wenschen is.
Voor een goede samenwerking kan dat ook bevorderlijk zgn.
Ds. Knap en de Confessioneelen.
Onlangs, gaf ds. Knap in „Oude Paden" in de rubriek „Over en weer" („Vragenbus")"over de Confessioneelen zgn oordeel te kennen, 't welk wij ook in „de Waarheidsvriend" hebben overgenomen. De inzender van de vraag komt nu op dat antwoord (in No. 173 van „Oude Paden" gegeven) terug en vraagt nadere uitlegging nog; waarbij hg zegt „datde toonaangevende mannen in de Confers, vereeniging zich op 't stuk der Confessie niet rechtstreeks uitspreken"; tevens van oordeel zijnde, dat het deel der Confess, vereeniging, dat de bestaande geloofsbelijdenis als basis aanvaardt, zgn standpunt hiet zal mogen laten varen.
Ds. Knap antwoordt dan nader, ala volgt:
„Wij gaan met dit laatste volmaakt accoord. Alleen zouden wij ons persoonlijk nog iets scherper uitdrukken. De bestaande belijdenis als basis aanvaarden, is ons niet duidelgk genoeg. Wordt er eenvoudig mede bedoeld, dat men haar als uitgangspunt voor een nieuw-bouw neemt, dan gaan wij niet mede. Tenminste niet als er een gebouw in ethischen zin op gevestigd wordt.
Wij zijn bedachtzaam geworden. In den loop der jaren hebben wij vaak hooren zeggen: dat men de belijdenis wenachte te aanvaarden in historisch en zin, of met een dergelijke toevoeging, die niet door klaarheid uitmunt. Wij voor ons zien slechts heil in het aanvaarden der belijdenisschriften, zooals zg daar liggen; wij wenschen alleen dat zij aangevuld worden met enkele artikelen, waarin de kerk positie neemt tegen de nieuwere dwalingen.
„Zóo is men helder. De belijdenisquaestie is veel belangrijker dan de reorganisatie-quaestie. Daarom is zuiverheid van taal op dit punt niet slechts gewenscht, maar strikt noodzakelijk. Naar ons oordeel ontbreekt het daaraan in confessioneele kringen. Wel vindt men in „Troffel en Zwaard" nu en dan een uitlating, die doet vermoeden, dat men de ethische theologie met de gereformeerde saêm in éen belijdenis wil 'voegen, maar men spreekt zich niet met ondubbelzinnige woorden uit.
„Overigens kent schrijver dezes tal van oonfessioneelen, die van heeler harte amen op de bestaande belijdenisschriften zeggen. Maar dit is iets anders dan om er als groep, of, zoo men liever wil, als Kerk met allen ernst voor te ijveren, dat die geschriften nu ook weder in de Kerk gehandhaafd worden. Bij het zoeken van een oplossing van het kerkelijk vraagstuk, komt het ddarop vóór alles aan En de Confessioneele vereeniging zou onzes inziens aan invloed winnen, indien sq het belgdenis-vraagstuk vóór dat der reorganisatie stelde. Een gereorganiseerde Kerk toch, waarin de Schriftuurlijke inrichting tot haar recht komt, — stel dat dit doel bereikt werd — zou nóg een onding blijven, indien de richtingstrgd daarin bleef bestaan."
Geen Kiescolleges.
In het weekblad de Gereformeerde Kerk (van 13 Febr. 1919) stelt (dr.) M. W(oudstra) te Utrecht den oonfessioneelen voor in d« eerstvolgende classicale vergaderingen van de Ned. Herv. Kerk éen reglementsherziening aan de orde te stellen, waardoor het kiescollege uit de kerkelijke organisatie zal worden verwijderd. Hij noemt deze instelling »totaal in strijd met het wezen der Kerk" en een tegenspraak van het recht der gemeente, ook door onze reglementen erkend."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's