Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN.
12)
't Werd al donker, en daarom meende ze zich met meer spoed te moeten haasten, doch nauwelqks was ze buiten het dorp, of de duisternis in de eindelooze verte beangstigde haar. En als ze Femma nm eens niet ontmoette, of als die misschien langs een anderen weg huiswaarts keerde, of als ze nu ergens in huis zat, en zg haar dan voorbij liep! 't Eerste huis het beste opende ze de deur.
«Vrouw Van Boeken I is Femma al voorbij ? " „Nee Ombra I — Ze zou hier aankomen I" Dat trof mooi; dan maar verder. Toe, vrouw Van Boeken! geef mq even een stok mee I Een dikken I"
Dat was een flinke. Nu durfde ze beter. Alle huizen langs den weg liep ze even aan, en toen ze zoo een half uur geloopen had, meende ze den stap van haar zuster te hooren. En ja, zij had goed gehoord.
„Kom, ben je daar ? Geef mij nu maar de mand! Je zult wel nat zijn, en moe!"
„Nu, wat zou dat ? " zei Femma norsch, en scheen geheel onverschillig te zgn voor de vriendelqkheid van haar zuster, wat voor deze geen nieuws was.
De lucht werd nu helderder, want er pinkelden enkele sterren doorheen, en 't glinsteren over den grond bewees, dat het reeds vroor.
Ombra had de mand al overgenomen. „Heb je nog wat verkocht vandaag, Femma? "
„Wel ja, dat gaat nog al. Maar je hebt er geen plezier van; 't helpt alles niets, 't Gaat hoe langer hoe dieper den grond in." Ze zuchtte hoorbaar.
„Maar Femma, ik begrijp niet, dat jij zoo aan de herberg hangt. Als we in een klein huisje woonden, konden we toch een veel beter leven hebben. Dan ging ik dienen, en 'k kon dan ook een beetje inbrengen, jg en moeder in ^e negotie blijven en als vader een lapje grond buurde om er voor eigen gebruik te verbouwen, dan waren er die nare zorgen niet, en je had het allemaal veel rustiger, "
Femma zuchtte weer en scheen .nauwelijks naar haar zuster te luisteren.
„Jij hebt geen gevoel'.' — zei ze — „al duwden ze jou in een hutje, dan zou je dat goedvinden. Maar jij hebt ook de rijke dagen niet gekend zooals ik. Dat we hier in den Gouden Posthoorn kwamen was al een vernedering, en waar zullen we nu.terecht komen? — En jij dienen? — 'k begrijp niet, hoe 't in je op kan komen."
„En ik begrijp niet, wat opzet jij kunt hebben met je leven van nu. AUeénom maar een beetje te lijken, (ieo naam te hebben, dat je in den Gouden Posthoorn woont, daarvoor zou je je willen aftobben."
„Maar daarvoor heb je dan ook je gezellige avonden en prettige Zondagen!" Nu moest Ombra even'luid lachen.
„Gezellige avonden en prettige Zondagen ! Ik zat liever alleen in een hutje, dan in zulk een gezelligheid en pret."
Die twee akkordeerden meestal niet; nu vooral niet, en daarom zwegen beiden. Doch Ombra had opnieuw begrepen, dat het er slecht voorstond met de zaak, en ze wou er graag meer van weten.
„Femma I maar hoe is 't nu dan toch? Moeten we de herberg uit? "
„Ja zeker 1" „En al spoedig? "
„Weet je er niks van? — Heeft vader of moeder je nog niks gezegd? — Je mag het misschien niet weten. Maar hou je dan, ook maar of j' er niks van weet, hoor ! — Met Mei moeten w' er uit zijn."
Ombra verkneep haar blijdschap en had een poosje werk om een antwoord en een toon te vinden, die haar blijdschap niet verried. Femma maakte 't overbodig.
„Vader wil 't voor niemand weten, boor! maar hij is al druk op zoek naar wat anders!"
„Naar , wat, Femma? " „Ja, natuurlek naar een herberg, "
Daaraan had Ombra in 't geheel niet gedacht, en 't schokte haar door zielen zinnen als een plotse donderslag. Haar kBieën knikten en de hemel scheen in elkander te storten.
— Naar een andere herberg — 't zou dan nu een echte kroeg worden! ze nu hadden was dan toch nog herberg, een logement en stalling.! zg zou weer gedwongen zgn, er te dienen I Al wat er-haar van uit wolkende verte zoo vriendelijk had gelachen, somberde weg, en nu grijnsde 't daar hoonend en spottend.
Nu was 't haar beurt om te zucbten Doch dan kwam haar tante Betje voor den geest en ze hoorde haar zeggen, de Heere zal in alles hulp en raad schaffen, en 't zuchten werd dan zucbten tot den God van oom Johannes en tante Betje. 't Was geen bidden, geen rechtstreeks zuchten tot den Heere, maar langs een omweg over Bornhem en het lieve gezin van oom Johannes. O, als ze daar maar was, en als ze dan bad, voor haar, dat ze nooit meer in een herberg zou moeten zgn!
{Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's