De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

9 minuten leestijd

XIII.

Terwijl het eerste gedeelte der Handelingen ons bepaalt bij de Jeruzalemsche gemeente, en de brief van Jacobus ons houdt binnen de sfeer der kerken van Palestina, komen wij met Paulua op breeder terrein. Hier zijn de vermaningen en aanwijzingen niet meer gericht, gelijk het in den brief van Jacobus het geval is, tot christenen uit de Joden; Paulus, de apostel der heidenen, schrijft aan gemeenten buiten het Joodsche land, en die of geheel of voor het meerendeel uit bekeerde heidenen bestonden.

Als wij  gaan vragen, wat het gedeelte der H. Schrift, door de brieven van Paulus gevormd, over armoede en rijkdom, over de verhouding van armen en rgken ons te zeggen heeft, willen wg daarbij ook rekening houden met den aard en den toestand der gemeenten, aan welke Paulus schreef. Want wg erkennen, dat zijn woorden, door den H. Geest ingegeven, een deel zijn van het Woord Gods voor de Kerk van alle eeuwen. Doch juist daarom zgn wij van oordeel, dat te beter dit Woord kan verstaan en voor onzen tijd toegepast worden, naarmate wij beter inzicht hebben in do omstandigheden en gesteldheid dergenen, tot wie het 't eerst werd gericht.

En dan is dit wel zeker: de toestanden in de wereld, waarin het woord van Paulus werd gehoord, verschilden in menig opzicht van die, welke in Palestina werden gevonden. Ook in sociaal opzicht. Palestina was arm aan groote steden. De gemeenten daarentegen, door Paulus gesticht, waren meest groote-stads-gemeenten.

De weg van het evangelie, door Paulus op zijne reizen gebracht, was de weg van het handelsverkeer, die, zooals vanzelf sprak, over de groote centra liep.

In de middelpunten van handel en verkeer, met name in Griekenland en Macedonië, en ook in de kuststeden van Klein-Azië, als Efeze en Smyrna, waren de sociale toestanden ontegenzeggelijk gansch anders 'dan in een landbouwend rijk als Palestina, ook anders dan in Jeruzalem.

Meer dan één geleerde heeft daarop dan ook den nadruk gelegd, en gewezen op de waarschgnlgkheid, dat de oudste gemeenten in de heidenwereld haar leden wonnen hoofdzakelijk uit de onderste lagen der maatschappij.

Zelfs hebben zij, die alles zien door den bril hunner historisch-materialistische dogmatiek en hunne socialistische theorieën, het christendom in de Grieksch-Romeinsche wereld trachten te verklaren als een „proletarische beweging".

Ook de taal der Paulinische brieven heeft tot steun moeten strekken voorde stelling, dat de oudste christenen uit de heidenen behoorden tot de onderste lagen der maatschappg.

Doch hierin is een zeer sterke overdrgving»-De taal van Paulus' brieven moge ver afstaan van het gekunstelde proza veler literatoren uit de laatste eeuwen voor en de eerste na het begin onzer jaartelling, zij geeft volstrekt geerrecht tot de gevolgtrekking, dat hij zich richt tot onontwikkelden en „proletariërs". Niet alleen was Paulus zelf een man van beschaving en studie, maar ook de inhoud zijner brieven is van dien aard, dat zg ten eenenmale onbegrijpelijk zouden zijn voor volstrekt onontwikkelden. Zij onderstellen een zekere, soms zelfs niet geringe mate van inzicht en ontwikkeling.

En al erkennen wij gaarne, dat een diep religieus, een echt geestelijk ieven aan menigeen, die-door den H. Geest wedergeboren is, een fijnheid van geestesbeschaving geeft, die ver boven uiterlgke beschaving uitgaat, toch mogen wij met het oog op den vorm en den inhoud van Paulus' brieven gerust beweren, dat ^waarschijnlijk nergens de oudste gerneenten uit louter „proletariërs" zullen hebben bestaan.

Deze indruk wordt geheel door de verdere gegevens bevestigd. Van een „proletarische beweging" blijkt uit Paulus' brieven volstrekt niets.

En zelfs al zou men willen aannemen, dat de eerste christen-gemeenten uit de heidenen gevormd waren uit de onderste lagen der maatschappij, dan zou ieder op grond der, Paulinische brieven toch aanstonds moeten toegeven, dat zij als christenen hun „proletarisch klassenbelang" geheel hebben verloren, en dat niet de „klassenstrgd", maar een gansche reeks van vragen van religieuzen aard in het middelpunt hunner belangstelling stond,

Uit welke kringen der maatschappij waren de christen-gemeenten der eerste eeuw gevormd?

Hoofdzakelijk waren het stads-gemeenten, waarvan wij hooren. Wel zegt de schrijver van den brief, dien de gemeente te Rome omstreeks het jaar 95 aan die van Corinthe zond, dat de apostelen „in dorpen en steden hadden gepredikt en opzieners aangesteld" (1 Clem. 42, 4), en verklaart Plinius, de stadhouder van Bithynië, in zijn schrijven aan Keizer Trajanus, omstreeks 110, van de christelijke religie: „de besmetting van dezen valschen godsdienst is niet slechts over de steden, maar ook over dorpen en vlekken verbreid". Maar van het bestaan van dergelijke dorpsgemeenten merken wij althans uit de brieven van Paulus zeer weinig.

Uit 2 Cor. 1 VS. 1 big kt, dat ook in Achaje, de provincie waarvan Corinthe de hoofdstad was, het evangelie gepredikt was; en Paulus zal wel van iedere stad, waar hg eenigen tijd vertoefde, zijne helpers uitgezonden hebben in de omgeving, om ook daar het kruis van Christus te prediken. Doch bgzonderheden over dergelijke gemeenten zijn ons niet bekend.

De stads-gemeenten zullen dus hebben bestaan uit kooplieden, ambachtslieden, en dergelgken en uit slaven, die overal, met name in havensteden als Efeze en Corinthe, en in een wereldstad als Rorne in grooten getale waren te vinden.

Zooals het gewoonlijk het geval is, zullen ook onder de Christenen diegenen het talrijkst geweest zijn, die tot de lagere standen der maatschappij behoorden. Wat Paulus schrijft van de Corinthische gemeente, zullen wij ook wel op andere mogen toepassen: „Want gij ziet uwe roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze dezer wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken, opdat geen vleesch zou roemen voor Hem, " 1 Cor. vs, 26—29.

Van een „proletarischen toon, " of een „proletarische stemming", dit zg terloops opgemerkt, is hier geen spoor. Paulus wijst de Corinthiërs niet op de geringheid van hun afkomst, om hen op te hitsen tegen de wijzen en edelen naar de wereld, maar om hen te herinneren aan de grootheid der genade, hun betoond; om hen te leeren „wie roemt, roeme in den Heere",

De nederige staat, waarin vele christenen zich bevonden, maakt verklaarbaar, dat Paulus dikwijls van de armoede der gemeenten gewag maakt, o.a, van de uitermate diepe armoede der Macedonische gemeenten, 2 Cor. 8, 2 (welke hen echter niet verhinderd had, overvloedig milddadigheid te betoonen ten behoevp der arme broeders te Jeruzalem).

In menigen brief van Paulus wordt ook van slaven melding gemaakt, die tot de gemeente behooren; om één voorbeeld te noemen: „die uit het huis van Aristobülus en van Narcissus", Rom. 16 vs. 10, 11, behoorden waarschijnlijk tot den sla venstand, gelijk wij ook Tryfena en Tryfosa voor slavinnen mogen houden, Rom. 16 VS. 12.

Doch het zou eenzijdig zijn, alleen hierop den nadruk te leggen, en te wijzen op het' aantrekkelijke, dat juist voor de kleinen en^geringen het evangelie hebben moest.

Niet uitsluitend uit de lagere standen der maatschappg werd de oude Kerk in de heidenwereld opgebouwd.

Reeds het woord, waarin Paulus spreekt •niet vele machtigen, niet vele edelen, bewijst dat er onder de christenen te Corinthe althans enkelen tot de meer aanzienlijken behoorden.

Onder hen moet zeker Crispus gerekend worden, 1 Cor. vs. 14 en Sosthenes, 1 Cor. 1 VS. 1b, vgl. Hand. 18 vs. 8, 17, terwiijl ook-Erastus, de rentmeester van Corinthe, Kom. 16 vs. 23, een man was, die een hooge betrekking bekleedde.

En een man als Gajus, Rom. 16 vs. 23, die in staat was niet slechts aan Paulus, maar ook aan vele andere doortrekkende christenen gastvrijheid te bewijzen, heeft ongetwijfeld over de noodige middelen beschikt.

Onder de eersten, die te Filippi worden gewonnen voor het evangelie der genade wordt Lydia de purperverkoopster genoemd, afkomstig uit Thyatira, Hand. 16, 14; haar handel in de kostbare stof geeft ons zeker wel recht, haar tot de gegoeden te rekenen.

Van de gemeente te Thessalonika lezen wij, dat ook niet weinige van de voornaamste vrouwen of van de vrouwen der aanzienlijken aan Paulus en Silas werden toegevoegd. Hand. 17 vs. 4.

Het feit dat Paulus aan Filemon, den geliefden en mede-arbeider, schrijft over diens weggeloopen, maar door Paulus hem terug gezonden slaaf Onesimus, is voldoende om te bewijzen, dat het niet enkel slaven waren, maar soms ook hunne heeren die der gemeente wei toegevoegd.

Indien dat niet het geval was, wat het dan ook beteekenen, dat Paulus alleen aan de slaven, maar evengoed: de heeren wenken geeft, hoe zij als christen zich hebben te gedragen? Ef, 6 vs. 9, Col. 4 VS. 1. Hij zou het laatste niet doen, indien zg niet tot de gemeente behoorden, wat trouwens uit de aangehaalde plaatsen duidelijk blijkt.

Naast arme gemeenten, als die: van Macedonië, 2 Cor. 8 vs, 2, en die van; Filadelfia, Openb. 3 vs. 8, komen rijke voor, als Laodicea, Openb. 3.vs 14.

Indien wij naast de gegevens, die het N. Test. ons biedt, ook op andere getuigenissen ons wilden beroepen, zour er voorbeelden te over zijn, bij te brengen die het bovengezegde bevestigen.

Wij zouden kunnen wijzen op Alct, Tavia, twee geloovige vrouwen, namen die de bisschop-martelaar Ignatius van Antiochië met onderscheiding vermeldt (omstreeks 110).

Wij zouden kunnen wijzen op een uitdrukking van den Romeinschen christen Hermas, die in het begin der 2e eeuw de christenen te Rome vermaant: „Koopt u, in plaats van akkers, bedrukte zielen! d. w. z, koopt slaven los uit hun banden".

Wij zouden herinneren kunnen aan Flavia Domitilla, de vrouw van Consul Titus Flavins Clemens, die ten tijde van Keizer Domitianus als christin (omstreeks 96)  verbannen werd.

Wij zouden kunnen vragen: indien het christendom eigenlijk een „proletarische beweging" was, slechts onder laagste klassen der maatschappg wat aanhangers winnende, wat dan te denken van een man als Marcion, die omstreeks 130 te Rome komende, een som van 200.000 sestertiën, d.i. ± f 180000 aan de gemeente ten geschenke gaf.

Doch genoeg. Duidelijk is wel,dat alle eenzijdigheid ook hier aan de waarheid te kort doet.

De volheid en bontheid van het leven: spiegelde zich af ook in de sociale positie; der oudste christenen uit de heidenwereld. En wij zuilen wèl doen, dit in het oog te houden bij het beantwoorden van de vraag, hoe Paulus spreekt over armoede en rijkdom.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's