Stichtelijke overdenking.
Laat ons dan vreezen, dat niet te ecniger tijd, de belofte van in Zijne rust in te gaan nagelaten zijnde, iemand van u schijne achtergebleven te zijn. Hebr. 4:1.
Heilzame vrees.
Het stond er met de kinderen Israels zoo goed voor, toen zij aan de grens gekomen waren van het land Kanaan, en.... het is zoo treurig met hen afgeloopen. Zg waren toch het zaad Abrahams en zij hadden toch de belofte van te zullen ingaan in het beloofde land. En zie, nu waren zq uit Egypte uitgevoerd en door de woestijn heen tot aan den rand van Kanaan gekomen. Nog slechts luttele dagreizen, en zg zouden ingaan in het land hun toegezeid. Op de grens echter worden zij afgewezen, „Zoo heb Ik dan gezworen in mijn toorn, zegt de Heere, indien zij in Mijne rust zullen ingaan !" Wat waren 's Heeren bemoeienissen met dit volk liefdevol geweest ! Hij had hen verzorgd en beweldadigdl Alles was er heengericht om hen in het beloofde land te brengen. En toch, de Heere heeft gezworen dat zij in Zijne rust niet zouden ingaan. Wat hiervan de oorzaak was? De geschiedenis meldt het ons. Toen de verspieders terugkwamen, vertelden zij van de macht van het volk dat daar woonde. Zg waren predikers van het ongeloof. „Nooit zal het ons gelukken dat land te veroveren." Zoo was hun taal. En gretig vonden zg gehoor. Het gansche volk murmureerde.. „Waren wg maar in Egypte gestorven !" En zoo verwierpen zij den Heere en Zgne weidadigheden. Toen heeft de Heere gezegd: Dan zullen zij ook niet ingaan, „Wg zien dan", zoo besluit de apostel, „dat zij niet hebben kunnen ingaan wegens hun ongeloof.
Kan er in krachtiger taal aangedrongen worden op de noodzakelijkheid van het geloof? Wij, die onder de verkondiging des Evangelies leven, gelgken in menig opzicht op de kinderen Israels. Ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun. Ook wij hebben het teeken en zegel van het verbond ontvangen. Ook wij zijn bevoorrecht boven duizenden, zooals ook zij dat waren. Ook wij zijn beweldadigd door het Evangelie en zijn met de kennis der Waarheid van jongs af in aanraking gebracht. Wie durft ontkennen dat dit alles er op aangelegd is om ons te redden van het verderf en ons te brengen tot het eeuwig zalig leven ?
Laat ons dan vreezen verloren te zullen gaan vanwege ons ongeloof!
Nu kunnen wij, in overeenstemming met 's Heeren Woord en wat elk kind van God ondervindt, wel gaan spreken over het geloof als een gave der genade, en beschouwingen gaan houden over het woord van den Zaligmaker: „Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader hem trekke"; maar zgn deze beschouwingen dan geen door ons zelf geweven dekmantelen over de grootheid onzer schuld? .., . Met dit al volharden wij dan toch in ons ongeloof, waardoor wg 's Heeren macht miskennen, Zijn heiligheid verachten, maar bovenal Hem in Zijn liefde-bedoelingen onteeren.
Het ongeloof is zulk een groote zonde in Gods oog. Zijn heilige toorn is er over ontstoken. En nog geldt voor allen, die het Evangelie der genade ongehoorzaam zijn, de kracht van Zijn woord: zoo heb Ik dan gezworen in mgn toorn, indien zij in mijne rust zullen ingaan.
Laat ons dan vreezen dat niet iemand te eeniger tijd schijnt achtergebleven te zijn. Achtergebleven.... als zij, die zich in alles leerden veroordeelen, zullen ingaan in het eeuwig Vaderhuis. Achtergebleven als allen die weenden over hun boos en ongeloovig hart, maar in Christus' Kruis verzoening vonden, worden opgenomen tot hunnen Heere. Achtergebleven.... als de strijders van het smalle pad zullen worden afgelost met het woord: Gaat in in de vreugde des Heeren, Ja, vreeselijk zal het dan zijn achter te blijven, door ons ongeloof.
„Iemand van u." Wg zijn vaak met de gedachte vertrouwd geraakt dat er velen zullen verloren gaan. Men kan er soms zoo gemakkelijk over spreken, over hooren spreken. Het meest vreeselijke roert ons niet. Iemand van u! De pijl van dit woord wordt op ieder persoonlijk gericht. Het zal toch niemand tot verlichting zijn, al zullen er duizenden met hem verloren gaan. Ieder zal voor zichzelf rekenschap geven. En ieder vrage zich af: wat zou het voor mij zijn als ik bevonden werd achtergebleven te zijn, onder zoovele zegeningen van een noodigend Evangelie!
Laat ons dan vreezen! De apostel prijst een vreezend leven aan. Worden wij hier niet herinnerd aan het woord der Schrift: welgelukzalig is de mensch die gedariglijk vreest ? Ook Petrus schrgft: Zie dat gig den tijd van uwe vreemdelingschap hier doorbrengt in vreeze. Het geldt dus een vreezen van alle geloovigen, zoowel de pas beginnende, als de meer. gevorderden op den weg des levens.
De apostel sluit zichzelf ook in als hij zegt: laat ons dan vreezen. Niet datzg, die in Christus hun Borg gevonden hebben, zullen blijken in den dag der dagen achtergebleven te zijn. Maar er is nog zooveel waarin de geloovigen hier op aarde achterblijven. Zijn zij altijd een licht op een kandelaar, in hun omgeving? Wordt hun geloof altijd uit de vruchten openbaar? Is er steeds de rechte lust om den Heere te dienen, zooals zg schuldig zijn ? .... Omdat Gods kinderen altijd een „achterblijvende" natuur hebben, is er ook altijd noodig een vreezend leven. Omdat zij een van nature murmureerend en ongeloovig hart hebben, is er reden dat zij elkander vermanen: laat ons dan vreezen dat niet te eeniger tijd iemand van u schijnt achtergebleven te zijn.
Bovendien! In dezen brief aan de Hebreen wordt ook gesproken van hen, die eens verlicht zgn geweest en de hemelsche gaven gesmaakt hebben en des Heiligen Geestes deelachtig zijn geworden en gesmaakt hebben het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw en .... die afvallig worden. Is dit geen woord dat menigeen met zorg vervullen moet? De vgf dwaze maagden uit de gelijkenis gingen toch ook den bruidegom tegemoet. Lots vrouw ontvluchtte ook Sodom, maar kwam niet te Zoar aan.
Laat ons dan vreezen! Ja, dat mogen wij elkander steeds wel toeroepen. Er is zeer veel reden dat de stille bede opga: is er in mg een booze weg, leid mij dan op den eeuwigen weg. Ons hoofdstuk eindigt met de woorden: laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade. Voeg begin en etnd bij elkander
Laat ons vreezen; laat ons bidden. Opdat wij met al ons vreezen vluchten tot den Heere.
Spreek dan al uw zielezorgen maar uit bg den troon der genade, voor Hem, Die al uw zorgen kent, nog vóórdat ge ze hebt uitgesproken. Immers is door Jezus Christus, o bevende ziel, de troon van 's Heeren heiligheid ook geworden een troon van genade voor den snoodsten zondaar. Eén ieder bedenke dat de Heere Zich een volk formeert dat steeds kleiner van zichzelf denkt, om steeds meer op genade te hopen, en ook steeds meer door genade verrijkt te worden.
Dan zal het ook tot bemoediging zijn dat de Heere ons de belofte van in Zijne rust in te gaan, heeft nagelaten.
De Heere heeft Zijn Gemeente een heerlijke nalatenschap gegeven. Het Evangelie met heel den inhoud Zijner rijke toezeggingen.
Zeker, de Heere heeft dat Evangelie n het midden van deze wereld nagelaten. Het moge veracht worden en vertreden. Hij neemt het niet terug. En Hg roept daardoor tot op dezen dag allen tot bekeering, om te zoeken Zijne rust, om te kennen Zijnen vrede.
Maar de troost Zgner belofte wordt alleen gekend door hen die gedurig vreezen. De belofte van in Zijne rust in te gaan. Er zijn uitleggers die hier alleen denken aan de rust der heerlijkheid. Dat behoeft niet. Wij hebben hier te doen met de tegenstelling tusschen de rust in het land Kanaan en de geestelijke rust in den Heere. Hier is sprake van de rust des geloofs. De rust waarin wg door den Heere Jezus geleid worden.
Wie is in staat haar naar waarheid te teekenen? Het wil zeggen de wetenschap te hebben dat het tusschen God en mijne ziel volkomen in orde is, dat mijn van nature ongeloovig en goddeloos hart mij nooit van Zijne liefde scheiden zal.... De rust in den Heere. Het is te rusten als in de armen des Vaders, en zich gpdragen te weten door den Almachtige, zoodat dood noch leven, tegenwoordige noch toekomende dingen mij zullen scheiden van de liefde Gods, die daar is in Christus Jezus, mijnen Heere. Te rusten in Hem, Die met heilige zorg gezorgd heeft voor de Zijnen. Te rusten in Hem, in Wien God Zelf rust, in Christus Jezus, door Wien al Gods deugden zgn verheerlijkt. ^,
Welnu, de Heere heeft ons tot op dezen dag de belofte van in Zijne rust in te gaan, nagelaten. Nog heden zegt Hij (gelooft Zgn troostrijk woord!): ), Ik zal allen die Mg zoeken in hun vreezend leven in Mijne rust doen ingaan, "
Laat ons vreezen! Laat ons bidden! Laat ons gelooven!
De Heere sehenke ons het geloof als van een Jozua en Kaleb. Dan zullen wij niet bevonden worden achtergebleven te zgn. Niet achtergebleven, om van God en Zgn genade te spreken, om als kinderen des lichts te wandelen in dit leven, om in deze rumoerige en zondige wereld te strijden voor onzen Koning.
Maar wij zullen dan ook niet achterblijven, als de schare der verlosten ingaat in het Jeruzalem dat boven is. Christus is toch Zijn Gemeente voorgegaan in de heerlgkheid des hemels. Hij zal hen allen tot zich nemen. Allen! En niemand zal achterblijven van hen die in Zijn Naam gelooven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's