Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN.
13)
HOOFDSTUK VI.
't Was lente.
Ombra stapte met een groote mand langs den slootwal, waar de elzen tot in den top volgehangen waren met lange bruine katjes en hier en daar een vlierstruik zijn botten tot malsch groene bladerbundeltjes ontvouwde, 't Gras hier onder had reeds zijn echte voorjaarstiht, de kleur van 't versche nieuwe leven, 't Leek zoo rijk, zoo weelderig, die overvloed van bloesemtressen aan de welige elzen, dikke kwasten en franjes van enkel bloem, alle boomen vol. Even stootte ze aan een tak en terstond wolkte 't gele stuifmeel over haar neer.
Ha, hoe aardig!
Voor zich uit zag ze de akkers geploegd of reeds bedekt met het vette blauw-groen van het winterkoreu, nog wel niet golvend, maar toch bij vlekken glansrimpelend als de oppervlakte van 't meer, wanneer daar een koeltje over spelevaart.
Rechts van haar lagen de eigen akkertjes en bedden nog evenzoo als ze er voor vier, vijf maanden in slaap waren gevallen: geen greep had er iets geslecht, geen spade ergens den bodem geroerd. De boerekool stond uit te schieten en de afgesneden stronken rotten. De stokken van sla-en snijboonen waren zelfs niet van de doode slingerranken ontdaan en stonden verwaaid en scheef als verkleumde ontzinde dronkaards of lagen tegen den grond als huilende gestruikelde kinderen, die wachten tot iemand ze overeind tilt. Vlekken vertrapte grijze grond wisselden af met bij elkander getroepte pollen onkruid, welig groenend of fleurig bloeiend.
Neen, dat bekoorde niet.
Maar links over de sloot, daar was 't een lust voor de oogen. De fleurige groenierderij gaf den indruk van een vroölijk kind aan den morgen van een feestdag, hups uit het bedje gestapt. gewasschen en gekamd en reeds gekleed in 't reine ondergewaad, wachtend nog alleen op den tooi.
Alles lag in nette, effen bedden, gescheiden door rechte, kante paadjes. Doppers en peultjes stonden reeds in ryen, hand in band als geoefende lentekindertjes. De saladeplantjes keken als verkleumde juffertjes, en de dikke bolsterspruiten der groote boon en schudden als boerejongens het hoofd om de teergevoeligheid der saladepoppetjes. Radijs en spinazie schenen de kortstondigheid van 't leven te kennen en leefden ernstig hun jonge snelle leven.
't Was al lente daar op 't groeniersland, vrijheid en bliijheid en geluk. Ombra zag dat, en 't bekoorde haar. Maar haar eigen land, hier, was de herberg, en ze gruwde er van.
.Ombra I" 't Was Wijnands stem. „Ombra!" „Wijnand!"
Zij bleef staan, en hiy kwam naar haar toe: de sloot vol water was tusschen hen,
„Jullie gaat van bier, hé? " „Hoe weet je dat? "
„Wel, dat is immers te zien aan je land. 't Schijnt te wachten op een nieuwen eigenaar of pachter I"
. Plots zag ze nu, dat het land alles verried. En anderen wisten het toch ook, dat ze met Mei hier vandaan gingen.
Waarom zou ze 't dan maar niet vrijuit zeggen ?
„Waar gaan jullie wonen, Ombra? " „Vast weten we 't nog niet, Wijnand, en daarom zeg ik het liever niet."
, „Ga je weer in een herberg? " „Ik niet, en ik hoop van nooit weer."
Dat antwoord scheen hem te bevallen, want er kwam een glimlach over zijn gelaat.
„Ga je dan dienen of zoo? " Als antwoord gaf ze niets dan een bijna onmerkbaren hoofdknik.
„Waar, Ombra? " „Jij vraagt dadelijk naar 't naadje van de kous!"
Hy kreeg een blos van verlegenheid, omdat hij betrapt was op teveel vrijpostigheid.
„Ik bedoelde maar, Ombra, of je hier op 't dorp blgft of ver weg gaat, "
Zijn verlegenheid beviel haar, hoewel 't haar speet, dat zij die had veroorzaakt. Zij wist het op slag helder en klaar dat hij nooit bg haar in de herberg was geweest, en zoovaak ze hier met elkaar enkele woorden hadden gewisseld, nooit een ruw of laag woord had gebruikt. Zij meende, dat hij misschien goed zou passen in 't gezin van oom Johannes: „Ik denk — zei ze — dat ik naar Bornhem ga; een kwartier buiten 't dorp „Toch niet op „De Polen"? " Ze lachte.
„Hoe kom je daar bij? " „Wel dat is 't buiten, waar we uit zaden een jong boomgewas leveren, en ik moet er dezer dagen weer naar toe, omdat de baas niet zelf gaat."
Zq kwam terstond dichter naar de sloot, vol belangstelling, omdat hij blïjkbaar op „De Polen" bekend was, en zij hoogst waarschgnlijk daar zou komen als tweede dienstbode.
„Woont daar niet mqnheer Brant' „Ja!" „En zijn dat goeie menschen? " „Goeie menschen ? Hoe bedoel je dat?
(Wordt vervolg)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 februari 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's