Armen en rijken in het Nieuwe Testament.
XIV.
Wanneer wij de vraag stellen, wat uit de Paulinische brieven valt te leeren aangaande armoede en rgkdom, dan treft ons aanstonds een opmerkelijk verschgnsel. En wel dit: hier is geen spoor van een opzettelijk gelukkig-prgzen van de armen, of van een , wee" over de rgken. Een opmerkelgk verschil dus zoowel met de prediking des Heeren als met het getuigenis van Jacobus.
Waaraan zou dit zgn toe te schrijven ? Zouden dan toch zij gelijk hebben, die meenen te mogen spreken van de »proletarische instincten" van Jezus, en ook in Jacohus' woord den , proletarischen" toon meenen te beluisteren?
En zouden wg den, naar het schgnt, zoo geheel anderen toon, dien Paulua doet hooren, mogen verklaren jait zgn afkomst en geheel andere sociale positie? Oppervlakkig beschouwd, is er ineen dergelgke redeneering eenige schgn van gelgk.
Maar bij eenig nauwkeuriger toezien houdt zulk een verklaring toch volstrekt geen steek.
Paulus' afkomst moge van dien aard zijn geweest, dat hg door zgn ouders in staat werd gesteld aan de voeten van Gamaliel te Jeruzalem te worden onderwezen in de wetgeleerdheid der Parizeërs, zgn leven als zendeling onder de heidenen van Klein-Azië, Macedonië en Griekenland was toch wel aan alle weelde en gemak gespeend.
Te Corinthe oefende hg zgn handwerk uit van tentenmaker, om in geen enkel opzicht den christenen daar tot last te zgn; en in zgn verkeer zocht hij niet de grooten en aanzienlgken; het evangelie, dat hg bracht, trok vooral, zij het ook niet uitsluitend, de geringen naar de wereld.
Daarbg komt, en dit is van niet geringe beteekenis, nog iets anders: gelgk wij zullen zien, was Paulus' waardeering van het aardsche goed geen andere dan die des Heeren Jezus.
Zoodat wij voor het zooeven genoemd verschil een andere verklaring moeten zoeken.
En wel niet in het milieu waaruit Paulus voortkwam, maar in de omgeving, waarin het zgne roeping was, het woord des Kruises uit te roepen.
Het is ondenkbaar, dat op de markt te Corinthe, op den Areopagus van Athene of in Tyrannus' gehoorzaal te Efeze een woord zou weerklonken hebben als dat, waarmede de bergrede aanvangt.
Want daar zou het een' klank en eene beteekenis verkrijgen, geheel anders dan het had in den kring, die om den Christus geschaard was op den berg der zaligsprekingen.
Dè.ar zou de aansluiting van het O. Testament hebben ontbroken, dèar zou een zaligprijzen van de armen eerst recht een proletarischen klank hebben gehad.
Wie zich herinnert, wat wij schreven over de beteekenis dezer zaligspreking van de armen, de armen van geest, begrijpt zonder twijfel, dat onder de kleinen in Israël dit woord kon gesproken, maar dat het door de armen en verdrukten in de hddenwereld zeer zeker verkeerd zou verstaan zijn.
De sfeer van hun denken en de geestelijke atmosfeer waarin zq verkeerden, was te zeer verschillend van hetgeen Jezus by Zijne toehoorders onderstellen mocht.
Hierin ligt gedeeltelijk de verklaring van het onderscheid, waarop wij in den aanvang van dit artikel wezen.
Gedeeltelijk. Niet ten volle. Wij moeten n.l. ook het volgende mede in rekening brengen : de plaats en taak, die de Christus, die het Woord, dat Vleeseh werd, onder Zyn volk had te volbrengen, was een andere dan die Zijner apostelen, die na Zijne verheerlqking „Zijn getuigen" zouden zyn.
Hqzelf had o.m. de grondwet, den regel voor het Koninkrijk Gods op aarde te verkondigen.
Voor Zqne apostelen stond veel meer de roeping in het middelpunt, te spreken van de beteekenis, die de persoon en het werk van den Zoon had voor het gaasche verlossingswerk.
Het Woord Gods bevat nevens het getuigenis aangaande leven en prediking van den Christus in het vleeseh, zooals wij dat in de evangeliën vinden, ook het getuigenis aangaande de beteekenis van Zijn persoon, waarvan de brieven' spreken.
Zoo is het te verklaren, op al deze gronden, dat Paulus een gansch anderen toon doet hooren.
Overeenkomst is er met de prediking des Heeren natuurlijk wel.
Onder meer in formeel opzicht hierin: de of een „sociale kwestie" in den huldigen zin van het woord kent ook hij niet. De „sociale vraag" zonder meer wordt door hem niet gesteld.
Over de „broodvraag" handelt hij wel, als hiertoe aanleiding is, doch dan doet hij ook 'deze in een zeer bepaald licht verschijnen.
Bij Paulus is alles beheerscht door de erkentenis van Gods souvereiniteit, en staat dus in het middelpunt de vraag naar de rechte verhouding van den zondaar tot dien God.
En zeer zeker volgt er uit de wijze, waarop deze apostel die vraag beantwoordt, ook allerlei voor verschillende punten, die het sociale leven raken.
Doch dit is gansch iets anders, dan dat hij sociale problemen zou stellen en beantwoorden.
Op enkele religieuze beginselen willen wij wijzen, die ook voorde waardeering van iemands sociale positie van vérstrekkende beteekenis zijn.
Zou het weinig, of zou het veel beteekenen, wanneer Paulus alle mensehen op éene lyn stelt, op de lijn der schuldigen voor God, en verklaart van allen zonder onderscheid: „allen'hebben gezondigd en derven de heerlijheid Gods" ? En wanneer hij wederom op grond van de in Christus aangebrachte verzoening, van^alle geloovigen verklaart: „gerechtvaardigd om niet, uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is."
Hier ziet en toont hij een gelijkheid, waaraan geen hooge of nederige sociale positie iets verandert, de gelijkheid van begenadigden: dezen zijn allen kinderen Gods door het geloof in Jezus Christus.
Deze gelijkheid in religieus opzicht heft allerlei verschil. op: verschil in sociale positie valt) hierbij in het niet; immers Paulus laat hierop volgen, niet alleen: „hierin is noch Jood noch Griek; daarin is geen man en vrouw"; maar ook: „hierin is noch dienstbare noch vrije, " Gal. 3 vs. 26—28.
Ook aan de gemeente van Colosse schrijft hg hetzelfde over den nieuwen menseh, die vernieuwd wordt naar het evenbeeld desgeuen die , hem geschapen heeft: „daarin is niet dienstbare en vrije, maar Christus is alles en in allen."
Indien de waarde en beteekenis van een' menseh niet afhangt van, noch bepaald wordt door de positie, die hij in het maatschappelyk leven inneemt, maar door de verhouding, waarin hq staat tot God, indien de hoogste waardigheid is het kindschap Gods, dan is, gelijk ieder verstaat, hiermede een hooge, geestelqke vrijheid verworven, onaantastbaar door de dingen van het aardsche leven.
Deze gelijkheid, die berust in de aanneming tot kinderen, brengt nog iets anders met zich; en wel dit: de eenheid ligt in Christus, in Wien het recht Gods in den weg der liefde is geopenbaard.
Het reguleerend beginsel voor het leven van hen, die in" Cliristus êen zijn, moet dan ook wezen: gerechtigheid en liefde.
Het behoeft geen betoog, dat ook hier voor de verhouding van armenen rqken in de gemeente Gods een beginsel ligt van wijde draagkracht.
De zelfzucht moet er door getemperd, de samenbinding bevorderd. Zoo scherp hij kan geeselt Paulus dan ook het gedrag der rijken in Corinthe, die tegen deze wet der liefde zondigen, en bij de liefde-maaltijden, welke met de viering van het H. Avondmaal gepaard gaan, zouder op de komst der arme broeders te wachten, in schandelijke zelfzucht aan de medegebrachte spijzen zich te goed doen, 1 Cor. 11 vs. 20—22.
Hier geen bittere woorden, om de „bezitloozen" op te zweepen tegen de „bezitters"; maar een bestraffing van hen, die zondigen tegen de liefde.
Zoo wekt hij ook bij een andere gelegenheid de Oorintbiërs op, mededeelzaamheid jegens de arme gemeenten in Judea te betoonen, door hen te wijzen op de ontferming, door Christus betoond: „want gij weet de genade onzes Heeren Jezus Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hg rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rqk worden*" De overvloed der Oorinthiërs moet dienen, om het tekort der broeders in Judea aan te vullen, opdat er evenwicht kome, " 2 Cor. 8 vs. 9, 14.
Genoeg, om te doen zien, dat ook Paulus de sociale kwestie zonder meer niet stelt, geen sociale problemen tracht op te lossen; al is daarmede niet gezegd, dat niet ook bij hem belangrijke beginselen liggen, die ook voor het sociale leven hun beteekenis hebben.
Omdat de centrale vraag voor hem is, die naar de verhouding tegenover God, wordt al het andere hierdoor beheerscht.
Geestelijke vrijheid wordt alleen in het geloof in Christus gevonden. En tegen al wat deze vrijheid bedreigt en belaagt, heft hg de stem op. Eén der dreigende gevaren is de geldzucht en hebzucht. Dè, artegen kunnen wij Paulus dan ook hooren waarschuwen.
Eene' waarschuwing, die, in anderen vorm, geheel in dezelfde lijn ligt als de prediking des Heeren: „Beveel den rijken in deze tegenwoordige wereld, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hunne hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, 'maar op den levenden God, die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten; dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededeeiende zijn, en gemeenzaam; leggende zichzelven weg tot eenen schat een goed fondament tegen het toekomende, opdat zij het eeuwige leven verkriggen mogen, " 1 Tim. 6 VS. 17—19.
Paulus heeft het verstaan, en uitgesproken „de gedaante dezer wereld gaat voorbij." Zijn eigen leven, en dat der gemeente Gods, heeft hem gestaan in het licht van den „dag des Heeren, " van de toekomst van Christus.
In dat licht werd ook de vraag van armoede en rijkdom getrokken: door hot vergezicht dat zich opende voor zgn' geloofsoog, kwamen de dingen van dit leven in hun ware verhouding en werden in hun betrekkelijke beteekenis gezien.
Vandaar dat hij zegt, dat zij, die koopen, zouden zijn als niet bezittende, en die deze wereld gebruiken, als niet misbruikende, " 1 Cor. 7 vs. 30, 31.
Ook bij Paulus dus nimmer de vraag van armoede en rijkdom op zichzelf, maar in haar beteekenis voor het Koninkrijk Gods, en getrokken onder het licht van Zijn heilig recht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's