De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

OMBRA.

5 minuten leestijd

. VAN STERVEN EN LEVEN.

VAN STERVEN EN LEVEN. Een waar verhaal door JAN VELTMAN

14)

Kijk, dat was precies dezelfde vraag, die tante Betje haar had gedaan, En nu kon ze, of durfde ze niet zeggen, hoe ze 't meende.

„Als ze niet op tqd betaalden — zei Wijnand — zou de baas.er niet leveren. Maar 't zqn ook heel rijke menschen."'

Ja, Ombra vond, dat dat we iets goeds was, maar ze bedoelde toch veel meer. „Ken je den wagenmaker wel van Bornhem, Wijnand? "

„Johannes Hofkamp; wij hebben verleden jaar een kar van 'm gehad je weet wel, die groote. De baas is nog een oude kennis van hem".

„Is jou baas ook zooals oom Johannes ? " „O ja, 't is waar! — Dat is een oom van je, een broer van je vader zeker, want de van is gelijk. Maar jou. vader is zoo heel anders dan de wagenmaker."

„Hoe weet je dat, Wijnand? "

„Wel, ik weet van mijn baas, dat ze vroeger als jonge kerels 's Zondags samen naar andere dorpen reisden, om goeie dominees te hooren!"

Kijk, weer zoo iets van tante Betje: „goeie dominees." Die Wijnand zou misschien... Ze glimlachte.

„Wijnand, ben jij ook zooals je baas? En zooals oom Johannes? "

Hij zag, hij voelde, dat ze 't in vollen ernst vroeg, en nu durfde hij maar niet een boud „ja!" te zeggen.

„Ik houd veel van den baas — zei hij — en 'k hoop, dat ik zoo ben, zoo word."

't Was Ombra in ééns, of ze duidelijk zug, dat hij zoo was als ze zich oom Johannes in zijn jeugd dacht, en nu had ze er spgt van, dat ze hem zoo vaak had geschuwd en behandeld, alsof hij er een was, gelijk z' er zoovelen kende.

Nu geloofde ze, goed ingelicht tè kunnen worden ook, omdat hij haar wel zou begrgpen.

„Wijnand I —• zouden ze bij mijnheer Brants ook zoo zijn als je baas? "

Weer dat ernstig vragen; dat trof hem. De schouders ophalend, zei hq:

„Je hebt dat niet veel onder de rijken, zóól" En zij liet er dadelgk op volgen:

„Nou, onder de armen ook niet!" Hij bukte zich om plantjes aan te aarden, omdat hij daar niet ledig wilde zijn, en zij greep , daft. Bsar haar mand, waarna hij zich weer oprichtte.

„Ombra! — 'k wil het wel eens aan den baas vragen; misschien weet die het goed, want hij kent veel menschen, en vooral van dat, wat jg bedoelt."

„Graag, Wijnand! maar je moet er mij buiten laten, hoor! — En 'k kom hier dan wel eens langs. — 'k Ga wat brandhout halen!" Zij wees naar de verwaaide sngboonstaken.

„'t^ Is zonde!" zei hij en schudde 't hoofd.

„Vader zegt, dat we ze moeten verbranden: hij wil niets van waarde hier laten!"

Hg schudde op nieuw het hoofd, en zij ging dan naar de staken, brak ze voor de knie en vulde de mand. Hij ook begon nu druk te werken, doch telkens keken ze nu en dan even op om elkander te zien. Toen de groote mand eindelgk vol was, zag hij, dat ze die maar moeilijk kon opbeuren, en terstond nam hg een flinken aanloop, sprong over de wgde sloot en liep naar haar toe.

„Dat is geen eenmans werk —zei hij, een weinig hggend — kom, elk een oor!"

Samen droegen ze de mand tot aan de achterdeur van haar huis, en zonder haar tijd te geven, om hem te bedanken, liep hij in snellen draf weg, sprong weer over de sloot en begon ijverig te werken. Zijn oog glansde hoopvol, omdat, wat hg tot nu toe zoo eindeloos ver had geweten, plots binnen 't bereik van zijn blik was gekomen; niet omdat zij.nu vriendelijk was, maar omdat zg zooveel belang stelde in wat zij „goed" noemde.

HOOFDSTUK VII.

Ieder Bornhemmer kende 't Westeind, een oude breede zandweg, die eindigde in een smal voetpad, dat in 't wgde half woeste veld doodliep. Dicht bij 't dorp kwamen vele korte paadjes op den breeden weg uit, en aan weergzijden van die paadjes stonden, zeer ongeregeld, eenige kleine huisjes, door daglooners bewoond, 't Waren alle kleine buurtjes, die elk hun naam hadden, als Vikkegauw, 't Kattevel, de Leege Lamp, de Vijfi en andere, waarvan sommige een ruchten klank hadden. Vóór aan 't ee buurtje, van het dorp af, stond herbergje, echt een kroeg, met den slei in den volksmond bekenden naam Slurf."

Daar stapte, halverwege de Meimas Ombra binnen, gekleed op haar  daagsch. Ze had den laatsten van  reeds op „de Polen" moeten zgn, en de verhuizjng uit „de Gouden Posthoi niet mee kunnen maken. Sedert  vertrek uit Termole had ze dan haar ouders nog niet gezien.

Even sloeg ze haar oogen naar de voorgevel op, als zocht ze er een • kenningsteeken, en stapte dan binnen.

Haar vader zat op een ouderwetse knopstoel zijn pijp te rooken.

„Dag vader! hoe gaat het? " „Kom, ben je daar? — Dag Ombra. Kan je er nog al tegen? "

(Wordt vervolg)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 7 maart 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's