Staat en Maatschappij.
Een belangrijk verslag.
Op het laatst der vorige week verscheen het Voorloopig Verslag over de voorstellen van Wet tot regeling van de salarissen der onderwijzers. Blijkens dit verslag schijnt het wetsontwerp bg de Kamer over het algemeen een gunstigen indruk te hebben gemaakt en goed te zijn ontvangen. In het stuk zelf worden beschouwingen gehouden en opmerkingen gemaakt, die bg de mondelinge behandeling der voorstellen zeker van invloed zullen zgn. Zg geven een overzicht van wat de Kamer over de nieuwe salarisregeliug denkt. De tegenstanders der wetsvoordracht, die klaarblgkelgk aan de linkerzijde der Kamer zitten, zijn in het Rapport in drie groepen onder te brengen.
In de eerste plaats een zeer klein getal leden, die verklaren niet bereid te zijn mede te werken, om uit's.Rijks kas gelden beschikbaar te stellen ten behoeve van het bijzonder onderwgs, welks geest, naar zg zeggen, verderfelijk is. De stem, die hier spreekt, komt ongetwijfeld uit den revolutionairen hoek.
Voorts een eveneens kleine groep van leden, in wier geluid de bekende palstaander voor de openbare school gehoord wordt. Deze leden vreezen, dat zij, indien zg hun stem aan het ontwerp geven, bedrogen zullen uitkomen, zoo spoedig de volledige uitwerking van artikel 192 der Grondwet aan de orde komt. Zij verklaarden naar luid van het verslag bij de rechterzgde nóóit eenige liefde bespeurd te hebben voor de deugdelijkheid van het onderwgs, noch ook de overtuiging van de noodzakelijkheid, dat overal gelegenheid zg openbaar lager onderwijs te volgen. Zij betreurden, de gedragslijn der regeering en de rechterzijde het hun zoo moeilijk maakt; want zg erkenden, dat een verbetering der onder wij aerssalarissen zeer noodig; Maiar voor hen was van meer belang dat er zekerheid bestond, dat overal de openbare lagere school gehandhaafd bleef dan dat de onderwijzers éen of twee jaar eerder verbetering van salaris ontvingen
Na deze ontboezeming van de mannen die nog van de voortreffelgkheid ds linkerzijde boven de rechterzgde schoolschen zin overtuigd zijn en die alleen aan de openbare school recht van bestaan gunnen, komt dan de derde groep; van leden, verrewég de meerderheid in de linker Kamergroepen, die afzonderlijk indiening van het wetsontwerp betreuren. Zij hadden de voorgestelde regeling liever zonder niet dat zien aanhangig gemaakt tegelgkertgd de andere; vraagstukken, die bg eene algemeen herziening der Lager-onderwijswet een oplossing eischen aan het oordeel de: Kamer waren onderworpen. Zoodanige wgze van behandeling zoude h.i. meer in overeenstemming zgn met het standpunt der Bevredigingscommissie en voorts elk wantrouwen ter linkerzijde hebben weggenomen Bovendien waren deze leden van meening, dat men bg een goede methode van wetgeving de salariëering niet wel kan scheiden van de algemeene regeling, omdat het bedrag der salarisschaal beheerscht wordt door de wijze, waarop deze regeling plaats vindt. Zij spreken daarom den wensch uit dat de nu voorgestelde regeling een tijdelijk karakter zou verkrggen, door aanvulling met eene bepaling, welke automatisch aan haar bestaan op een bepaalden datum een einde maakt.
Deze laatste wensch is doorzichtig genoeg. Tegen de regeling der salarisseis van de onderwgzers zelf bestaat geen bezwaar, maar men wil den sleutel in handen houden om, als zoo aanstonds de generale herziening van de Onderwgswet niet tot in de kleinste onderdeelen aan de verwachtingen der linkerzgde voldoet en allicht vindt men wel iets dat als punt van tegenstand kan dienen, de schatkist voor eene gelijke salarisregeling van openbare en bijzondere onderwijzers op slot te doen.
Tegenover al deze beschouwingen zet de rechterzijde haar standpunt uiteen.
Stuk na stuk worden de opmerkinge; onder handen genomen en de bezwaren weerlegd, die ter bestrijding van de voorstellen moesten dienst doen.
Terecht wordt in het verslag verzet aangeteekend tegen de opvatting, dat de nood der bijzondere onderwijzers moest worden gehandhaafd, omdat hg een voortreffelijk machtsmiddel is ten gebruike van hen, die bij de volledige uitwerking van artikel 192 aan het bgzonder onderwijs zeer zware voorwaarden willen opleggen. Immers zijn deze voorwaarden redelijk dan zal ook de rechterzgde zich daartegen niet verzetten; zgn zij daarentegen onredelijk, dan is het op zichzelf zeer te veroordeelen, dat zg worden gesteld: maar dan is het nog veel erger, dat men zich niet ontziet den nood der onderwijzers te gebruiken als middel tot af dwinging.
En niet minder kras laat het verslag zich uit over het verwijt, als zou bij de rechterzijde nooit eenige liefde te bespeuren zijn voor de deugdelgkheid van het onderwijs. Dit verwijt wordt teruggewezen met de herinnering aan al de offers, die in den loop der jaren door de voorstanders der bijzondere school gebracht werden voor de oprichting van scholen en voor de verbetering van het onderwijs in die scholen; daarbg wordt er dat verder op gewezen, dat het niet onmogelijk is te achten, dat bij een nauwkeurig onderzoek aan het licht zou komen, dat zij, die staan op het standpunt der rechterzijde, zelfs meer liefde voor het onderwgs hebben betoond, dan de aan hangers der linkerzgde, althans indien men mag aannemen, dat deze liefde beter met klinkende munt dan met klinkende woorden kan worden geopenbaard.
De algemeene beschouwingen in het voorloopig verslag over de salarisvooistellen maken een uitnemenden indruk. Op verschillende onderdeelen van de regeling hopen we aan de hand van het verslag nader terug te komen.
Sociale Hervormingen.
In „Cijfers en Feiten" Dec. 1918 schrijft de heer Smeenk:
„Hervormingen moeten tot stand woi'den gebracht met een snelheid, die past bij den polsslag van dezen tijd.
Dit koninklqke woord vindt weerklank™ ook bg ons. Reeds vele jaren voeren w| het pleit voor diep-ingrgpende maatschappelijke hervormingen.
Zullen zij nu spoedig komen?
Ongetwijfeld wordt de totstandkomingü zeer vergemakkelijkt door hetgeen thanste rondom ons geschiedt. Ook elders worden ingrijpende maatregelen voorgesteld De toestanden van vóór Augustus 1914 keeren niet terug.
De bereidwilligheid om hervormingen tot stand te brengen, is thans bg zeer velen aanwezig. Het komt er nu op aan dat de Kamer zich zal weten te beperken. Minder praten en meer werken, zij de leus.
Dringend noodzakelijk is de regeling der onderwqzerssalarissen, de loyale uitvoering van art. 192 der Grondwet, om zoo den weg te banen voor de verlenging van den leertijd en andere onderwijshervormingen, die niet het minst in het belang zijn van onze arbeidersjeugd.
De wetten-Talma moeten, belangrijk verbeterd, worden ingevoerd. Er moet gerekend worden met de sedert 1913 gewijzigde .omstandigheden. De ouderdomsrente ""moet verhoogd, de leeftijd verlaagd, de premie op het bedryf worlen gelegd. Een weduwenrente moet opgenomen. In de ziektewet mag de genees-en heelkundige behandeling niet ontbreken.
Urgent is ook de uitbreiding der ongevallenverzekering tot allerlei belrijven.
De wettelyke regeling van den arbeidsduur mag niet lang meer op zich laten wachten. In binnen-en buitenland dringt het besef door, dat een achturen-dag, thans voor de industrie, het arbeidersleven verheft en de productie niet schaadt. Den beteekenis is ook vooral de regeling van de collectieve arbeidsovereenkomst. Nog meerdere hervormingen zijn eisch. Maar de Kamer zal zich ook moeten bezighouden met de financiëele vragen en met allerlei maatregelen, die in verband staan met de crisis. Ook het vrouwenkiesrecht staat op de agenda.
Wij willen daarom geen verwachtingen opwekken, die toch niet verwezenlijkt zullen worden. Wij zullen ons gelukkig prqzen, indien wij aan de totstandkoming van hetgeen wij hier noemden nog in deze parlementaire periode mogen medewerken.
Dit zal reeds veel zelfverloochening van de Rechtsche leden eischen. Zelfverloochening in dien zin, dat zij slechts op sobere wijze aan de debatten deelnemen.
Hereeniging.
Aan de brochure „Eén weg, één doel!" pleidooi voor hereeniging van de antirev. en Chr. Hist, partgen, geschreven door B. C. Sliggers, redacteur van het dagblad De Zeeuw" ontleenen we deze behartigenswaardige woorden van Jhr. Mr. A. F, de Savornin Lohman: „Moge de tgd aanbreken, dat de beide groepen der Nederlandsche antirevolutionairen, beseffende hoe noodig de samenwerking van alle christenen is tot behoud en tot ontwikkeling van ons Christelgk volksleven, zich weer vereenigen tot ééne groep". Waarbij de , heer H. Colijn schrgft: de beide groepen der Nederlandsche anti-revolutionairen behoorden één' te zijn. De verschillen, die hen thans verdeeld houden, zijn niet zóó groot, dat aan hereeniging gewanhoopt mag worden, ook zal de druk der tijden, naar ik voorzie, wel nopen tot meerdere eenheid."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's