Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 15)
„Best vader I — heel goed. 'k Heb het er ook best en de dienst Ijjkt niet zwaar; we zijn er met z'n beiden. — Zijn jullie hier haast klaar? "
„Hier? — Dat zie je!"
Ze keek over den vloer van blauwe steenen, en langs de gewitte wanden, ! kaal en bloot; alleen de oude klok uit het vorige huis herkende ze. O ja, zes oude stoelen met biezen matten ook. Langs vóór een bank zonder leuning. De tapkast was zoo iets als een nis, ook gewit, en met eenige plankjes, waar glaasjes en flesschen stonden.
De herinnering aan de vorige ruime, ; florisante, gelagkamer dwong haar toti zuchten; doch 't weten, dat zij hier vreemdelinge zou blijven hield dat zuchten tegen.
„'t Ia hier niet veel bgzonders" — wilde ze zeggen, doch ze hield het maar in. „Hoe bevalt het u hier, vader? "
„O, best! — En als je moeder hier't huis een beetje op reê heeft, kan zq er ook met de negotiemand op uit, en dan zullen we 't hier wel klaar spelen".
„Is Femma dan al den boer op? "
„O ja; dadelijk den tweeden dag al. Van stilzitten komt niks terecht",
Ombra hoorde in een andere kamer iemand boenen: dat zou moeder wel zijn. Ze ging er heen.
„Dag moeder !"
De vrouw, reeds met krommen rug, stapte van een tafel op een stoel en vandaar op den grond. Ze lachte als altijd, kreunde even van pijn in den rug en zei: „Dag Ombra! — Kom, je ziet er goed uit; 't bevalt je daar zeker wel? "
„Heel best, moeder! —Bent u den zolder aan 't boenen? "
Meteen zette ze haar hoed af, trok haar japon uit, knoopte moeders schort los en sloeg het zichzelf voor 't lijf.
„Laat ik dat eens doen" — zei ze — greep den boender en stapte op den stoel en dan op de tafel. Dan begon ze feovenhands den zwartgeverfden of geteerden zolder te boenen.
„Zoo'n lage zolder is toch ook weer gerief elijk, moeder! Een trap heb je hier niet noodig. En daar zijn zeker twee bedsteden? "
„Ja, die zijn in orde, want we moesten allereerst voor slaping zorgen. Daar heeft Femma aan meegeholpen."
De dochter ried moeder om wat bij vader te gaan zitten; zij zou juist den tqd hebben, om hier heel de kamer schoon te maken. Maar de doodmoede vrouw, blijde, dat ze hier kon rusten en het werk intusschen toch zijn goeden voortgang had, vreesde, dat haar man haar terstond aan anderen arbeid zou zetten en bleef dus wijselgk hier zitten.
„Hoe valt het u hier aan, moeder? "
„Och, goed. Hard werken moet je overal. Maar hier hebben we weinig uitgaaf. En we zullen hier ook - éen beetje kruidenierswinkel doen, en ik ga dan met de waren den boer op."
Ombra kreeg terstond hoop.
„Moeder! de herberg zal hier niks geven; 'k zou enkel maar winkelen. En ik zal mevrouw wel vragen, of u al de kruidenierswaren mag leveren; ze doet dat wel; en daar is heel wat noodig. En tante Betje zal ook wel alles van u willen nemen."
„Daar zou ik niet heen durven! Je weet wel, ze moeten nog zooveel geld van ons hebben, en ze zouden alles op afbetaling nemen, en dat zit er niet aan!"
„Moeder, heb daar geen zorg mee. Tante zal u zeker betalen. En als 't hier geen kroeg was, zou 'k u wel heel wat klanten kunnen bezorgen."
Nu liet de vrouw haar dochter alleen, en deze bleef hier, tot ze het werk af had. Dan wierp ze 't schort weer af, trok de japon aan, zette den hoed op, en ging de andere kamer in. Moeder scheen nu achter bezig te zqn. Ombra zocht haar daar, keek er even rond en groette haar: ze kon nog juist op tijd thuis zijn. Voor Femma liet ze een, groet achter en dan wenschte ze ook haar vader een goeden dag toe.
„Over een week hoop ik even terug te komen!"
„Kom je dan Zondag niet? " „Nee, vader!" „Je hebt toch vrij ? " „Ja, om naar de kerk te gaan!" „Dat lieg je! Zóó kerksch zqn Brants niet."
Ombra voelde, dat ze in een veertien dagen tijds reeds aan die ruwheid van haar vader ontwende, want het schade haar nu, en dat was vroeger zoo niet
„Vader! ik heb met mevrouw afgesproken, dat ik ééns. Zondags, naar kerk zal kunnen gaan, en daaraan houd ik mij." „Jij kunt dus Zondags niet bij je vak komen ? " „Als 't niet noodig is, niet, vader 't Is meer dan een half uur loopens van hier. „Als 't je fgne oom maar was!" Ze ging, verstoord, heen.
Ze had er zoo op gehoopt, 's Zondags uit de namiddagkerk met tante mee te gaan en er een uurtje in die aangenamen kring te blijven. Maar ze liet die hoop terstond los, omdat haar ouders 't slecht zouden opnemen indien ze Zondags wel bij oom Johannes en niet thuiskwam. En vooral dien eenigen wilde ze nog geen kwartier in een kroeg doorbrengen.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's