Uit het kerkelijk leven.
Een vrijzinnig voorstel.
Naar aanleiding van het voorstel van dr. Woudstra te Utrecht, om het kiescollege als zoodanig af te schaffen, schreef dr.' Niemeyer in het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden dat ook hij wel voor dat voorstel voelde en het gaarne wilde ondersteunen. In het stukje van onze hand, voorkomend in de rubriek „Uit de Pers" in het voorlaatste No. van „de Waarheids vriend" lieten wij ons toen ongeveer als volgt uit: „wij verheugen ons over de sympathie in deze van dr. Niemeyer. Zoo zouden er tenslotte, naar we vast gelooyen, nog wel meer punten van overeenkomst te vinden zyn, om gemeenschappelyk te ijveren voor betere toestanden op het terrein van het kerkelijk leven. Om tenslotte te komen tot een verstandige en welomschreven scheiding op dit stuk, eenerzyds een belydende Kerk en anderzijds een vrijzinnige Kerk. Eenerzijds een Kerk met een belijdenis en anderzyds een Kerk zonder bepaalde belijdenis. Kunnen we elkander ook hier niet vinden? "
Dat was, naar we meenen, nog al vriendelqk gezegd. En dat weel dr. Niemeyor ook te waardeeren.
Want hij schrijft terug: „als'we in de aangehaalde woorden niets anders lezen dan er staat, zouden wij die ongetwijfeld met waardeering ontvangen en ons zeker bereid verklaren tot een poging, om elkander te vinden."
Daar had dr. Niemeyer 't bij moeten laten. Want wat ligt er meer voor de hand dan eenvoudig te lezen wat er staat.
Maar nu gaat ds. N. eerst wat aan inlegkunde doen, om, als hij in de woorden die er staan, iets ingelegd heeft, wat er niet staat, op 't geen er niet staat dan verder door te borduren.
Dat toont al weer, dat de menschzoo slecht onbevooroordeeld tot de dingen komen kan. Hij maakt er zoo gaarne van, wat hij zelf wil. Hij ziet de dingen zoo gaarne zooals hij ze wil zien.
En daarom, dr. Niemeyer moet zeggen, dat we nog al vriendelijk waren; maar tenslotte vindt hij ons toch weer alles behalve vriendelijk. En al schrqvend wordt hij nog al scherp.
Maar dat vergeven we gaarne. We hebben een ruim hart.
En alsof er niets gebeurd is, willen we even nagaan, wat dr. Niemeyer antwoord op ons voorstel: kunnen we niet komen tot een verstandige en welomschreven scheiding in het kerkelijk leven; eenerzij ds een belijdende Kerk en anderzijds een vrijzinnige Kerk; eenerzijds een Kerk met een belijdenis en anderzyds een Kerk zonder bepaalde belijdenis ? Het vrijzinnige antwoord is dit:
„Indien van den Gereformeerden Bond, welks orgaan De Waarheidsvriend is, een voorstel kwam, om te geraken tot een minnelijk uiteengaan van de richtingen met evenredige verdeeling van de eigendommen, een voorstel dus tot boedelscheiding, zouden wij bereid zijn tot overleg. Ons verlangen gaat volstrekt niet naar boedelscheiding uit.
Wij willen de Kerk liefst zooveel mogelijk bijeenhouden, zoowel omdat wij verschil van richting in eenzelfde kerkverband eer een voordeel.dan een nadeel achten, als omdat wij aan de thans bestaande verschilpunten geen eindeloos voortbestaan toekennen.
Wij willen ons ook in geen geval laten uitkoopen, willen in geen geval de Kerk verlaten, al kunnen wij een evenredig deel van de goederen medenemen.
Maar over een ernstig voorstel tot boedelscheiding zouden wij toch wel in overleg willen treden.
Mochten namelijk zij, die verklaren, krachtens hun beginsel het recht der vrqzinnigen niet te kunnen erkennen, en daarom wel door wettelijke bepalingen kunnen worden belemmerd in hun pogen, om andersdenkenden uit te sluiten en te verdrukken, maar toch altijd, zoolang zij niet van beginsel veranderen, een bron van onrust en moeilijkheden in de Kerk zullen blijven, mochten ziij bereid zijn de Kerk te verlaten, indien hun een evenredig aandeel van de goederen werd medegegeven, dan zouden wij gaarne medewerken, om hun den uittocht zoo gemakkelijk mogelijk te maken."
Hieruit willen we enkele dingen onderstrepen. Dr. N. voelt niet veel voor een voorstel tot boedelscheiding. Wij ook niet. Dr. N. zegt: wg willen de Kerk liefst zooveel mogelijk bijeenhouden. Wij ook. Dr. N. voelt evenwel de moeilijkheden van dat bijeenhouden. Wij ook.
En daarom, ja, „over een ernstig . voorstel tot boedelscheiding zouden wij toch wel in overleg willen treden", zegt dr. - N. „en daarom als zij, die zeggen het recht der vrgzinnigen krachtens hun beginsel niet te kunnen erkennen, bereid zijn de Kerk te verlaten, indien hun een evenredig aandeel van de goederen werd meegegeven, dan zouden wij gaarne medewerken om hun den uittocht zoo gemakkelijk mogelijk te maken."
In den staart zit hier de beteekenis.
Want dat hier de vraag van boedelscheiding of uitkeering door elkaar gehaspeld wordt, laten we nu eens rusten.
Maar hier wordt dus met andere woorden gezegd: de Herv. Kerk voor de vrijzinnigen, en als de orthodoxen, de mannen van de belijdenis, die met de vrijzinnigen niet kunnen samenwonen, er uit willen gaan, willen wij, vrijzinnigen, hen niet geheel naakt aan den dijk laten staan, maar willen hun 't recht matig deel wel uitkeeren en meegeven.
Op zichzelf niet onvriendelijk.
Maar dr. N. zegt zelf maar dadelijk: „Op zoo iets heeft de Waarheidsvriend echter volstrekt niet het oog. Dat is reeds meermalen gebleken. Wanneer hij spreekt van scheiden en uiteengaan, bedoelt hij, dat de vrijzinnigen de Kerk zullen overlaten aan hem en zqn geestverwanten en zelf met een vriendelgken groet zullen vertrekken."
Hierin heeft dr. N. voor een gedeelte gelijk. Niet wat het laatste betreft, dat we dö vrgziuüigeu met ledige handen willen heen laten gaan. Dat hebben we altijd anders voorgesteld. We willen volstrekt niet doen, alsof er de laatste honderd jaar niets gebeurd is. Het Weekblad voor de Vrijz. Hervormden kon beter weten.
Maar ja, wat het eerste betreft, slaat dr. N. de plank niet ver mis. Wij bedoelen volstrekt niet, dat de Herv. Kerk aan de vrijzinnigen zal gelaten worden en de orthodoxen, die voor een belijdende Kerk zijn, zullen vertrekken.
Neen, wij meenen nog altijd, dat de Herv. Kerk een belijdende Kerk is; dat men de proef gedaan heeft om tweeërlei kerkbegrip in die Herv. gemeenschap te vereenigen, n.l. de Kerk met een belqdenis en de Kerk zonder belijdenis ; dat die proef niet is gelukt; dat daardoor veel ellende is gekomen over de Kerk; dat de invloed der, Kerk op het . volksleven daardoor schrikkelgk heeft geleden; dat het aambeeld der Kerk, met de op leven en dood strijdende partijen, allesbehalve lieflijk en aantrekkelijk is; dat dan ook zoo spoedig mogelijk dat tweeërlei kerkbegrip eerlijk en juist onderscheiden tot uiteengaan van de niet bij elkander hoorende orthodoxe en vrijzinnige, richting leiden moet; dat de Herv. Kerk Weer zij, naar haar aard en wezen, in overeenstemming met den geest en de hoofdzaak der belijdenisschriften, een orthodoxe, belijdende Kerk; dat de vrijzinnigen met hun vrijzinnig kerkbegrip van een Kerk zonder belijdenis, zich ook afzonderlijk hebben te construeeren — waarbij de positie der Kerk veel eerlijker zal worden, het heilig karakter der religie minder schade zal lijden en de invloed op het volksleven zeker zal toenemen.
Daarover zouden we willen praten. Waarbij we nog eens herhalen, dat we volstrekt niet van plan zijn te doen als of er de laatste honderd jaar niets gebeurd is.
Het voorstel van dr. N.: „de Herv. Kerk aan de vrijzinnigen en de orthodoxen die Kerk verlatende", kunnen we dus niet aanvaarden. Het zal ook nooit werkelgkheid worden.
Ons voorstel willen we bij deze nog eens onderstrepen en vragen: dunkt dr. N. ook niet, dat het hiertoe komen moet: eenerzijds een belijdende Kerk en anderzijds een vrijzinnige Kerk; eenerzijds een Kerk met een belijdenis en anderzgds een Kerk zonder bepaalde belijdenis ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's