De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

9 minuten leestijd

XV (Slot).

Wij hebben-in het kort aan onzen blik laten voorbijgaan, wat het Nieuwe Testament ons te zeggen heeft over armoede en rijkdom.

Daarbij is dit wel duidelijk gebleken, dat het de vraag van armoede en rijkdom niet op zichzelf en om hunzelfswil bespreekt, m. a. w. dat het Nieuwe Testament de sociale kwestie nimmer stelt in den zin, waarin zij tegenwoordig aan de orde van den dag is.

En dat is niet alleen, omdat in den tijd, waarin de verschillende geschriften van het Nieuwe Testament werden geschreven, de sociale kwestie van geheel anderen aard, en oneindig veel minder ingewikkeld was dan in onzen tijd; want vraagstukken, het sociale leven betreffende, waren er ook in de eerste eeuw onzer jaartelling wel; maar dat is, omdat het Woord Gods alle vragen zet en ziet bij het licht van Zqne heilige wet, en in het licht van Zijn eeuwig Koninkrijk.

Zullen wij dus in het Nieuwe Testament moeten zoeken naar een oplossing van allerlei sociale problemen, die zich in onze dagen voordoen?

In zekeren zin niet. Maar in andor opzicht toch ongetwijfeld weer wel.

Voor een kwestie van arbeids-loon en arbeids-tijd, voor de vraag naar medezeggenschap van de „werknemers" in het bedrgf, voor de vraag naar het recht van hun aandeel in de winst, die een bedrijf afwerpt, voor... noem maar meer dergelijke vragen op, die aan de orde van den dag zijn, behoeft gij om te weten, in welken zin de oplossing moet zijn, de H. Schrift niet op te slaan.

Doch hiermede is toch niet alles gezegd.

Een gereformeerd christen erkent toch het gezag van Gods Woord voor alle levensterrein en weigert de opvatting te huldigen, dat kwesties van den aard als wij er enkele noemden, niets met de H. Schrift zouden te maken hebben.

Omdat óók deze vragen zoo diep in het leven ingrijpen, is het voor haar beantwoording van zoo groote beteekenis, hoe het leven wordt gewaardeerd.

En wie zal ontkennen, dat een materialistische levens-opvatting en een materialistische levens-practijk' op ontstellende wijze in onzen tqd aan het woord zijn?

Het bestaan is voor duizenden bg duizenden slechts een leven voor deze aarde. Met den Heere en Zgne wet wordt niet gerekend.

Gansch het samenstel van het leven draagt er toe bij, de stoffelqke zgde van het aanzijn naar voren-te dringen, bij velen te maken tot het eeuige, dat nog belangstelling en aandacht waard is.

Geheel in deze lijn ligt het, dat de „arbeider" de man is, die den toon aangeeft; wie niet met de handen arbeidt, wordt niet geacht, arbeid te verrichten. Alleen het materieele heeft beteekenis.

Deze opvatting nu en deze practijk gaat lijnrecht in tegen het Woord Gods, dat den mensch leert zien als een schepsel Gods, geschapen naar Zijn beeld.

En zou dit ééne niet reeds een ontzaglijk onderscheid maken in levenswaardeering? Zouden zij, die voor het Woord Gods buigen, niet moeten gewaarschuwd worden tegen de zuiging van den levens-stroom, die van den levenden God afvoert; tegen de verstoffelijking van het leven, die een gevaar is voor allen, óók voor hen, die ia theorie haar afkeuren?

Zoowel voor het persoonlijk leven dergenen, die wenschen te rekenen met het Woord Gods, als voor het gansche leven der maatschappij is het dus zonder twijfel van belang, wat dit Woord zegt over rijkdom en armoede, over de waardeering van het aardsche goed.

De H, Schrift predikt geen asceze, geen werfeld-G^htviuchting, geen «elfkastijding of verachting van het aardsche goed. „Alle schepsel Gods is goed, en niets is verwerpelijk, dat met dankzegging genomen wordt, " 1 Tim. 4 vs 4.

Doch het Woord Gods, dat den mensch als zondaar kent, wijst telkens nadrukkelijk op de gevaren, die hier schuilen. Het leert de waarde der menscheu ziel, die meer is dan het gewinnen van de geheele wereld, Het wijst op de gevaren van den Mamon-dienst, en wijst aan, hoe de geloovige alleen zijne vrijheid vindt en bewaart, die in Christus geschonken wordt.

Daar is een wedloop om te grüpen naar meer rijkdom, een wedijver om lotsverbetering en verhooging van het levens-peil.

De christen bewaart zijne vrijheid alleen dan, wanneer hij oog heeft voor het beginsel, dat de massa drijft, en in gedachten houdt het woord des Heeren: zoekt eerst het koninkrgk Gods en Zijne gerechtigheid; wanneer hij zijne behoeften weet in , te perken, en niet een slaaf wordt van het leven, waaraan hij steeds hooger eischen gaat stellen.

Nog eenmaal willen wg hier Calvijn aan het woord laten, om te hooren hoe hij spreekt zoowel over gemis als over gebruik van het aardsche goed: „dit zg het eerste, dat Gods gaven behoorlijk worden gebruikt, wanneer zg gebruikt worden tot dat doel, waartoezede Gever zelf ons heeft geschapen en verordend; want BKJ heeft ze geschapen tot ons profijt en niet tot ons verderf. Daarom zal niemand beter het spoor houden dan hij, die naarstig dit doel in het oog houdt., . God heeft ons vele dingen boven het noodzakelijk gebruik prgselijk en aantrekkelgk gemaakt. Weg dus met die onmenschelijke philosophie, die, terwijl zg niet anders toelaat dan het noodzakelijk gebruik, ons niet alleen booswiUig berooft van de geoorloofde vrucht der Goddelgke mildheid, maar ook niet kan plaats vinden dan door den mensch te berooven van alle zintuigen en hem te maken tot een blok.

Maar niet minder moet anderzgds de begeerlijkheid des vleesches weerstaan worden, die, als zg niet binnen de perken gehouden wordt, zonder maat overvloeit Deze nu wordt vooreerst ingetoomd, wanneer men dit vaststelt, dat alle dingen ons geschapen zgn, opdat wig den-Gever erkennen, en voor Zijne goedertierenheid egens ons dankzeggen., . De vrijheid der geloovigen in uiterlgke dingen kan niet tot een bepaalde formule teruggebracht worden, maar is toch zeker aan dezen regel gebonden, dat zij zichzelven zoo weinig mogelijk moeten toegeven... en naarstig moeten toezien, dat zij fdch uit hulpmiddelen geen beletselen maken.

Een andere regel zal zijn, dat zij, die maar weinig hebben, geduldig moeten kunnen ontberen, opdat zij niet door onmatige begeerte gekweld worden; wie dezen regel houden, hebben een niet geringen voortgang gemaakt in de school des Heeren....

De H. Schrift heeft bovendien nog een derden regel, waardoor zg aan 't gebruik der aardsche goederen een maat stelt; zij zegt n.l., dat die alle ons zóó door Gods gunst en tot ons profijt verordend zijn, dat zij als panden of toevertrouwd goed zijn, waarvan wij eens rekenschap zullen hebben te geven.

Deze rekenschap zal geëischt worden door God, Wien geen ander gebruik der goederen welgevallig is, dan die met liefde is verbonden". (Inst. III, 10, 4—6).

Dat het Woord Gods voorts, al geeft het geen oplossing voor sociale vraagstukken, toch een reguleerende kracht kan en moet zijn voor het sociale leven, behoeft geen betoog.

Zoo juist is het, in 1916, door één van Engelands ministers op een conferentie van arbeiders gezegd: „niets is noodlottiger voor een volk dan dat het zijn bUk zou beperken tot de stoffelgke behoeften van het oogenblik. Nationale idealen zonder verderen blik zijn slechts als de distels der wildernis, voor brandstof noch voor voedsel dienstig. Aan het einde van den oorlog zullen wij betere werkplaatsen noodig hebben, maar meer dan ooit zullen wij ook noodig hebben iedere gedachte, die den blik van het volk zal verheffen buiten en boven werkplaats en kantoor.

Wij zullen behoefte hebben aan iedere nationale traditie, die hen zal herinneren, dat de mensch bij brood alleen niet leeft".

Waar nu zouden, klaarder en eenvoudiger dan in de H. Schrift, de beginselen liggen, die het sociale leven moeten reguleeren?

De onderlinge verhouding van de verschillende onderdeelen van het zoo samengestelde maatschappelijk leven, zij wordt beheerecht door den strijd van belangen, door zelfzucht en afgunst, door de begeerte naar almeer levens-genot en levens-goed.

De H. Schrift, die den mensch zijne plaats aanwijst als schepsel Gods, en den geloovigen de hooge plaats van kinderen Gods, kent naast het beginsel van het recht dat der liefde.

Hoe meer uit het leven de H. Schrift wordt teruggedrongen, des te meej zullen deze beginselen met voeten worden getreden.

Het egoïsme zal steeds meer ten troon worden geheven, en als ontbindende, alles 't onderst boven keereude kracht op de samenleving werken.

Te midden van dit alles hebben zij, die voor het Woord des Heeren buigen, zich rekenschap te geven van hunne positie en taak.

Zij hebben voor zichzelven zich af te vragen of, hetzij zg rijk zijn of arm, hunne waardeering van het aardsche goed in overeenstemming is met den wil des Heeren naar het uitwijzen van Zijn Woord.

Zij hebben zich bewust te worden van hunne roeping in het sociale léven van onzen tgd; niet alleen ieder voor zich, ieder in eigen kring, op eigen gelegenheid; maar ook in aansluiting aan elkander, gemeenschappelijk. Het getuigenis, de eisch, moet big ven weerklinken, dat boven de tijdelijke en stoffelijke nooden de geestelijke uitgaan; dat deze laatste nimmer straffeloos worden vergeten, noch zonder schade verwaarloosd.

En ook voor de Kerk van Christus ligt hier een blijvende taak. Eenerzijds in het getrouwelijk prediken van het Woord der waarheid.

Anderzijds in den dienst en het work der barmhartigheid.

De zorg voor den behoeftige en in nood verkeerende, die van den Staat als een recht geëischt wordt, heeft de Kerk in den naam van Christus op zich te nemen, gelijk dat, zoolang de Kerk bestaan heeft, haar gezegende taak is geweest.

Gebrek en ellende heeft zij te lenigen, daartoe in staat gesteld . door hen, die als rentmeesters van toebetrouwd , goed, haar van het hunne afzonderen.

En te prediken heeft zij, uitdeeleude uit den onuitputtelijken schat van het Woord haars Gods, getuigende van de onverwelkelgke en onbevlekkelijke en on verderfelijke erfenis, in de hemelen bewaard voor allen, die door Woord en Geest zullen worden toegebracht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Armen en rijken in het Nieuwe Testament.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 maart 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's