Stichtelijke overdenking.
„Toen ging één van de twaalve, genaamd Judas Iskariot, tot de Overpriesters". Mattheüs 26:14.
Eén van de twaalve.
Gods Woord is eerlijk; het is niet gewoon de dingen te verbloemen of te bemantelen. Het laat ons zoowel het een als het ander zien.
Eenerzijds teekent het ons de heerlijkheid van Christus, zooals die vaak schittert ook in Zijn volk; maar anderzijds teekent het ons evenzeer de armoede en de diepe ellende van den zundaar zooals die eveneens zich niet zelden in den kring van Gods volk openbaart.
Ja, het Woord des Heeren laat ons eenerzijds David zien als den man naar Gods hart, maar anderzijds laat het ons dienzelfden David ook zien, zooals hq zich aan de meest gruwelijke zonden heeft schuldig gemaakt.
Het Woord des Heeren geeft ons eenerzijds een teekening van Petrus als den rotsman, met de rotsvaste belijdenis op de lippen: „Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods", maar anderzijds verzwiijgt het niet hoe diezelfde Petrus straks Zijn Heiland en Zaligmaker tot driemaal verloochend heeft.
En zoo ook teekent het Woord des Heeren ons eenerzijds êen beeld van de elf discipelen, die straks ook allen hun Meester verlieten, maar die toch ook allen weer door Hem gezocht en gevonden zijn, maar anderzijds teekent het ons ook een beeld van Judas, die evenals Farao door God verwekt was opdat in zijn verderf en ondergang de kracht des Heeren bewezen zou worden.
O, dat deze Judas voor ons een baken in zee mocht wezen, opdat wij niet mede stranden op dezelfde klip, waarop hij zijn leven verloren heeft.
In het woord dat we hierboven schreven wordt deze verrader ons voorgesteld in den naam dien hg droeg, in de plaats waaruit hij afkom, stig was en niet het minst in het ambt dat hij heeft bekleed.
Zijn naam was Judas, Zooals we allen weten was dat een kostelijke naam. Deze naam toch was ook eenmaal gegeven aan den vierden zoon van vader Jacob, die uit Lea geboren was. Ditmaal zal ik God loven, had Lea gezegd, daarom noemde zg zijnen naam Juda. Juda of Judas beteekent dus Godlover en we weten dan ook hoe vader „Jacob het op zijn sterfbed voorspeld.had, dat uit dezen Godlover eenmaal de Silo, de rustaanbrenger, geboren zou worden.
Welnu, deze naam was ook gegeven aan het jongsken dat weleer in de hut van een zekeren Simon te Cariot, in den stam van Juda gelegen, geboren was. Ja, ook toen Judas Iskariot geboren was, zal er ongetwgfeld evenals bij de geboorte van ieder kind, blijdschap in zijns vaders huis zgn geweest. Geen flauw vermoeden immers bestond er toen nog, dat het van dat kindeke eenrnaal getuigd zou worden: het ware hem goed, zoo die mensch niet geboren was geweest.
Judas dus naar Juda genoemd. Judas, de man van Kariot, uit een plaats van den voornaamsten stam van Israël afkomstig O, hoe is het in zgn geschiedenis duidelgk geworden, dat een schoone naam ons niet baat en dat ook onze natuurlgke afkomst ona geen enkelen waarborg biedt dat het wèl met ons staat.
Maar niet alleen bg Judas' naam en afkomst, we worden ook bijzonder be paald bij het ambt door Judas bekleed. Het staat er immers zoo duidelijk bij, dat Judas één van de twaalve was.
Eén van de twaalve! Dus niet een van de zeventig. O, als er dat gestaan had, dan zou het reeds schrikkelijk zgn geweest. Maar hoeveel schrikkelijker is het dan nu, nu degene, die met het plan des verraads in zijn ziel tot de Overpriesters ging, niet een der zeventig, maar één der twaalve was. Hij was dus één dergenen die dagelijks met den Heiland hadden omgegaan; één dergenen, die met Hem aan dezelfde tafel gegeten en met Hem van denzelfden drank gedronken hadden. Hij was één dergenen, die van dag tot dag getuige waren geweest van de wondermacht waarmee Christus was toegerust en van de groote liefde en genade die Hij aan zoovelen bewezen had.
En dat nog niet alléén, maar „een van de twaalve", dat wilde ook zeggen: één van hen die door den Heere niet slechts uitverkoren maar ook uitgezonden waren, om het evangelie van Godsrgke genade te verkondigen. Judas was dus één van hen die als gezanten van Christus de bazuin aan den mond hadden gezet; hij was één dergenen die waren uitgegaan om kranken te genezen, om aan blinden het gezicht, aan dooven het gehoor, aan stommen de spraak te geven, om melaatschen te reinigen, ja, hij was één dergenen die het bg hun terugkomst bij Jezus hadden kunnen getuigen, dat ook de geesten hun onderworpen waren.
En gij moet niet meenen dat het aan Judas' prediking of aan zijn werk wel te merken was, dat het bij hem het ware niet was. O neen, wanneer ge tijdens Jezus' omwandeling op aarde den kring der discipelen hadt ontmoet, dan zoudt ge gansch geen onderscheid tusschen Judas en de andere discipelen hebben opgemerkt. Veeleer had het u wellicht toegeschenen, dat Judas geenszins de minste onder de broederen was.
Natuurlijk heeft de Heere zelf het wel geweten. Hij, die immers wist wat in den mensch was. Hij had ook dezen Judas van den aanvang af wel doorzien. Uit Zgn mond immers was het woord reeds vernomen: „heb Ik niet u twaalf uitverkoren en één uit u is een duivel !"
Maar de andere discipelen hebben volstrekt niet vermoed dat dat Judas zou zijn. Dat blijkt straks, als zij aan den Paaschdisch zitten en als zg dan allen nog eer zich zelf er voor houden, dan dat zij er Judas voor aanzien.
Immers dan vragen zij allen: ben ik het, Heere, ben ik het? en dan moet eerst Judas door een bg zonder teeken des Heeren worden aangewezen, eer zij kunnen gelooven dat hij het zal doen.
Wel een bewijs dat Judas in zijn optreden niet den indruk maakte een huichelaar, een verrader te zgn. Integendeel, Judas scheen evengoed als de anderen een trouwe volgeling des Heeren te zgn. Het was dan ook geen wonder dat Jezus straks ontroert in den geest als Hg dezen schgnbaar zoo getrouwen discipel toch als een ontrouwen verrader ontmaskeren moet.
Maar hoe is Judas, zoo vraagt ge, dan ooit gekomen tot den droeven stap dien hg gezet heeft op den weg des verraads ? Wat was dan toch wel de reden dat hg den kring van Jezus' jongeren verliet en dat hg zich naar den kring van Jezus' viganden begeven heeft? Waarom is Judas dau toch een overlooper geworden?
Sommigen meenen dat de reden hiervan was dat Judas met zijn vleeschelijke verwachtingen, die hij altoos van de komst van Christus gehad had, beschaamd was uitgekomen. En zeker, dat is er wel bg gekomen, maar dat was toch het eenige niet. Immers ditzelfde gold evenzeer van de andere discipelen en niet het minst van Petrus. Hoe heeft inzonderheid hg zich met alle kracht tegen het lijden van Christus verzet. Dus dat alléén kan de reden van Judas' boos opzet niet geweest zijn, want dan zouden de andere discipelen het evenzeer hebben gedaan.
Anderen meenen dat de oorzaak van zijn-verraad in Judas' geldgierigheid moet gezocht worden. Johannes heeft het immers met zoovele woorden gezegd dat hij een dief was en de beurs droeg. En zeker, ook die geldgierigheid van Judas heeft er geen goed aan gedaan. Die geldgierigheid bleek ook in zijn leven, evenals in dat van zoovelen de wortel van alle kwaad te wezen. En wat Salomo zeide: die rijk willen worden, vallen in vele verzoekingen en in den strik des Satans, bleek meer dan op iemand op dezen Judas van toepassing te zijn.
Maar toch was er naast deze nog een diepere reden, waarom Judas zich naar de overpriesters heeft begeven, om zijn Heere en Meester over te leveren. En om dat te begrijpen moeten we letten op het allereerste woord, dat hierboven staat, n, l. op het woordeke „toen". Toen ging een van de twaalve. Wanneer was dat? Om dat te weten moeten we enkele verzen terug. Daar toch wordt ons verhaald de zalving die in het huia van Simon den melaatsche te Bethanië had plaats gehad. Zooals we weten was Maria daar gekomen met een albasten flesch met zeer kostelijken nardus en had die uitgegoten over het hoofd van Jezus, waar Hij aan tafel zat. Die daad was door al de discipelen veroordeeld. Maar, zooals het nog wel eens gaat, wat al de discipelen afkeurden, had Jezus goedgekeurd, en ernstig was de bestrafflng des Heeren tot al de discipelen en inzonderheid tot Judas gericht: laat af van haar, want zij heeft een goed werk aan mij gewrocht.
En ziet, dat woord was voor Judas de prikkel geweest om te doen wat ons van hem beschreven staat.
Dat woord immers was als een vuur, waardoor al Judas' eigen vroomheid als een stoppel was verteerd. Dat woord was de tuchtroede geweest, waarmee niet alleen Judas, maar waarmee al de discipelen geslagen waren. Maar nu kan eefn tuchtroede altoos tweeërlei uitwerking hebben. Aan de eene zijde kan zij stemmen tot kinderlijke verootmoediging, maar aan den anderen kant kan zij ook tot verharding en zelfs tot wraakzucht doen overslaan. En was nu bij de elf andere discipelen het eerste, bg Judas was het laatste het geval. De andere elf, o zeker, zij wilden er ook niet aan; hun vleesch verzette er zich evenzeer tegen, maar door de onwederstandelijke werking van Gods genade hebben zij voor dat Woord van Jezus toch gebukt en gebogen; zij hebben zichzelf ongelijk leeren geven en Jezus gelijk.
Maar bg Judas was dat juist andersom. Hg kon zich zelf niet verloochenen; hij had zijn eigen leven niet verloren; hij wenschte van eigen vroomheid geen afstand te doen; en in plaats van vernederd en verteederd werd nu zijn hart tegen de vermanende stem des Heeren verhard.
De zon in de natuur doet zoowel verharden als smelten, en zoo is het ook met den Heere Jezus, die de Zonne der gerechtigheid is. Sommigen die met Hem in aanraking komen, worden door Hem verootmoedigd en tot bekeering gebracht. Voor hen blijkt de Heiland een reuke des levens ten leven te wezen. Maar ook anderen, die met Hem in aanraking komen, worden door Hem verschroeid en verhard. Voor hen blgkt de Heiland een reuke des doods ten doode te zijn. En tot deze laatsten behoorde nu Judas, Zijn hart was verhard en dat harde hart werd nu geprikkeld door zijn hebzucht.
En ziet, " daar hebt ge nu de reden waarom Judas zich tot de Overpriesters begeven heeft. O, wellicht dat hg eerst nog wel getracht heeft om de verzoeking te wederstaan. Immers tegen den invloed des boozen, die hoe langer hoe meer vat op hem kreeg, stonden toch ook nog de raadgevingen en vermaningen tegen den Mammon, die hij zoo dikwgls uit den mond des Heeren vernomen had. Maar Judas, kon het in eigen kracht van Satan niet winnen. Weldra is dan ook de stem der conscientie tot zwijgen gebracht. En nu deinst Judas voor niets meer terug. Daar gaat hiij om als leerling zijn Meester, als knecht zijn Heer', als beweldadigdö zijn Weldoener, als zondaar den Zaligmaker, ais maaksel zijn Maker in de handen Zijner vijanden over te leveren,
O, schrikkelijk heengaan van hem, die toch éen der twaalve was.
Maar wat dunkt u, heeft dat heengaan van Judas ook tot ons niets te zeggen ? Roept het ons niet toe: die meent te staan, zie toe dat hij niet valle? Is het niet een ernstige prikkel tot zelfonderzoek, niet zoozeer voor de kinderen dezer wereld als wel voor dezulken die meenen dat zij des Heeren eigendom zijn?
Wij zien er immers uit dat 't mogelijk is dat iemand bij Gods volk in eere staat, dat iemand jarenlang tot de kinderen des Heeren gerekend kan worden, dat hij het zelfs tot een eere-ambt in de Kerk des Heeren gebracht kan hebben en dat hg toch tenslotte nog openbaar wordt een vijand van 'God en een ver^ rader van den Heere Jezus te zijn.
Ja, drie jaar had Judas met de overige discipelen en met den Heere Zelf ver keerd; de wonderteekenen des Heeren had hij evengoed aanschouwd als de anderen; het wonderbrood des Heeren had hg evengoed gegeten als de "anderen; het wonderwoord des Heeren had hij evengoed verkondigd als de anderen; en toch bleek hij ten slotte inplaats van een discipel van Jezus, een slaaf van Satan te zijn.
En zoo zijn er ten allen tijde geweest, die jarenlang gerekend waren tot de prinsen des volks en van wien het toch ten slotte bleek dat zg nooit anders dan hun eigen belang hadden gezocht en nooit anders dan eigen eer en eigen voordeel hadden bedoeld.
En daarom, het heengaan van Judas, neen, het is ons niet beschreven opdat wij er uit de hoogte op zouden neerzien, en opdat wij bij onszelve denken zouden : nu ja, dat deed Judas, maar ik kan en ik wil en ik zal dat niet doen.
Integendeel, het heengaan van Judas roept ons dat wg in diepe verootmoediging des halten deze bede voor den troon van Gods genade zullen nederleggen: Doorgrond m' en ken mgn hart, o Heer';
Is 't geen ik denk niet tot üw eer? Beproef m' en zie of mijn gemoed
Iets kwaads, iets onbehoorlijks voedt; En doe mij toch met vaste schreden,
Den weg ter zaligheid betreden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's