De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Staat en Maatschappij.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Staat en Maatschappij.

4 minuten leestijd

Geen afdoende regeling.

De regeering heeft een goede gelegenheid laten voorbij gaan om de zaak van de voorziening in de geestelgke behoeften der militairen afdoende te regelen.

Hoe het in de naaste toekomst met het instituut der legerpredikanten gaan zal, weet, nu de Minister van Oorlog aan de instelling wil vasthouden, eigenlgk niemand. Het debat, dat daarover begin van deze maand in de Kamer gehouden werd, heeft in stede van op dit punt meer klaarheid te brengen, verwarrend gewerkt. Dit is voor niet het minst toe te schrijven aan de omstandigheid, dat de kennis van den Minister over taak en roeping van de Kerk tekort schoot.

De oplossing van het vraagstuk was toch zoo eenvoudig, mits hier goed onderscheiden werd tusschen wat de Kerk te doen heeften wat tot de taak van de Overheid behoort en het voorts duidelgk voor oogen stond, dat de Overheid door hare ambtenaren niet het Evangelie heeft te prediken, zelfs daarop geen invloed heeft uit te oefenen, maar de prediking des Woords heeft over te laten aan de Kerk des Heeren.

Wat de heer Duymaer van Twist in de Kamer zeide, gaf den juisten weg aan. „De Kerken, zoo zeide hg, hebben de primaire roeping ten opzichte van den speciaal kerkelij ken arbeid. Zij hebben voor dien arbeid ambtsdragers aan te wijzen. De Overheid heeft zich daarbuiten te houden".

Staat het zoo met betrekking tot de roeping der Kerk, daarnaast heeft de Overheid zich van haar taak bewust te zijn.

Die taak werd drieledig genoemd.

In de eerste plaats om de ambtsdragers, die de Kerk zendt, te erkennen. In de tweede plaats om de moeilijkheden en de beletselen, welke de dienaren des Woords bg de uitoefening van hun ambt in het leger in den weg mochten treden, weg te nemen. En in de derde plaats, om, zoo gewenscht, in overleg met de Kerk een instituut in het leven te roepen om een schakel te vormen tusschen Overheid en Kerk, ten einde den arbeid der Kerk tot zijn recht te doen komen, de Overheid te dezer zake voor te lichten en van advies te dienen en mede te werken aan de geestelijke verzorging van de krijgsmacht, voor zoover deze niet den speciaal kerkelij ken arbeid betreft.

Daarboven zou dan komen de finantieele steun, welken de Overheid aan de Kerk zou hebben te verleenen, op grond van het feit, dat eerstgenoemde de jonge mannen uit hun normale omgeving weg roept en ze in centrale punten bijeenbrengt, waardoor speciale godsdienstige verzorging noodig wordt.

Zóó de plaats omschreven, die beiden de Kerk en de Overheid hebben in te nemen, is er geen plaats voor een instituut van legerpredikanten en aalmoezeniers gelijk de regeering zich die instelling denkt. Voor de schakel hierboven genoemd zijn niet noodig zes predikanten en vierRoomsch-Katholieke geestelijken, zeker niet wanneer de Kerk ook in de gedachte van den Minister de primaire roeping heeft.

Dit alles moet, en dit kan niet anders, verwarrend werken. Want men zal ten slotte zien, dat, zoo de regeering zich niet bgtgds bedenkt en de Kerk bg de behartiging der geestelgke belangen der militairen de plaats geeft, die haar krachtens hare positie toekomt, de Overheids-legerpredikanten als de eigenlijke verzorgers zullen voorop gaan en de ambtsdragers der Kerk eerst de tweede innemen.

De concessie, die de Minister aan het eind van het debat deed, in zgne verklaring, dat hij zijn plan niet zal uitvoeren, dan na voorafgaand overleg met de verschillende Kerkgenootschappen, lijkt ons niet voldoende.

Het is toch vooraf te zien, dat van bedoeld overleg, dat zoowel met de Protestantsohe Kerken als met de R. K, Kerk gehouden wordt, weinig of niets zal terecht komen. *

En dan gaat de Minister zijn eigen weg.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Staat en Maatschappij.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 maart 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's