Verslag
van de 14de Jaarvergadering van den Gereformeerden Bond op Woensdag 19 Maart 1919, in het gebouw voor K. en W. te Utrecht, I.
Woensdag 19 Maart was het voor onzen Bond een goede dag. Op onze 14e Jaarvergadering toch, die toen werd gehouden, kan zeker niet minder dan op een der vorige, met voldoening teruggezien worden.
Toen we 'is morgens de zaal binnentraden, bleek daar reeds meer dan gewone belangstelling te zijn. De vrienden van onzen Bond waren in grooten getale opgekomen en toen om elf uur de vergadering geopend werd, waren dan ook ongeveer alle plaatsen bezet.
Plechtig klonk het Ie vers van den 89sten Psalm, dat op verzoek van den voorzitter werd aangeheven. De klanken van „het vast gebouw van Gods gunstbewijzen, dat naar Gods gemaakt bestek in eeuwigheid zal rijzen" gaven 'n zekere wijding aan ons samenzijn, en toen dan ook Psalm 89 : 1—15 was voorgelezen en de voorzitter in gebed was voorgegaan, gevoelden wo iets van de rijke bezieling die daas ligt in het eendrachtig samenzijn rond de banier van Gods Woord.
De voorzitter spreekt alsnu een openingswoord. Hij heet de vergadering welkom en ziet in de meerdere belangstelling een bewys dat de Heere bemoeienis met ons houdt. Het is, aldus de voorzitter, voor het eerst dat we nu saamkomen dat er, zij het dan al geen vrede, dan toch ook geen oorlog meer is. Wij leven in een crisistijd. Niemand kan zeggen wat de toekomst ons zal brengen, niet alleen wat betreft den Volkerenbond, maar ook wat het sociaal terrein en zeker niet het minst wat ons kerkelijk leven aangaat. Als wij echter bedenken dat de Kerk geroepen is om een pilaar en vastigheid der Waarheid te wezen, dan kan het ons bang te moede worden.
Immers hoe zal de toestand der Kerk straks wezen ?
Met betrekking tot deze dingen nu zijn we saamgekomen. En wat een voorrecht dat we aan het begin van ons samenzijn door Gods Woord reeds gewezen'werden op den grooten Zoon van Daivid, aan den gevangene met idealisme, aan Wien we ook in deze lijdensweken weer telkens herinnerd worden. Zij ons oog op Hem, opdat we het weten, dat, waar de machten der hel ontketend worden, Jezus Christus nochtans zit aan de rechterhand des Vadep, een stoel, die tot in eeuwigheid vaststaat.
Spreker acht zich verder gelukkig dat hij in deze vergadering het woord mag geven aan prof. dr. A. Noordtzg, hoogleeraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, die tot ons spreken zal over het onderwerp : „Op welke wijze heeft de Heere Zich aan Israël geopenbaard? "
Het verheugt ons dat we ook op onze vergadering in aanraking mogen komen met mannen die een plaats hebben in de opleiding van Dienaren des Woords in het midden onzer Kerk.
Prof, dr, Noordtzij begint met te zeg gen dat het den indruk maakt van iets gewaagds in een tijd als deze de aandacht te vragen voor een onderwerp als het zqne. Zijn de problemen van tegenwoordig, politiek en oeconomisch, niet veel meer aan de orde dan een vraag als deze ? Toch vleit spreker zich dat we Gereformeerd genoeg zijn om te verstaan dat op al de problemen ook van onzen tijd geen ander antwoord is dan wat te vinden is ia het Woord Gods. Het is de bedoeling na te gaan den diepen zin van het „God voortijds veelmaal en op velerlei wijzen tot de Vaderen gesproken hebbende." Met dat woord staan we met beide voeten in de belijdenis van de realiteit der Godsopenba^ ring. Deze. openbaring is die actie, die werkzaamheid Gods, waardoor Hij sieh - in het historisch geheel der dingen heeft leeren kennen. Het gaat ons om het nagaan van de wegen Gods, Wiens gangen ook zelfs voor het geheiligd verstand onnaspeurlijk zijn. De openbaring Gods is het ingaan van den eeuwigen God in de vormen van het tgdelijke. De Oneindige treedt in contact met den eindige, daalt tot hem af en voert het menschenkind weer tot Zich op. Er zqn echter op dit terrein moeilijkheden. Zoo moeten we zeer verre blijven van het ideaal en kunnen ons dus slechts bepalen tot enkele gegevens. Zoodra we echter de Schriften des Ouden Verbonds opslaan, treffen ons aanstonds enkele feiten. In de eerste plaats dit, dat die God, die zich in de grootheid Zijner genade openbaart, begint met een geheel te werken van historische gebeurtenissen. Niet, dat we de gansche geschiedenis van Gods openbaring kennen zouden. — Zeker de geschiedenis van Adam en Eva, Kaïn en Abel, is tamelijk breed weergegeven, maar daarna wordt geslacht aan geslacht aaneengeregen. Een oogenblik wordt het verhaal weer breeder bq Noach, maar na hem worden de eeuwen weer saamgepersd in enkele persoonlijkheden. Hierna worden wel weer de patriarchen ten voete uit geteekend, maar daarna wordt het weer anders. Wat weten we b.v. van Samuel en David? En wie onzer kent niet het refrein in den tijd der Koningen, dat het gordijn gedurig laat vallen, zoodra we verder willen speuren. Maar toch, hoeveel gapingen er mogen zqn, de historische Godsdaden, die voor ons van belang zqn, zijn te boek gesteld, in lichte niet alleen maar ook in donkere kleuren. Een tweede feit dat ons treft is, dat (Me historische gebeurtenissen alléén niet voldoende zijn. Ook de religieuse persoonlijkheden hangen met die gelj^urtenissen ten nauwste samen. Niet alleen de groote persoonlijkheden, maar ook de kleine, zelfs de kleinen onder de kleinen, wier namen ons zelfs niet bekend zijn, maar die niettemin aangegrepen zijn door den Goddolijken Geest en aan hun tijdgenooten den wil des Heeren hebben bekend gemaakt.
De openbaring Gods geeft ons dan ook niet slechts de naakte feiten, maar religieuse fragmatiek. Daar zijn vele volken geweest die een dergelijke geschiedenis gehad hebben als Israël, maar alleen tot Israel kon een man gezonden worden als Amos, die herinnerde aan het Verbond waardoor het hemellicht over de gebeurtenissen opging. De religieuse persoonIijkheden en gebeurtenissen stonden niet los naast elkander, maar daar bleek wisselwerking te zijn. Daaruit is het ook te verklaren dat terwijl andere volken steeds dieper wegzonken in het veelgodendom, Israel een volk was dat met hoopvol verlangen Hem verbeidde, Wiens komst de volken ten zegen zou zijn. Nu is er over de wijze der Godsopenbaring in den laatsteh tijd een bijzonder licht opgegaan. We moeten n.l. den achtergrond leeren kennen, waartegen het beeld van Israel geprojecteerd kon worden. Met 'n beeld van Rembrandt's meesterstuk „de Nachtwacht" wordt dit duidelqk gemaakt. Dit schilderij hing in het Rijksmuseum eerst bij andere schilderijen, maar is nu afzonderlqk geplaatst, zoodat de lijnen nu beter uitkomen en in dien achtergrond de bedoeling van den Meester duidelqker werd. Dat nu kan toegepast op de schriftuur des Ouden VerblStids, De achtergrond van Israel toch is de oud-Semitische wereld, en die Semitische wereld is den laatsten tijd weer binnen onzen gezichtskring getreden. Door de opgravingen toch die gedaan werden zijn de resultaten gelogenstraft van een wetenschap die in de 19e eeuw tot bloei was gekomen, waaraan tientallen van jaren gearbeid was en die het liet voorkomen alsof de voorbijgesnelde eeuwen zich hadden vergist, toen zij Israels canonieke geschriften verwierp, waarden van de inspiratie van' den Goddelqken Geest, Wat een wonder, dat op hetzelfde oogenblik toen de 0, T.-openbaring door deze wetenschap verscheurd dreigde te worden, een der heerlijkste vruchten van de opgravingen rqp werd en daardoor de lijnen van Israels achtergrond scherper in het oog konden gevat. Daardoor toch werd het voor steeds meerderen duidelijk, dat het beeld, dat men zich in den laatsten tijd gevormd had, onjuist was, zoodat het opcnbaringskarakter zich weer ten volle kon handhaven. Intusschen heeft deze ontsluiting van de Oud-Semitische wereld nog een andere vrucht afgeworpen. Zij heeft ons in de openbaring Gods dieper ingeleid. De personen werden h het rechte licht gesteld. En met betrekking tot het hóe, zien wij dat de eeuwige God het volk des Verbonds niet heeft losgemaakt van den wortel, waaruit het opkwam. God nam Israel, zooals het ge worden was. In dat volk gaat de Heere in met Zijn openbaringsdaden. De Heere geeft aan Israels levens-en wereldbeschouwing een nieuw doel, dat niet eindigen zal voor Israel zijn hoogtepunten eindbestemming bereikt zal hebben, Groot is dan ook het verschil tusschen Israel en de andere volken. Zoo bijv, wat het rechtswezen betreft, blijkt duidelijk dat het recht niet uit des mensch opkomt maar van God afdaalt. Denk aan David, die zijn rechtsverkrachting in de zonde met Batseba als zonde beschouwt.
En niet alleen David, bq wien deze zoudekennis een bijzonder gewrocht was van den 'Heiligen Geest, maar dat dat besef in 't algemeen bij Israël levendig was blqkt uit het voorbeeld van Achab, De goddelijkheid van het recht weerhield ook dezen afgedwaalden Israëliet om den tuin van Fabóth te nemen, waar de heidensche Izebel niet het minste bezwaar tegen had. Ook het Israëlitische koningschap was gansch iets anders dan het koningschap bij de andere volken. In de eertte plaats was Israels koning niet de levende representant Gods, De gedachte dat de koning zelf God zou wezen, die bij de heidensche volken leefde, is bij Israël nooit opgeheven. De scheidingslijn tusschen God en Zijn schepsel hebben zq te dien opzichte nooit, uitgewischt, In de tweede plaats was Israels koning ook geen priester, zooals dat b.v. in Babel en Egypte wel het geval was, Behalve voor Saul en Uzzia, wien het zeer ten kwade werd geduid, lezen we dan ook van geen der andere koningen dat zij zelf geofferd hebben. Bovendien was ook het offerinstituut bij Israël gansch iets anders dan bij de andere volken. De gedachte om in gemeenschap te treden met God is niet specifiek Israëlitisch. Evenmin de gedachte aan veraoening. Maar let op het verschil. De andere volken stellen hun goden voor als hongerig en dorstig naar offers. Bij Israel niet akoo. Offer is cultus, maar de Heere vraagt geen cultus maar religie. Daarom is gehoorsamen ook beter dan offorande, opmerken beter dan het vette der rammen. Wilt gq zien hoe deze gedachte heeft doorgewerkt, sla dan op Micha 6, waar de Heere zoo duidelijk toont dat Hij in recht en gerechtigheid meer lust heeft dan in duizenden van rammen en tienduizenden van oliebeken, Bier is reeds de Wet overwonnen. Hier klimt de mensch niet op, maar daalt God af. Ja, God zelf heeft zich aan Israel doen kennen. Al worstelend en strqdend heeft Hij Israel opgevoerd tot een hooger niveau. Israel was daardoor een edele twijg, maar dat verhinderde het wilde hout niet. Het zuurdeeg werkte door en daardoor is voorkomen dat Israel niet met zijn Baals is ondergegaan. Integendeel, het einde van den weg werd bereikt. Wat Israel te doen had, heeft het gedaan. Het heeft den Messias voortgebracht. Van de gelegenheid om met den geachten spreker van gedachten te wisselen werd slechts even gebruik gemaakt door ds. Van Schuppen van Groot-Ammers die de vraag stelde of David in zqn daad met Batseba gezondigd had tegen het recht Gods of tegen het 7e gebod. Prof, Noordtzij antwoordt dat hierin geen tegenstelling mag gezocht worden. Van het recht Gods is de grondwet gegeven in de Decaloog (wet der tien geboden). De bezitsverhouding was vastgesteld door Israels God en daaraan voelde ook David dat hq zich onderwerpen moest, De Voorzitter brengt hierop prof. Noordtzij den dank der vergadering voor het mooie stuk werk dat hij in ons midden heeft willen voordragen. De zaak waar het om gaat interesseert ons ten zeerste. Daarom verblijdt het ons groote-Iqks dat de geachte spreker in staat was dit licht op deze zaak te doen vallen. De Voorzitter roept prof. Noordtzq dan ook gaarne een tot weerziens toe. Deze verklaart zich op verzoek gaarne bereid zqn referaat aan het Bestuur af testaan, opdat het weer in brochurevorm zal kunnen verschijnen. Nadat hierop de Voorzitter de aanwezigen, die nog geen lid waren, aangemaand heeft zich bq den Bond aan te sluiten en hij de collecte heeft aanbevolen, die als gewoonlijk aan de deur gehouden zal worden, verzocht bq te zingen het laatste vers van Psalm 105, waarna op zijn verzoek prof. dr. Noordtzij voorgaat in dankzegging.
De middagvergadering wordt ten 2 uur geopend met het zingen van Psalm 119:65 en gebed door ds. Batelaan van de Bilt. De Voorzitter heet alsnu de talrijke aanwezigen op deze ledenvergadering welkom en spreekt een kort woord over den eisch van den toestand, inzonderheid wat de verhouding van kerk en Staat betreft.
De agenda van de middagvergadering gaat nu behandeld te worden. Terwgl dan ook gelegenheid gegeven wordt voor de aan de orde zqnde Bestuursverkiezing wordt het woord gegeven aan den Secretaris tot voorlezing van de notulen der vorige jaarvergadering, die ongewijzigd worden goedgekeurd. Hierop brengt'de secretaris het jaarverslag uit, dat we in zijn geheel hier laten volgen, om ook de leden die niet ter vergadering waren overzicht te geven van den staat van onzen Bond.
Het luidt ala volgt:
Was het vorig jaar met het oog op een toen aan de orde zgnde rapport, ons verslag vrg breed, het komt ons voor dat we thans met enkele korte mededeelingen kunnen volstaan.
In het afgeloopen jaar toch hadden in ons Bondsleven niet vele gebeurtenissen plaats, die buitengewone vermeldjng verdienen.
We mogen beginnen met te constateeren dat wat de belangstelling en het ledental betreft, een langzame maar gestadige vooruitgang te speuren is. Ongeveer 120 nieuwe leden traden tot ooze Bond toe, terwijl twee nieuwe afdeelingen werden opgericht, waarvan één te Dordrecht en één te Zeist, die zich beiden in toenemende belangstelling verheugen mogen. Natuurlijk moesten ook enkele leden, hetzij door bedanken of loor overlqden van onze lijst afgevoerd worden, maar dit neemt niet weg dat het getal onzer leden toch met ongeveer 100 gestegen is en thans ruim 1400 bedraagt.
Als naar gewoonte lieten de meeste afdeelingen niet veel van zich hooren. Alleen , Gouda" zond ook ditmaal het in art. 8 van het Huishoudelijk Reglement bedoelde verslag bij het hoofdbestuur in, maar uit hetgeen bg den Penlingmeester inkomt, blqkt toch wel dat ie meeste onzer afdeelingen nog geen ïwgnend bestaan hebben. Voor onderscheidene werden ook in den afgeloopen winter één of meer spreekbeurten vervuld.
Behalve voor deze afdeelingen werd ok in vele gemeenten op verzoek van len Kerkeraad een spreekbeurt gehouien, Aanvragen om spreekbeurten kwanen bij mg in uit de navolgende plaaten : Groot-Ammers, Rotterdam, Veeneniaal, Montfoort, Sprang, Eemnes-Buiten, Werkhoven, Bergambacht, den Bommel, Middelharnis, Woubrugge, den Ham, Wierden, Kampen, Ooltgensplaat, Ooster-Nijkerk, Alphen, de Bilt, Benthuizen, Vlissingen, Giessendam, Rgssen, Leeriam, Bodegraven, Harderwgk, Oud Beierland, Monster, Genemuiden, Hoornaar, Sliedrecht, Raamsdonk, Huizen, Wezep, Zetten, Jaarsveld, Feiijenoord, Middelurg en Leerbroek. Bovendien schgnen ook in enkele andere plaatsen buiten het hoofdbestuur om nog beurten vervuld te zgn, hetzg dan door den predikant der gemeente zélf of door 'n ander dien men hiervoor zelf had gevraagd, behalve door enkele bestuursleden waren deze beurten vervuld door ds. van Lokhorst, ds. van Wijngaarden, ds. de Bruin, ds. van de Pol, ds. Pop, ds. Bleshaar, ds. Nugteren, ds. van Lutterveld, ds. Plantinga, ds. Lutegn, ds. Lutterveld, ds. Plantinga, ds. Luteijn ds. Kievit, ds Pott en ds. Lans. Slechts aan enkele aanvragen kon tot hiertoe niet voldaan worden, omdat zich behalve de aangevraagde ook geen andere spreker beschikbaar wenschte te stellen. Het regelen van deze spreekbeurten brengt natuurlijk altoos eigenaardige moeilijkheden met zich, vooral omdat verschillende predikanten, soms ook buiten hun schuld, zoolang op antwoord laten wachten. Het zal den Secretaris dan ook van veel zorg en werk ontlasten, en hem dus hoogst aangenaam zgn, wanneer de vergadering mocht besluiten straks op voorstel van de afdeeling Alphen daarvoor een afzonderlijke Commissie te benoemen en hg hoopt van harte dat hierdoor een betere regeling bevorderd zal worden.
Behalve de propaganda door deze spreekbeurten gevoerd, ging "de Waarheidsvriend" wekelgks voort om onze beginselen te verbreiden. Wel was hier een schaduwzgde, en wel deze, dat ten evolge van de hoogere exploitatiekosten den abonnementsprgs een-en andermaal moest verhoogd worden, maar daar stond de lichtzijde tegenover dat naast de artikelen van onzen Hoofdredacteur e, a, , ook weer artikelen van de hand eens Hooggeleerden verschenen. En dat ook deze artikelen hoogelgk gewaardeerd worden, bewijst wel een der ingezonden voorstellen onzer agenda, dat straks behandeld zal worden.
Wat onze Fondsen betreft, waarvan de gewenschte bg zonderheden u wel van onzen Penningmeester zullen geworden, kan ik u alleen mededeelen dat uit ons studiefonds reeds elf jongelieden, hetzg student of Gynmasiast, bg hunne studiën een kleinere of grootere toelage ontvangen. Dat Fonds beantwoordt dus reeds aan het doel waartoe het werd gesticht, en wat het Leerstoelfonds aangaat, blgft het het Bestuur een zaak van ernstige overweging om een weg te zoeken, waarlangs aan het voorstel, dat straks van , Zegveld" aan de orde zal komen, uitvoering gegeven kan worden.
Wat" voorts de oplossing van ons kerkelijk vraagstuk betreft, laat het Bestuur niet na zgn volle aandacht te wijden aan al wat hieraan dienstbaar kan zijn.
Meermalen werd op onze Bestuursvergaderingen, den ernst der tgden in aanmerking genomen, beraadslaagd over wat te dien opzichte gedaan zou kunnen worden. Maar de samenstelling der dingen is zoo ingewikkeld dat we telkens weer voelen voor schier onoplosbare moeilijkheden te staan. De snelheid waarmee we tegenwoordig leven maakt het waarlijk niet gemakkelgker om den weg te vinden, waarlangs het tot oplossing van de bestaande problemen komen moet. En toch dringt anderzgds juist de ontzaglgke ernst onzer dagen er toe om den gang van zaken niet aan anderen over te laten, maar ook zelve de bestaande moeilgkheden onder de oogen te zien.
Intusschen blijft het onze bede dat de Heere onze schreden ook te dien opzichte zal zetten in Zgn spoor, opdat onze voet niet uit moog' glijden. Wg hopen dat de Heere ons schenken zal het licht van Zgne genade en van Zijnen Heiligen Geest, opdat in dien weg al de arbeid van onzen Bond nog eens het middel in Gods hand mocht blijken om onze diep gevallen Kerk ten zegen te zgn.
(Slot volgt.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's