Allerlei.
Spurgeon en de vogels.
Spurgeon verhaalt in een zijner preeken het volgende: Eens staande in het midden van den winter aan het venster van mijn studeerkamer, strooide ik op het balkon wat kruimels voor de vogels. Het eerst kwam een roodborstje, dat zooveel oppikte als het maar kon. Het ging weg, doch kwam spoedig met een groote menigte musschen en andere vogels terug; ongetwijfeld had het, hoewel ik zijn taal niet ken, tot hen gezegd: „Daarboven zijn kruimels; komt met mij mede, dan kunt ge ook wat krijgen!"
Eiken dag kwamen zij in steeds grooter aantal, en ik zou niet weten hoe dit kon, als zg het niet aan . elkander verteld hadden. Een hunner — of het het roodborstje was of een der musschen, weet ik niet — heeft het zeker ook verteld aan een kraai.
Toen deze om het balkon was gevlogen, stond ze daar wel een minuut stil, doch toen ze mij zag, vloog zij eensklaps weg. Zij dacht zeker: „Die man houdt niet van kraaien".
Doch zij kende mij niet, want het deed mij genoegen haar te zien, en ik zou wel gaarne een menigte kraaien gezien hebben. Maar het roodborstje ging naar haar toe en vertelde, dat ze al drie dagen daar was gekomen, dat ik haar nooit kwaad gedaan of bedreigd had, en, na een weinig overredens kwam de kraai terug, en het roodborstje scheen er schik in te hebben, dat hij haar teruggebracht had: , samen kwamen ze op de kruimels af en deden een goed maal.
„Daar zijn", aldus eindigde Spurgeon zgn preek, onder u lieve roodborstjes, die reeds zoolang van mijns Meesters kruimels hebben gegeten; gij hebt ook wel eens eenige musschen medegebracht om met u te smullen. Doch ziet nu ook eons een zwarte kraai te lokken, en als er een is grooter en zwarter dan de andere, brengt haar hier, want Jezus heeft gezegd, dat Hij niemand zal verstooten, Hij, die was de vriend van tollenaren en zondaren.
Maar al te waar.
Daar zijn menschen, die zich zoo hartstochtelijk inspannen om maar te verdienen, dat ze nergens moer oog en hart voor hebben dan voor „geld!" Het blinkt hun tegen als zij ontwaken; het bepaalt hun gang hun doen en laten, al de uren van den dag, van den avond, van den nacht zelfs; het gunt hun geen andere rust, dan den tijd waarin de slaap hun oogleden sluit, moegetuurd op de cijfers van winst en verlies.
Rodert Hall gaf eens zulk een ongelukkigen geldjager een treffende les. „Mijnheer", zei hij, „ziet gij dit goudstuk ? Het is op zichzelf maar klein; maar als ik het vlak tegen mijn oog houd, is het juist groot genoeg, om van het licht van Gods vriendelgke zon en van de heerlijkheid van Gods hemel en aarde letterlijk niets meer te zien.
Maar al te waar! Een echte geldjager wordt een volslagen egoïst. Zijn hart is bg zijn schat — ach, die schat is zoo koud!.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 maart 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's