Stichtelijke overdenking.
Jezus dan wetende alles wat over hem komen zoude, ging uit, en zeide tot hen; wien zoekt gij ? Zij antwoordden hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: k ben 't. En Judas, die hem verried, stond ook bij hen. AJs hij dan tot hen zeide: Ik ben het, gingen zij achterwaarts, en vielen ter aarde. Hij vraagde hun dan wederom: Wien zoekt gij ? En zij zeiden: Jezus den Nazarener. Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat ik 't ben. Indien gij dan mij zoekt, zoo laat deze henengaan; Opdat het woord vervuld zoude worden, dat hij gezegd had: Uit degenen, die gij mij gegeven hebt, heb ik niemand verloren. Johannes 18 : 4-9.
Van de gevangenneming.
(Vervolg).
Op ditmaal nog in den hof met Hem. In Hem, bizonder in de genade van Christus, wordt de liefde Gods gekend, en een der vroegere wandelaars naar Zion zeide: in de genade van den Zoon is een „venster", waardoor ik in den hemel zie.
Zij konden het vreemd zeggen, die ouden. Gij hebt er ook gekend, die zich soms zeer overdrachtelijk uitdrukten, zoodat gij aan bloedverwanten moest vragen: wat bedoelt hij nu eigenlijk, 't Kwam wel terecht. Vooral als de avondzon daalde en de Heer e kennelgk wenkte, bq ouden van dagen onder 't genot van geestelijke nabqheid Gods; 't viel mg" wel eens op, dat de beeldspraak uit Gods Woord geliefd en gebruikt werd.
Als nu die oude wandelaar gelijk heeft, wat is het dan een zoete overdenking, de overdenking van de genade des Zoons.
In 't vorig artikel wezen we op de gewilligheid van Jezus tot Zijne overgave, en spraken over Zgne Majesteitsbetooning in de nederwerping van allen, die Hem zochten te binden.
Wij verwonderen ons over de verdraagzaamheid Gods, en dit temeer, als wij zelven jaren door Hem gedragen ons weten in onzen onbekeerden toestand, en zeggen moeten: o, God! wat is het een wonder, dat Gij mij tom niet met de wapenen in de hand tegen U hebt doen sterven.
Zou er onder hen, die daar gewapend, door eigen wapenen gewond wellicht, nederlagen, nog een enkele zijn, die later bekeerd is geworden en er een grondige weldaad in leerde prqzen, dat hij nog mocht opstaan?
Een weldaad was het, dat zij allen — 'k lees niet, dat er iemand door schrik bevangen is blijven liggen, en niet weer oprees — dat zij allen opstonden.
Toen heeft de Heere hun ten tweeden male gevraagd: Wien zoekt gij? om Zions vertroosting, al zou het ook voor hen verzwaring van hun oordeel zijn.
Teederder ditmaal Zijn vraag. en nadrukkelijker is op ditmall zijn vraag. Deernis klinkt in Zgn stem met den ijdelen waan en diepe dwaasheid.
Er was tgd om zich voor Hem te buigen en als de hoofdman, afgezonden naar Elia, met smeeking te komen : och, Heere, laat toch mijne ziele en die van hen, die met mg zijn, dierbaar zgn in Uwe oogen! Niemand spreekt, al siddert een enkele; 't anassale in de uiting van boosheid sterkt niet alleen de boosheid, doch verstikt bij den enkeling de betere indrukken.
't Moet verder. Daar is in gewichtige momenten van 't volksleven de drijfkracht, de zuigkracht der helle kennelqk. En toen vooral.
Men heeft den moed om te herhalen: Jezus van Nazareth! Verwondert u er niet over, dat ze dit durven; een mensch durft zooveel, en 't ongeloof is zoo sterk.
De z.g. vrijen zgn gebonden en onder de krachtigste betooningen van Majesteit wordt een menschenhart niet veranderd; dit is duidelijk.
Wel bevreemde het u eenigszins, dat ze de handen niet aan Hem sloegen — immers de aanwgzing van Jezus was reeds voorafgegaan — zoolang ge op die menschen ziet; doch hoogere leiding werd hier openbaar; ze konden Hem niet binden, dan naar Zijnen wille en met Zijne goedkeuring.
Hg blijkt zoo heerlijk die Almachtige Koning te zijn, tegen Wiens wil zich geen schepsel roeren kan noch bewegen.
Zegt Hg wederom: „Ik heb u gezegd, dat Ik het ben, dan is het u, alsof Hij hun thans verlof geeft hun last te volvoeren, gelijk ze het dan ook spoedig daarna doen.
Zouden de discipelen toen reeds het inzicht gehad hebben, dat zij en alle volk niet konden worden verlost dan door deze banden van den Zone Gods en dat juist dit Godslam ter slachting moest worden geleid, opdat zij in Zgnen dood hun leven zouden hebben? Zouden ze gezien hebben, dat het zonder Hem nooit met hen terecht kon komen?
Later bleek duidelgker, dat de Heere een kleinwetend volk, dat met eigen onverstand heel wat te tobben heeft en doorbrengt, geheel en al bij voller licht in 't geheim der liefde ingeleid, hun heel deze handeling schooner wordt. HemeUicht klaart ook Gethsemané en bizonder de gevangenneming op.
Wie kon denken, dat de Heere toen van Zijn borgtocht zulk een heerlijk getuigenis zou geven en in eene kleine omstandigheid, met een enkel woord voor de geslachten zeggen, waarom Hg in dit Igden kwam en wat allen, die „aan Zgn kant" gebracht worden, van Hem hebben te verwachten?
't Gebeurt soms, na een bewolkten dag, dat de zon, als zg zich ten ondergang, neigt nog heldere stralen uitzendt.
Zoo is het hier en telkens in de laatste dagen des Iijdens. De Heiland had er van gesproken, dat de goede Herder — wg belijden: er is er maar Eén I — Zgn leven stelt voor Zijne schapen. Hoe heerlijk wordt u dit woord, nu gg van dezelfde lippen verneemt, dat Hg zegt: „Indien gij dan Mij zoekt, zoo laat dszen gaan."
't Is me, alsof ik Hem Zgne hand als een schild zie uitstrekken over Zijne jongeren, terwgl ik achter die jongeren een gansche menigte zie van menschen, die als Zijne schapen ge teekend worden door den H. Geest; en die.menigte groeit nog aan overal, waar zielen worden bezocht met 't heil des Heeren en roemen mogen: Mgn schild en mijn betrouwen, Heere, dat zgt Gij van de toepassende vrucht van den arbeid Zgner ziele spreekt u toe dit woord van vrggeleide, bedongen voor alle de Zgnen.
En dit vrijgeleide vraagt Jezus niet voor hen, als een gunst van die menschen, maar Zgn Woord is bevel, is eisch. Zou soms 't bevel gegeven zijn om ls 't kon tegelijkertijd Zijne discipelen maar mede te vangen? Men heeft dit gedacht; ik kan u dat niet zeggen; wel s 't waar, dat allen die Jezus willen binden en Hem zoeken met hunne lantaarnen enz., genegen zijn Zgne discipeen in hunne strikken te vangen.
Mamix van St. Aldegonde schreef wel onder zijne brieven, dat hij zijne vrienden beval aan de heilige hoede; en die heilige hoede, wat is ze veilig!
En deze hoede — 't kan navraag Igden I — valt altijd mee voor arme, dwaze en hulpelooze zielen, gekneld in banden van den dood en wien de angst der helle soms allen troost deed missen.
Wie zou gedacht hebben, dat in deze ure van donkerheid zulk een licht zou uitstralen over 't werk van den Messias, Hij, rechtvaardig voor onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou brengen ?
Hij bedong voor hen veiligheid, zeker opdat ze een open deur zouden hebben om Zgn Evangelie uit te dragen, doch meer nog, dat zij weten zouden, wat ze aan Hem hebben en zullen hebben in moeUijke levenservaringen en allerlei geestelijke nooden,
't Is mij, met anderen, alsof ik in veel hoogeren zin Hem hoor ëpreken tegen zonde, satan, dood en verderf en zelfs tegen nijdige menschen: Indien Gg Mij zoekt, zoo laat deze arme schapen gaan.
Christus' borgtocht is uitnemend schoon geteekend in dit woord.
Van geheel Zijn verzoenend lijden en sterven kan worden gezegd .• in Zijne gebondenheid ligt de grond voor mijne vrijheid, en naar de mate mijns geloofs geniet ik uit deze dingen.
De Heere trekt Zgn vrij geleide nooit in.
Als een mensch komt in te zien, dat naar Gods recht satan en zonde (een gansche menigte!) hem binden moest met eeuwige banden, dan wordt die mensch in de erkentenis van Gods recht verbroken, door den Heere getroost, en wordt 't wonder groot, dat hij vrijkomt om Jezus' wil.
Daar zijn „gebondenen" die hopen, die bevestigd werden, die juichen mochten in den Heere, die van de gegevenen Zijns Vaders niemand verliest.
Hij dekt allen, die achter Hem aankomen, met Zgn werk der verzoening en met het woord Zijner zegening.
O ! gewillige Hoogepriester, o machtige Koning, o trouwe Borg, doe het ook mij !
Daar komen ernstige vragen op ons af uit het bovenstaande.
Al dadelgk dringt zich de noodzakeIgkheid van 't onderzoek bij ons aan, als wg onszelven de vraag stellen, aan wiens zgde wij staan.
Een vriend in schgn en niet in zijn heeft zoo'n gevaarlijke positie.
Licinus was een man met groote gaven en ging voor een tgd mêe met de belijdenis der waarheid. Later misbruikt hg zgne gaven, als sommigen onder ons, in vgandschap tegen den Christus. Augustinus schrijft hem: „O, hoe zou ik over u kunnen weenen en treuren, nu gg zoo schitterend vernuft veil hebt in den dienst des duivels."
Die zijn harte verhardt zal in het kwaad vallen I
Is er bg uiterlijke toestemming geen innerlgke goedkeuring en liefde tot Gods waarheid, 't is zoo kwaad, want dan zoeken wg eigenlijk Jezus te vangen om ons van Zijn Woord te ontslaan. Ergert gg u aan Hem en Zijn leer, gij komt straks onder Zijne vijanden.
Gelukkig, die Hem uit oprechte zondaarsbehoefte zoeken te binden en Hem zeggen mogen: maar Heere, Gij hebt toch gezegd: zoekt Mij en leeft. Nu dan, ik zoek Uw aangezicht, o Heere, doe naar Uw Woord; die de banden hunner zonden mogen leggen op de banden, waarmee men Hem gebonden heeft, naar hoogere rechtsorde en ondervinden, dat Zijne banden hunne vrijheid zijn.
De Heere binde ons met de koorden des geloofs en der liefde en geve ons Zijnen vrede !
Dan komt het wel uit, dat vaak vluchtende vrienden, tot hun innig leedwezen, geen vijanden zgn, geen overloopers worden naar het kamp dergenen, die den Heere haten, maar behouden blijven onder de protectie van Hem, die zeide: Niemand zal Mijne schapen uit Mgne hand rukken. Niet één blijft er achter.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's