Stichtelijke overdenking.
„Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." Luc. 23:34a.
Het eerste Kruiswoord.
Zoo is dan Jezus, als een misdadiger, buiten de stad gebracht en is op Hoofdschêelplaats aan een kruispaal vastgespijkerd, om in levenden lijve ten toon gesteld aan een joelende menigte, onder ondragelijke smarten weg te sterven. Haast ongelooflijk.
Niet om in te denken, wat dat is geweest!
Want neen, hoe meer we er over denken, hoe meer we het ons trachten voor te stellen en ons trachten in te leven in deze dingen — hoe meer we gevoelen, dat we het eigenlijk niet kunnen verstaan.
Hoe diep wordt de vijandschap; hoe hoog vlamt de haat!
Wat 't meest te zoeken is by de leidslieden des volks, maar wat ook overgeslagen is bij de schare, die den Gehangene beschimpt en bespot en zich verheugt, dat Hij nu terecht gekomen is, — Hij, die Zich Koning noemde en Gods Zoon — tusschen twee moordenaren. Zoo komt Hij mooi aan Zijn eeri 't Is Zijn verdiend loon bij al Zqn hooghartige aanstellerig!
Zoo redeneert men. En men weet niet, wat men zegt.
Men verstaat niet wat God nu in dit alles bezig is te doen. Men beseft niet, waartoe Jezus zich tot dit alles nu geeft.
Want neen, 't is ten slotte niet Kajafas of Herodes of Pilatus die dit alles doet. 't Geschiedt naar Gods Raad. En de Heiland ziet er ook Gods hand iu. Hij weet dat Zijn Vader het alzóó heeft gewild. Hij heeft er vrede mee. Hij gaat ook nu geheel óp in de dingen Zijns Vaders. De liefde tot Zijn Vader en de liefde tot Zijn volk verslindt Hem. Zóo zal God aan Zijn eer komen en zal Sion worden verlost. En daar geeft Hij Zich gaarne voor, ook als het door den gevloekten dood des kruises moet.
Aan den voet van het kruis beseft men daar niets van. Men dobbelt wat. Men praat, men spot. Maar dat nu de liefde Gods op 't hoogst geopenbaard wordt, waar de Vader Zijn eeniggeboren Zoon geeft tot in den dood des kruises, dat gaat aan 't hart der schare voorbiij. En dat Jezus Christus nu worstelt met den overste der wereld, om Gode het rantsoen te betalen, tot verzoening Zijns volks, dat ziet men niet.
Uit het eerste kruiswoord wordt ons dat openbaar. Jezus denkt niet aan Zichzelf, ook niet nu dè smart en de schande op 't hoogst geklommen is.
Hoe gemakkelijk had anders een aanklacht van Zijn vijanden over Zgn heilige Uppen kunnen komen. Had Hij hun ooit kwaad gedaan? Had Hg ook maar in eenig ding misdreven? Immers neenl En daarom had Hg nu tot God kunnen schreien en roepen, zeggende: .Heere, Ik haat hen, die U en Mg haten; verderf hen met vuur van den hemel, want het is een volk van Belials kinderen, die onschuldig bloed vergieten en dat bloed hebben ingeroepen om er de gevolgen van te dragen I"
Zou zoo'n bede om wraak en straf niet zign te verstaan?
Werd Elisa niet gewroken, toen het goddeloos opkomend geslacht hem, den profeet, op straat bespotte ennajouwde? Kwamen er toen niet een paar beeren om het boos gebroed te verslinden?
En ging het nu niet met onmenscheijke haat en helsehe boosheid tegen den geliefden Zoon des Vaders, tegen den Gezalfde Gods?
Werd Elia niet gewroken en in eere gesteld tegenover hen, die kwamen om hem te vangen, met vuur van den hemel?
Johannes en Jacobus zouden het dan ook wel geweten hebben I Die wilden indertijd de Samaritanen met vuur uit den hemel gestraft zien, toen zij den Heiland geen gastvrijheid wilden verleenen. En Paulus geeft Alexander den Kopersmid en Hymenaëus, die hem zooveel kwaad gedaan hebben in zijn ambt en in zqn werk, ten slotte aan den duivel over.
Maar hier met Jezus aan 't kruis staat het zoo dnders. 't Is nu een bede die over Zgn heilige lippen komt; een bede tot Zijn Vader, om de schare van Joden en heidenen niet oogenblikkelijk te doen wegzinken in de eeuwige verdoemenis, zooals een Korach, Dathan, en Abiram verslonden werden met hun gezin of zooals Ananias en Saffira dood neer vielen voor de voeten van de Apostelen.
De volmaakte Hoogepriester, Die nu met Zijn eigen bloed ingaat in het binnenste heiligdom dat boven is, vraagt Zijn Vader hen nog te dragen en te sparen, opdat er van hen nog bekeerd zullen worden en zullen ingaan in het Koninkrijk Gods, met aanroeping yan den naam des Heeren.
Om Zgn Sion te behouden, ddarvoor was Christus op aarde gekomen. En Hij kent degenen die de Zijnen zijn. Hg draagt ze op Zgn hoogepriesterlijke borst, ook waar ze nu nog blind en verdwaasd zijn, niet bekennende wat tot hun eeuwigen vrede dienen moet.
Of ze dan niet schuldig stonden voor God?
Zeker! Hoort maar, hoe de Heiland voor hen smeekt, dat Zijn Vader het hun vergeven mag, wat zij nu misdrijven. Dat wijst immers op hun schuld en zonde I Dat beteeken t immers, dat, indien God met hen in 't gericht wil treden en gadeslaan hun ongerechtigheden, de Heere hen aanstonds zou moeten wegdoen van voor Zijn aangezicht, waarbij niemand God zou kunnen beschuldigen van onrecht.
Maar de schare wordt Hem op de ziele gebonden. En Hij bidt voor Zijne vijanden. Hg pleit voor Zijne hateren, die Hem geweld aan doen. Hij worstelt met Zijn Vader, öm hen te behouden van den eeuwigen dood vol rampzaligheid; om hen los te koopen uit de macht der hel en uit de klauwen van den menschenmoorder van den beginne.
O! dat is een wonder, Goddelgk mysterie, die worsteling van den Zoon, hangende aan het kruis, om Zijn Vader te bewegen tot genade, opdat er nog toegebracht mogen worden tot de beerving van het koninkrijk Gods,
De grootere Mozes bidt nu: „keer af, o. Vader: van de hittigheid Uws toorns en laat het U over het kwaad Uws volks berouwen."
En gelijk we in de geschiedenis van Mozes, na de zonde des volks, 't welk danste rondom het gouden kalf, lezen, zien we ook nu geschieden: „Toen berouwde het den Heere over het kwaad, hetwelk Hg gesproken had Zijnen volke te zullen doen." Want de schare aan den voet van het kruis wordt gespaard. Ze worden niet verteerd door den adem Zijns monds. En straks zien we een hoofdman tot de beljdenis van den naam van Jezus komen. We zien de schare naar huis gaan, slaande op hunne borst. Ja, als weinig tgds daarna het evangelie des kruises gepredikt wordt door Petrus en zijn medediscipelen, dan komen ze aanvliegen als duiven, eerst drie duizend, daarna zelfs vijf duizend, en van de overpriesters en farizeën worden zelfs ingeschreven als onderdanen van Koning Je^us, om te wonen in het midden van Gods Kerk, vervuld met den vrede des harten, die alle verstand te boven gaat.
Nóg wordt de wereld gedragen in het gehengen van Gods langmoedigheid, op de voorbede van Jesus Christus den Heiland der wereld.
Ook nu staat men aan den voet van het kruis en betoont z'n vgandschap tegen den Christus Gods.
Zie in andere landen wat er nu geschiedt. Zie ook op óns volk, wat het doet.
Een zonde, welke Gods straffen en oordeelen afdwingt van den hemel; terwgl 't een gruwel is voor het aangezichte van het heilig Opperwezen.
En men weet beter nu, wat men doet.
Wien veel gegeven is, van dien zal zekerlijk eenmaal veel gevraagd worden I
Maar nóg verdraagt de Heere.
Nóg bidt de Verheerlijkte en verhoogde Hoogepriester Jezus Christus, Die big den Vader worstelt om de losmaking van Zijn volk uit de strikken des doods; om het behoud de» Zijnen uit de macht des boozen.
Zal zgn bede verhoord worden?
Zal het uitbreiden Zgner handen in het binnenste heiligdom vruchten dragen ?
Ook in de bangste tijden gedenkt de Heere Zijn verbond en ook als't schijnt, dat er niemand is overgebleven, heeft de Heere nog de zijnen, die hun knie voor Baal niet gebogen hebben.
0! wat zou het heerlijk zgn, als ook nu de viijanden naar Hem mochten leoren omzien, om Hem te aanbidden Die te prijzen is tot in eeuwigheid!
Dat de leeuwen eens mochten worden als lammeren; dat de wolven eens werden gemaakt tot schapen!
Dat de spotters eens Zijn deugden leerden groot maken; dat vganden eens verbreiders van Gods eer werden!
Alles als wondere vrucht van het kruis!
Alles als buit, door Hem behaald, die Zijne ziel heeft uitgestort in den dood.
En dat ónze zonden maar bedekt mogen zgn in Zijn bloed. De vergeving toch van onze schuld moeten we kennen, enkel om Christus' wil. En rustend op Zijn voorbede, steunend en leunend op Zgn kruis-en zoenverdiensten, zullen we moeten kennen, bg aanvang en bg voortgang, dien vrede die alle verstahd te boven gaat, overgezet zijnde in een nieuwen en verzoenden staat met God.
Want blijven we in onze zonden, dan zal Gods wraak ons treffen en niemand zal in het gericht bestaan. De zonden zullen hooger rgzen dan de bergen en onze ongerechtigheden zullen zign zonder tal.
Dan zal Christus onze Rechter zgn.
En Hem te ontmoeten zal wezen om te worden uitgeworpen voor eeuwig, waarbij niemand den Heere zal kunnen beschuldigen van onrecht.
Is het dan nog niet het heden der genade ? Is het dan nog niet de welaangename tgd, de dag der zaligheid? Is het dan nog niet, dat de Groote, medelijdende Hoogepriester zegt: wendt u tot Mij en wordt behouden?
Dat we dan den tijd uitkoopen. En dat we met Christus' Kerk mogen leeren zingen:
Geen vader sloeg met grooter mededoogen. Op teeder kroost ooit zgn ontfermend' [oogen Dan Isrels HEER op ieder, die Hem [vreest. Hg weet, wat van Zijn maaksel zij te [wachten; Hoe zwak van moed, hoe klein wij zijn [van krachten. En dat wij stof, van jongs af, zijn geweest. Ps. 103:7.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's