Verslag
van de 14de Jaarvergadering van den Geref. Bond op Woensdag 19 Maart 1919 in het Gebouw voor K. en W. te Utrecht.
II.
Na den Secretaris bekomt de Penningmeester het woord. Een jaarvergadering zonder hem zou dan ook haast niet denkbaar wezen. Als hij voor den lessenaar treedt is de vergadering aanstonds één en al oor. De algemeene gedachte is dan: wat zal er weer komen? en met klimmende aandacht worden zgn mededeelingen gevolgd. Ook ditmaal stelde de Penningmeester ons niet teleur. Het verslag, dat door hem op de gewone geestige wijze werd uitgebracht, getuigde ook op financieel gebied .van toenemenden bloei. Wel bleek „De Waarheidsvriend" geen aanzienlijk bedrag in het Leerstoelfonds gestort te hebben, maar daar stond tegenover dat, ook afgezien daarvan, de inkomsten van onze beide Fondsen weer niet onbelangrijk vermeerderd waren, zoodatjn het afgeloopen jaar selfs een zóo hoog bedrag was ontvangen als te voren nog niet was bereikt. Het was dan ook zeker een woord uit het hart der vergadering gegrepen als de Penningmeester boven den gevers den Heere de eere gaf voor den ongekenden bloei, waartoe onze Pofidsen geklommen zgn. En de vergaderden zullen zeker toonen dat zij het den Penningmeester in dank afnamen, toen hg zich bij voortduring in hun nog grootere milddadigheid en mededeekaamheid aanbeval.
Als de Voorzitter den Secretaris en den Penningmeester dank heeft gezegd voor hun verslagen en voor den arbeid door hen verricht, stelt hg aan de orde een voorstel van de afdeeling Alphen om nl. de spreekbeurten, die gewoonlijk in den winter hier en daar gehouden worden, voortaan te doen regelen door een daartoe te benoemen Commissie.
De afgevaardigde van de afdeeling Alphen meent dat de regeling dan beter zal zgn en men niet zoo lang op antwoord zal behoeven te wachten als dat nu wel eens het geval is. Verschillende leden, waaronder de afgevaardigden van Gouda en van Feyenoord, benevens de heer de Jeu van Oudshoorn, voeren over deze kwestie het woord. De Voorzitter zegt dat deze zaak ook in de Bestuursvergagdering een punt van overweging is geweest en dat het Bestuur tot de conclusie is gekomen dat, als de regeling in plaats van door één'persoon, door een Commissie zou moeten geschieden, men dan juist het omgekeerde zou bereiken van hetgeen men wenschte. De oorzaak dat men wel eens wat lang moet wachten ligt eenvoudig hierin dat niet alle gevraagde sprekers zich aanstonds beschikbaar stellen en ook vaak lang op hun antwoord laten wachten. Maar hierin zou een Commissie toch ook geen verandering kunnen brengen. Na deze toelichting blijkt op de vraag van den Voorzitter niemand voor verandering te zgn, zoodat de zaak op den ouden voet geregeld zal blijven worden.
Intusschen is de uitslag van de bestuursverkiezing bekend geworden. Hieruit blijkt dat ds. van Grieken en ds. van der Snoek beiden met groote meerderheid herkozen zgn, terwijl in de vacature H. J. Smit, die wegens drukke werkzaambeden niet meer in aanmerking had wenschen te komen, gekozen is de heer J. G. Kruisbergen van Barneveld. Al de gekozenen laten zich hun herbenoeming of benoeming welgevallen, waarna de Voorzitter inzonderheid het nieuwe Bestuurslid, den heer Kruisbergen, welkom heet.
Het voorstel „Zegveld", dat nu aan de orde van behandeling is, om nl. aan studenten in de Theologie ook dogmatischen steun te verstrekken, vindt in de vergadering algemeen bijval. Nadat de afgevaardigde van Zegveld het voorstel heeft toegelicht, voeren hierover nog het woord de heer Kraan van Eist en de heer Binsbergen van Ter Aa.
De laatste oppert o. m. het denkbeeld om studenten, die daarvoor de noodige gaven bezitten, aan te moedigen hun studiën voort te zetten en ook het doctoraal examen te doen, en mocht dit op financiëele bezwaren stuiten, hiervoor dan gelden uit het Leerstoelfonds beschikbaar te stellen. De moeilijkheid, dat er niemand te vinden is, die een bgzonderen Leertstoel zou kunnen bezetten, zou op den duur hierdoor misschien ondervangen kunnen worden.
Ook de heer Kraan meende dat, als eenmaal de man er maar is, de gelden dan nog milder vloeien zullen.
De Voorzitter zegt dat deze dingen ook door het Bestuur ernstig onder de oogen zgn gezien. In aansluiting aan een schrgven, dat bij het Bestuur van de Geref. Studentenvereeniging „Voetius" is ingekomen, deelt de Voorzitter mede, dat ons ook ter oore kwam dat deze Vereeniging het plan had opgevat om wetenschappelijke lezingen te doen houden. Hij laat uitkomen dat het Bestuur zich niet afkeerig zou toonen om mede te werken dit plan te verwezenlijken.
Een voorstel van de afdeeling „Rotterdam" om nl. de laatstverschenen artikelen in „De Waarheidsvriend" van prof. dr, J. A. O. vap Leeuwen in brochurevorm te doen verschijnen, toont met hoeveel waardeering deze artikelen gelezen worden, maar aangezien de Bond geen recht heeft om deze artikelen als brochure uit te geven, en deze zaak geheel tot de competentie van prof. dr. van Leeuwen behoort, wordt de wenschelgkheid hiervan onder de aandacht van Zijne Hooggel. gebracht.
Alsnu zgn aan de orde de stellingen door de afdeeling „Utrecht" op de agenda gebracht. De eerste stelling betreffende den Evangelisatie-arbeid wordt toegelicht door den heer Brinkers. Deze spreekt aldus:
Dat we in een zeer ernstigen tijd leven, behoeft zeker geen nader betoog. Het breken met God en Zijn dienst neemt steeds grootere afmetingen aan. Ons volk vervreemdt hoe langer hoe meer van den God der vaderen. De Kerk, de godsdienst wordt bij de massa steeds meer bgzaak. Het stoffelijke verdringt steeds meer het godsdienstige, het geestelijke. Zeer vele oorzaken zijn daarvoor op te noemen, maar dat de Kerk en met name onze Herv, Kerk een der hoofdoorzaken is wel het meest treurige van alles. Inplaats dat de Kerk is een pilaar der vastheid, een dam tegen den stroom des afvals, moet het met smart erkend, dat de Kerk de afval zelfs grootelijks bevordert. Door de moderne prediking, door de voorlichting van predikanten, die zich niet schamen zich openlijk te scharen bg het socialisme, anarchisme, spiritisme, boedhisme en wat voor ismes meer, kan het ook wel niet anders of ons volk moet tenslotte wel komen tot het atheïsme. We zien dan ook dat ontzaglgk veel personen, ja zelfs gansche gemeenten, ja zelfs heele streken ten gronde gaan.
Christus heeft Zgn jongeren en in hen Zgn Kerk door alle eeuwen bevolen en toegezegd: Gij zult Mgne getuigen zijn. Doch de Kerk is Zijne getuige niet. Vreeselijk is het dat de Kerk haar roeping zoo verzaakt, en daar tot op den huldigen dag toe de Kerk in 't minst niet de moeite doet zich te stellen tegen den geest des tijds, zoo dacht de afd. Utrecht dat vlak voor de voeten van den Bond ligt de Evangelisatie-arbeid, welke geworden is een gebiedende eisch. Zeer gaarne zal ik de arbeid der evangelisatie, die ik mg ingedacht heb hier in 't midden brengen. De Bond benoeme een commissie van 3 leden om het werk der evangelisatie te leiden. Die commissie roepe personen op die lust hebben voor den Geref. Bond uit te gaan het Woord te verkondigen op moderne plaatsen.
Met het oog op den predikantennood is het gewenscht dat zij, die een aanstelling als godsdienstonderwijzer hebben, daarvoor allereerst in aanmerking komen. Onder toezicht van de commissie wordt een aangewezen plaats bearbeid door in allen eenvoud het Woord te spreken, persoonlgke bezoeken te doen, en catechetisch onderwgs te geven. Den mensch te brengen tot de waarachtige kennis der waarheid moet het hoogste doel zijn. Mocht een plaats met vrucht bearbeid worden, dan leeft ook vanzelf het kerkelijk leven weer op. Als voorbeeld wil ik aanhalen den arbeid van de vrienden der Waarheid. Die vereeniging was sedert 1886 gevestigd te Amsterdam. Steeds zond se evangelisten uit het moderne N. Holland in, waar zij met vrucht werkzaam geweest zijn. Met de uittreding in '86 gingèn vereeniging èn evangelisten mede. Wenschelijk is bet dat de evangelisten wonen in de plaats die hun aangewezen is, en zoogenaamd in vasten dienst zijn, zich geheel moeten wijden, en daarom ook flink bezoldigd moeten worden. De gelden hiertoe benoodigd waren voorloopig te halen uit, het Leerstoelfonds, desgewenscht zou er voor evangelisatie een nieuw fonds gevormd kunnen worden, zoodat onze penningmeester 3 pleegkinderen zou hebben Indien eenmaal de evangelisatie vaster vorm aannam zouden er ook evangelisten benevens predikanten uitgezonden kunnen worden die alleen des Zondags het Woord bedienden. Zoo meen t ik dat de Bond heilzaam zou kunnen werken, om tegen de revolutie bet Evangelie, tegen den afval den weg des o behouds, tegen het nuaterialistische het geestelijke te stellen. Opdat het Christelijk Nederland, dat jaarlgks schatten sa& m brengt ten dienste van de Zending onder de Heidenen, niet langer voorde uitwendige Zending alléén, doch ook voor de inwendige Zending gaat gevoelen, opdat ons volk niet weldra een heidensch, ja zelfs een atheïstisch volk worde.
Over de door den heer Brinkers toegelichte stelling ontspint zich een discussie waaraan o.m. wordt deelgenomen door de heeren ds. de Bruin, ds. Batelaan en Bruijn. Hieruit blgkt dat de algemeene strekking van het voorgestelde wel de instemming van de vergadering heeft, waarom dan ook besloten wordt dat het hoofdbestuur nader onderzoeken zal, wat betreffende deze zaak gedaan zal kunnen worden.
Hierna zijn aan de orde de beide andere stellingen door „Utrecht" op de agenda gebracht. De heer Jansen die op zich heeft genomen deze stellingen nader toe te lichtetn, spreekt aldus:
„Sprekende namens de afd. Utrecht, meen ik, ten opzichte van de noodzakelijk geachte samenwerking met andere groepen allereerst te moeten stellen de noodzakelijkheid tot samenwerking met die groepen in de Herv. Kerk, welke mèt ons wenschen op te komen voor een onverzwakte handhaving van de beiydenis zooals ze daar ligt, echter aangevuld en gewijzigd naar de behoeften van onzen tijd.
In gemeenschappelijk overleg en.met terzijdestelling van vele geschilpunten, welke de hoofdzaken niet raken, moeten we trachten, op bovengenoemden grondslag, te komen tot het vaststellen van een gemeenschappelijk program, waarbg het mogelijk is voortaan als een éénheid op te treden, teneinde alzoo, met Gods hulp, den stoot te geven tot opheffing van de Kerk uit haar diep verval.
De droeve tijdsomstandigheden en de geweldige gebeurtenissen rondom ons, eischen samenwerking van alle belgdende elementen in onze Hervormde Kerk.
Ten opzichte van de groten buiten onze Herv. Kerk, denkeen we ons de gewenschte samenwerking allereerst met die groepen, welke in '86 en '34 onze kerk verlieten.
Al is individueel daar het ten onzen opzichte ingenomen standpunt vaak hooghartig en weinig tot samenwerking uitlokkend, toch hebben we ons te stellen boven dit individualisme-en de hand tot samenwerking toe te steken, waar toch als gemeenschap genomen, bg die groepen een milder standpunt baanbreekt.
Te gereeder zal deze samenwerking geboren kunnen worden, indien het mag gelukken haar tot stand te brengen onder de groepen öp eigen erf.
Tot het weder verkrijgen van invloed op het volksleven is deze samenwerking der belijdende groepen noodzakelijk.
Zoo alleen kan de zuurdeesem van het christendom zichtbaar inwerken op alle terrein van het publieke leven.
De geest van verdeeldheid onder beIgders van éénzelfde religie is reeds te lang tot een vloek geweest. Daarom dit voorstel:
Er worde eenê Commissie benoemd uit het Hoofdbestuur en de leden, welke uitnoodigingen zendt aan de besturen van de andere belijdende groepen, in onze Kerk, alsmede aan vooraanstaande personen op kerkelgk gebied, tot het bijwonen van eene conferentie; om na gebleken instemming een comité te vormen, hetwelk de voorstellen voor een gemeenschappelijk program voorbereid en welke voorstellen ons ter goedkeuring op een tusschentgds te houden Bondsdag moeten worden aangeboden.
Vraagt gg mij: wat moet in stippel lijn aangegeven, straks het plan de campagne wezen van de saamwerkende brlijdende groepen in onze Herv. Kerk dan onderstreep ik nog eens, dat het accoord van gemeenschap moet zijn de belijdenis onzer Vaderen.
Niet dat we vergeten, dat we 300 jaar na, Dordrecht's groote Synode leven, Ook niet dat onze Vaderen nooit bedoeld hebben de belijdenisschriften onaangeroerd te laten als omschrijving en uitdrukking van het geloof der Kerk,
Want in beginsel zijn we het eens met hen die zeggen dat, waar aan oude dwalingen aandacht geschonken is, onze confessie de nieuwe dwaalleeringen niet doodzwijgen mag; gelijk b.v. onze Catechismus voor de leer van „het Woord Gods", dat immers door critische geesten juist nu zoo wordt aangevallen, toch eigenlijk al lang een plaats had moeten inruimen ter behandeling in het midden' der Gemeente.
Maar, zijn we dus als goed-Gereformeerden, geenszins gekant tegen revisie van onze belijdenisschriften, in wettige kerkelgke vergadering, we zien ook niet over het hoofd, dat juist nu, waar alles woelt en streeft naar verandering, het hoogst gevaarlijk zou zijn de vaste lijnen van onze Gereformeerde belijdenisschriften weg te doezelen.
We willen van de rijke erfstukken onzer Vaderen geen afstand doen om op los accoord met elkaar in zee te gaan, Dat dus allereerst: Gemeen accoord in onze belijdenisschriften.
Mochten we het over dit gemeen accoord ééns worden, dan zien wij in de toekomst niet anders, dan dat uit elkander moet wat in de kenmerkende geloofsstukken niet met elkander overeenstemt, en dat bij elkaar moet komen wat in geloove op één wortel stoelt.
Er zijn er in de Herv, Kerk, die buiten haar hooren, en er zgn buiten de Herv. Kerk, die in haar midden een plaats moeten verkrijgen, wijl het eisch is en gebod, dat broeders en zusters uit één geloof levend, saè, mwonen.
Het saêmwonen van hen, die in. geloofsovertuiging èn leven tegenover elkander staan, verkracht de inzettingen Gods, verlamt alle energie en staat allen christelijken arbeid in den weg; het wordt en is een bespotting voor de wereld.
Daarorm moet uit elkaar wat niet big elkander hoort; juist ook ddarvoor is onze belijdenis tot maatstaf gegeven.
Maar dan ook kerkelgk één, die naar uitwijzen van de confessie bg elkander hooren, en nu door allerlei oorzaak kerkelijk gescheiden leven.
Over de positie der modernen in de Kerk spreken we verder niet; over de actie van '84 en '86 ook niet.
Maar wel hebben we te vragen: hoe moet onze positie zijn tegenover hen die nu in de Herv. Kerk zgn en er niet hooren, dogmatisch, nóch kerkrechtelijk ? èn hoe onze houding moet zgn tegenover degenen, thans buiten onze Herv. Kerk, maar toch tot onze aloude Geref. Kerk behoorend? En dan is het antwoord: Noch tegenover den één, noch tegenover den ander mogen we optreden als of er de laatste honderd jaar niets gebeurd is; jüfst omdat er zooveel gebeurd is zijn de modernen er in en zij die nu kerkelijk van ons gescheiden leven er buiten.
Ook beslissen we niet wat er alzoo gebeurd is, zoowel van den eenen als van den anderen kant, maar we vatten het groote doel in het oog en zijn van meening, dat het kerkelijk vraagstuk, uitgaande van onze gereformeerde beginselen, zoo royaal mogelijk moet worden opgelost en wel, door de modernen, die van ons moeten, niet ledig heen te zenden en de thans kerkelijk van ons gescheiden levende broeders en zusters als wettige mede-erfgenamen van ons vaderlijk erfgoed te behandelen en te ontvangen.
De vrijzinnigen moeten we vrgheid geven en laten om zich zelfstandig in te richten, hun meegevend wat naar bilIgke berekening hen toekomt — en de geseheiden Gereformeerden moeten we als behoorend bg onze aloude Geref. Kerk als erfgenamen inschuiven inonzeni kring, geschaard rondom de gemeenschappelgke belijdenis.
Doen we een en ander als boven aangegeven nfét, , dan komt er nooit, noch kerkelijk noch politiek in deze een gewenschte oplossing, die we toch allen zoo vurig verbeiden.
Daar zit vanzelf aan vast de financiëele verhouding die er nu is tusschen den Staat en de sinds 1816 bestaande Kerkgenootschappen, die op allerlei wijze uit 's Rijks schatkist gesubsidieerd worden.
Ook daarin moet verandering gebracht worden, opdat de zilveren koorde niet langer belemmere en onmogelijk make de zoo gewenschte reconstructie van het kerkelijk leven en opdat bij billijke en rechtvaardige scheiding van Staats finantiën en kerkelijk eigendom in werkelijkheid ieder tot het zgae komt en de Kerk zich vrij kan bewegen naar haar aard, in gehoorzaamheid aan het Woord.
Vele zullen de moeilijkheden zijn welke zich hierbij voordoen, doch reeds te lang heeft men deze netelige kwestie onaangeroerd gelaten om nóg langer voor moeilijkheden uit den weg te gaan.
In 'sHeeren kracht, naar uitwijzen van Gods Woord moeten ze overwonnen worden om alzoo uit het moeras te geraken.
Allerwege wordt thans gevoeld, dat er gehandeld moet worden en in talmen groot gevaar ligt, welnu, men kome ook hier tot gemeen overleg en trachte deze zaak voor goed te regelen overeenkomstig aard en wezen der Kerk, rekening houdend met wat in deze is geschied in de eeuwen die achter ons liggen.
Daarover nog een enkel woord in verband met ons 3de voorstel op de agenda geplaatst, luidende:
Het vraagstuk aangaande de verhouding van Kerk en Staat worde door een vanwege den Bond te benoemen Oommissie ten spoedigste in studie genomen en hiervan rapport uitgebracht aan het Hoofdbestuur ter verdere afdoening.
Waar de huidige toestand de inzichten omtrent de verhouding van Kerk en Staat zoo een groote wijziging heeft doen ondergaan, zoowel ter rechter-als ter linkerzijde.
Waar de stelling niet meer volgehouden kan worden, dat de Herv. Kerk in de uitkeeringen van Staatswege slechts ontvangt de rente van oudtijds afgejiomen goederen.
Waar de komende gelijkstelling op schoolgebied allerwege bevrediging gewekt heeft, daar geschiede andermaal een nationale daad en worde niet langer een toestand bestendigd, welke:
1e. groot onrecht doet aan de uitgetreden groepen,
2e. voor een groot deel oorzaak is van de wantoestanden bij ons op kerkelijk gebied, en
3e. oorzaak zal zijn, dat, bij de steeds zwaarder wordende schuldenlast van het Riijk, en het zich in steeds grooter groepen losmaken van de Kerk, in korter tijd dan wg meenen, de banden, welke ons thans nog aan den Staat verbinden, buiten ons om, door anderen verbroken zullen worden.
De gevolgen hiervan behoef ik niet nader aan te duiden, het beeld staat u allen duidelyk voor oogen.
Nu nog laat het zich aanzien of we dit probleem in de door óns genoemde richting zelf kunnen oplossen, in samenwerking met de politieke partijen, mits op de genoemde wijze van medegeven aan den een en erkenning van het erfrecht van den ander.
Daarom is de samenstelling van de reeds eerder genoemde Commissie van onzentwege noodig, welke ook deze plannen verder moet uitwerken en in een rapport neerleggen en welk rapport naar buiten uit, helder moet weergeven, wat de Bond in dezen verlangt.
Vervolgens moet zij contact zoeken met de andere belqdende groepen in onze Kerk, deze uitnoodigen ook hün standpunt kenbaar te willen maken, opdat daarna in samenwerking met de politieke partijen een gemeenschappelijk accoord getroffen worde, hetwelk de op lossing van het kerkelijk vraagstuk in zich houdt, en waardoor het ideaal van den Geref. Bond in vervulling zal gaan zich geheel vrij, naar eigen beginselen te kunnen uitleven.
Ook over het door den heer Jansen gesprokene, ontspint zich een breede discussie, waaraan o.m. wordt deelgenomen door de heeren Revet, Jongenburger, Kraan, Duymaer van Twist en den Voorzitter, Algemeen blqkt men echter van gevoelen dat deze dingen veel te breed zijn om hierover nu reeds tot een beslissing te komen. Zelfs een motie er over aan te nemen vindt men niet wen schelqk. Laten we liever de dingen nog eens overdenken en met elkander in eigen kring bespreken, en laat het Hoofdbestuur, gehoord de besprekingen, dan aan deze zaak zgn volle aandacht schenken en een commissie benoemen, waarin mannen van superieure kwaliteit, desnoods ook juristen buiten onzen Bond zullen zitting hebben, om deze zaak in studie te nemen. In dien zin wordt dan ook een besluit genomen.
Dan is tenslotte nog aan de orde de vraag van den Voorzitter van de afdeeling „Delft" betreffende de wenschelijkheid van te komen tot het oprichten van een Hervormde Kweekschool. Uit de toelichttng die door den Voorzitter aan deze vraag gegeven wordt, blijkt dat het geenszins de bedoeling is het werk der reeds bestaande kweekscholen en andere inrichtingen op onderwijsgebied te onderschatten, maar aangezien telkens weer blijkt dat er bij bestaande vacaturen aan onze scholen wel onderwijzers zijn die lid zgn van de Gereformeerde Kerken, en anderzijds ook van ethische richting. maar er een groot tekort is aan onderwijzers van Gereformeerd beginsel binnen de Herv. Kerk, meent spreker dat een Hervormde kweekschool op Gereformeerden grondslag in het midden van ons land, in een groote behoefte zou kunnen voorzien.
Aangezien wegens het vergevorderde uur de vergadering reeds eenigszins aan het verloopen is, kan men thans echter op deze kwestie niet dieper ingaan. Aan de discussie wordt nog even deelgenomen door ds. Plantinga, die wijst op het hooge belang van deze zaak, den heer Duymaer van Twist, die wijst op het groote gevaar van ethische schoolhoofden voor Gereformeerde gemeenten, ds. de Bruin, die meent dat met deze zaak niet lang mag gewacht worden. Besloten wordt echter dat het Hoofdbestuur binnenkort een commissie zal benoemen, die deze zaak nader ter hand nemen, en regelen en zoo mogelijk ook tot uitvoering brengen zal.
En hiermede waren we aan het eind onzer vergadering gekomen. De Voorzitter benoemt nog een commissie, die zich belasten zal de rekening en verantwoording van den penningmeester na te zien, bestaande uit de heeren ds. Batelaan te de Bilt en Van Es te Zeist, zegt het bestuur van de afdeeling „Utrecht" dank voor het nemen der maatregelen, die voor het voorbereiden dezer vergadering noodig waren, en verzoekt hierop, nadat nog gezongen is Psalm 84:4, ds. Remme om de vergadering met dankzegging te sluiten.
De vergadering ging hierop uiteen onder den algemeenen indruk dat het ons goed was aldaar geweest te zijn.
Mogen de besluiten die genomen werden, dan ook niet nalaten, om onder den zegen des Heeren de zoozeer gewenschte vruchten te dragen,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's