De waardeering van den arbeid.
I.
De waardeering van den arbeid wordt door zeer verschillende factoren bepaald.
Niet alleen door den aard-van den arbeid zelven. Maar evenzeer door de levens-opvatting van den arbeidenden mensch.
De mensch is een tweeheid van geest en lichaam. Genomen uit het stof der aarde en bezield door den levensadem Gods, geschapen naar het beeld Gods, heeft hij in gehoorzaamheid aan de door den Schepper gestelde ordeningen zijne plaats op de aarde in te nemen.
Hel is voor hem van groote beteekenis, zigne roeping in dezen te zien, te vragen naar de plaats hem gewezen, den eisch, hem gesteld.
Krachtens zijne schepping nu maakt ieder mensch hoofdelijk deel uit van een groot geheel. De individuen bestaan niet op zichzelf, maar als onlosmakelijk deel van een organisme.
Daarom kan een ieder gemakkelijk begrijpen, dat, zoo goed als elk afzonderIgk eene roeping heeft tegenover het geheel, waarin hij is ingevoegd, ook het geheel zijn' invloed heeft op, een bepalende factor is voor den enkelen mensch.
Met name zal dit waarheid blijken ten aanzien van den arbeid, die van zoo ontzaglijke beteekenis is voor het leven der gemeenschap.
De eischen, die de gemeenschap stelt, de structuur van het sociale leven, drukken hun stempel op den aard van den arbeid, dien de individu te verrichten heeft.
En de waarde van den arbeid hangt niet uitsluitend af van de geestelijke houding van hem die arbeidt; neen, ziij wordt mede bepaald door het karakter, de soort van den te verrichten arbeid.
Zoo is er een weerkeerige werking, van den individu op de gemeenschap, en van de gemeenschap op den individu.
Wellicht kan het zijn nut hebben, iets van deze wederkeerige werking te doen zien; de vraag te stellen, hoe in het licht van Gods Woord de waardeering van den arbeid behoort te zijn; uit de historie een enkelen greep te doen omtetoonen hoe er een nauw verband is tusschen levens-opvatting en arbeids-waardeering; en om eindeliijk, de huidige ontwikkeling van het sociale leven trekkend in het licht der H, Schrift, ons af te vragen, welke eischen naar het woord des Heeren mogen gesteld worden.
Naar de H. Schrift behoort de arbeid tot den adel der menschelgke natuur. De mensch is niet geschapen tot ledigheid, tot een verdroomen van zijn leven, maar tot activiteit, tot spannen van zijne krachten, tot ontplooiing van zgn energie. Wat naar zijn seheppings-aanleg in hem is, moest naar buiten treden, in gehoorzame opvolging van het goddelgk gebod, en in overeenstemming met zijn geschapen zijn naar het beeld Gods.
Immers reeds in de schepping zelve treedt God de Heere uit als een God, die werkt. Zgn scheppingswerk is een arbeid van Zijne souvereine Majesteit, waarin Hij stelt, in het aanzijn roept wat niet God is, aan het creatuur het aanzijn schenkt.
En gelijk de scheppende daad Gods het werk is Zijner goddelijke mogendheid, eene daad, waartoe Hij gedrongen werd door niet anders dan Zgn souverein welbehagen, is ook het gansch bestand, het voortbestaan Zijner schepping alleen • aan Zijne almogende werkzaamheid te danken.
Heeft niet de Heere Jezus zelf, toen Hij werd aangevallen over eene op den Sabbat verrichte genezing, dit aldus aangeduid: „mijn Vader werkt tot nu toe"? En in dezen voortdurenden arbeid van den Vader lag de verdediging en rechtvaardiging van Jezus' eigen doen, zoodat Hij er aan toevoegt: „en ik werk ook", Joh. 5 VS. 17.
De almogende en alomtegenwoordige en altijddurende werkzaamheid Gods is de grond 'van het blijven der schepping. De Zoon draagt, naar het woord van Hebr. 1 vs. 3, alle dingen door het woord Ziijner kracht, gelijk de Vader ze door het Woord heeft geschapen.
Buiten Gods levende, levenwekkende, het leven onderhoudende actie kan niets bestaan, dat geschapen is. Zoo terecht wordt dat door den psalmdichter beleden, die zegt: „Verbergt Gg uw aangezicht, zg worden verschrikt; neemt Gij hunnen adem weg, zij sterven, en keeren weder tot hunne stof. Zendt Gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen", ... Pa. 104 VS. 29v.
God de Heere is dus een God van actie; Hij openbaart Zijne heerlijkheid en Majesteit in hetgeen in de H, Schrift niet zonder reden heeten „de werken Zijner handen".
Omdat Hg is die Hg is, d.w.z. God Almachtig, en omdat Hg een Geest is, is de werkzaamheid Gods zuiver geestelgk.
„Door het Woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt en door den Geest zijns monds al hun heir. Hij spreekt en het is er. Hij gebiedt en het staat er", Pa, 33 VS. 6, 9.
De werking van Zgn Woord, de actie van Zijn' Geest, het zgn louter geesteIgke werkingen, openbaringen van Zgn almachtigen wil, werkingen van Zgn' alwgzen, eeuwigen raad. .
Kan het verwonderen, dat de mensch, die naar het beeld Gods, des Onzienlijken, geschapen is, geroepen is tot arbeiden?
Dien arbeid van den nog onzondigen mensch moeten wij los denken van de moeite, die er voor onze ervaring mede verbonden is, los ook van het arbeiden en sloven om te voorzien in het levensonderhoud.
De arbeid van den nog niet gevallen beelddrager Gods had een gansch ander karakter. Hij moest strekken tot een bewaren van den hof, die in overvloed hem de nooddruft des lichaams kon versohaffen. En die arbeid zou voorts bestaan in hetgeen mede nadrukkelijk hem als zijn taak en roeping wordt aangewezen: heerschappg te hebben over het geschapene, de aarde te beheerschen en aan zich te onderwerpen, waarop hij als Koning, als de kroon der aardsche schepping was geplaatst.
Gelijk God de Heere regeert door Zijn Woord en Geest moest de naar Gods beeld geschapen mensch in gehoorzaamheid aan Zijn' Schepper heerschen over het overige der aardsche schepping, de natuur in haar vollen omvang aan zich onderwerpen, heerschappg hebben over de krachten^ in de natuur aanwezig; haar machten zich dienstbaar maken.
Geen geweld, geen lichaams-kracht behoefde hierbij te worden gebezigd. In geestelgke actie, in een indringen in de krachten van Gods ongerepte schepping, in een met de intuïtie der ongebroken liefde doorzien van het verborgen wezen der dingen, met den niet falendeu zuiveren greep der heldere verbeelding het eigenlijke zijn der geschapen wereld kennende, zou hg haar beheerschen, aan zich onderwerpen.
Denkende aan deze positie van den mensch in tiet samenstel van Gods schepping, en tevens profeteerende van den Messias, in Wien de verloren positie zou worden hergeven, kon de psalmdichter zingen: „Als ik uwen hemel aanzie, het werk uwer vingeren, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt, wat is de mensch, dat Gij zgner gedenkt en des menschen zoon, dat Gij hem bezoekt ? En hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eer en heerlijkheid gekroond? Gq doet hem heerschen over de werken uwer handen; Gij hebt alles onder zijne voeten gezet, " Ps. 8 VS. 4—7, vgl. Hebr. 2 vs. 6—9.
Al zeggen wij, met de zondige werkeIijkheid voor oogen, den brief aan de Hebreërs na: „wij zien nu nog niet, dat hem alle dingen onderworpen zijn, " toch geeft ons de H. Schrift te verstaan, waarin naar zyn schepping en aanleg, de adel van zijn arbeid bestond, in de geestelijke doordringing in en beheersching van de natuur.
Wel is, wg komen daarop later nog terug, deze waardeering van den arbeid schier te loor gegaan, en geldt in onze dagen bijna uitsluitend die arbeid, die met de handen wordt verricht; maar in weerwil van deze verschuiving van het begrip arbeid, en van deze veranderde waardeering van den arbeid, mag niet worden over het hoofd gezien, dat het geestelijke eerst is en juist in den gestelij ken arbeid, door den mensch te verrichten, de adel zgner natuur en de hoogheid Zijner roeping als beelddrager Gods het eerst en het meest naar voren kwam.
En ook sedert de zonde in de wereld is ingekomen, zijn het nog de geestelijke krachten van den mensch, waardoor hij allengs over de natuur gaat heerschen: zijn verstand en wil en verbeelding, en niet zijn lichamelijke kracht verschaffen hem die heerschappij.
Wanneer onder een volk de kunst opkwam, van steenen zich gereepschap en wapenen te vervaardigen, waaraan was dit dan te danken? Niet allereerst staan de kracht der spieren, die den harden steen wisten te vervormen en te slijpen; maar aan het vernuft" van dengene, in wiens geest het eerst de gedachte rgpte aan de mogelgkheid, een steen als wapen of weiktnigtegebruiken, dan ook, hem voor zulk een gebruik geschikt te maken.
Dat in onze dagen de mensch kan „vliegen", d.w.z. per vliegtuig zich door de lucht verplaatst, is het, omdat zijn borst-en armspieren een kracht hebben verkregen, evenredig aan de spierkracht, waarmede de adelaar zich boven de hoogste bergtoppen verheft? Of is het, dank zij de hem geschonken krachten van verstand en vernuft, die den tegenstand der lucht wisten te overwinnen, en er in slaagden, een voorwerp, zwaarder dan de lucht, zich door het luchtruim te doen voortbewegen?
Toch is het niet de geestes-arbeid, die het hoogst wordt gewaardeerd, „Arbeid" en handen-of spier-arbeid schgnt in veler schatting één en hetzelfde. Wij hebben hier te doen met een verschijnsel, dat om een verklaring vraagt.
Thans echter zoeken wg naar deze verklaring nog niet.
Thans is het ons uitsluitend erom te doen, te laten uitkomen, dat niet de arbeid een gevolg is van de zonde; de noodzaak om te arbeiden is niet eerst door de zonde den mensch opgelegd; maar krachtens scheppings-ordinantie is hij 'tot arbeiden geroepen.
Niet hij, die in ledigheid zijne dagen doorbrengt en in niets-doen zijn' tijd vermorst, heeft het ideaal gevonden; neen, arbeiden is des menschen roeping. Door den arbeid wordt hij geadeld, in den arbeid vindt hg een deel van de vreugde zijns levens.
En toch, hiermede is niet alles gezegd. Gelgk in al het menschelgk leven liggen ook op dit terrein de dingen scheefgetrokken en in verwarring.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's