Stichtelijke overdenking.
Vrees niet. Ik ben de eerste en de laatste en die leef, en Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen. Openb. 1 : 17b-18a.
Eene liefelijke ontmoeting met den verrezen Heiiand.
Vrees niet. Ik ben de eerste en de laatste en die leef, en Ik ben dood geweest en zie Ik ben levend tot in alle eeuwigheid. Amen. Openb. 1 : 17b-18a,
't Was op een Zondagmorgen dat Johannes, de discipel des Heeren, verbannen naar het eenzame Patmos, den Heere ontmoette.
Hij was in den geest, wereld was hem ontzonken. de gansche wereld was hem ontzonken.
Wonderlijke wegen houdt de Heere met Zijne kinderen.
De vijand had dezen discipel verbannen buiten de menschelijke samenleving. Hij was daar gansch alleen d.w.z. alleen met zijn God.
Zie, daarop had de vijand niet gerekend, daaraan had hij zelfs niet gedacht.
Wat zij als „tegen" had vastgesteld bleek nu uit te komen op voor". En niet alleen geldt dit Johannes, maar heel de Gemeente des Heeren.
Immers de eenzaamheid van Patmos heeft ons gegeven de heerlijke profetie van het komende Jeruzalem. De straten van goud heeft Johannes gezien, waar in letterlijken zin de straten ontbraken; hemelsche muziek mocht hij beluisteren, waar zelfs de klank van menschenstemmen hem werd onthouden.
Nu, op zulk een Zondagmorgen was heel de wereld aan hem ontzonken. Dat het ons op dezen dag ook moge gebeuren. Het is gemakkelijk mogelijk dat we wel opgaan naar het huis Gods en dat toch de wereld hoogtij viert, dat wq de wereld mede indragen. Niet zooals Johannes aan haar ontzinken. Wat deed hij toch een heerlijke ruil.
Terwijl hij daar in den geest bezig is met de dingen van Gods Koninkrgk, hoort hij achter zich een stem, een stem als een bazuin, Hij keerde zich om, om te zien de stem, die met hem gesproken had.
En wat ziet hg nu?
In het midden van de zeven kandelaren Eenen, den Zoon des menschen gelijk, in een blinkend wit kleed met een gouden gordel om de lendenen.
Zijne gedaante is enkel heerlijkheid niet om te aanschouwen, als de zon in hare kracht.
Als hij Hem ziet, valt hg als dood neder aan Zijne voeten. Die glans was voor Johannes nog te heerlijk, die schittering kon hij nog niet dragen. Maar wat hij wel dragen kan, d.i, de liefelijke boodschap, welke hij mag overreiken aan de strqdende jongeren nog op aarde. De Heere doet hun beluisteren wie Hg is, en wat Hg werd voor al Zijn discipelen.
Dat ons deze boodschap op dezen dag niet voorbij ga. Wie Hij is". Ik ben de eerste en de laatste, d.w.z. de eeuwige. Die altijd was en die altgd zgn zal.
Ja, zegt ge, d.i, zeer duidelijk, maar wie der goddelgke personen spreekt hier nu?
Natuurlgk onze Heere Jezus Christus. Immers wie zou kunnen spreken: „Ik ben dood geweest en Ik leef".
Dat is alleen Hg, Die in Jozefs hof uit de dooden is verrezen. Dat is de Heere na Zijne opstanding.
Wat zou dit nu voor een beteekenis hebben voor Johannes en verder voor heel de Kerk des Heeren?
Dit — lezer — Johannes en ook wg moeten weten wat we aan ons gezegend Hoofd in den hemel hebben, wat die verrezene Heiland is ten opzichte der Zijnen.
Zoolang de Heere ook na Zijne verrgzenis met Zijne jongeren nog gedurig kon samenspreken, onderwees Hij hen met Zijn heerlijke vertroostende woorden. Hierin laat Hij het hooren van uit den hemel.
Johannes had het zoo noodig te weten wat hij aan Zijn God en Zaligmaker had. Daar was zooveel wat hem benauwde en beangstigde. Waar zal het met mg op uitloopen? Wat moet er worden van mijne gemeenten? Wat van mijne zaak? Ik zit hier jaar en dag'in de eenzaamheid op een onbewoond eiland. In plaats van te prediken, kan ik niets dan Igdelgk afwachten.
Ja, zouden er ook nog geene andere bestrgdingen zich bij hebben gevoegd? Zou de groote vijand hem niet in de eenzaamheid hebben aangevochten met: „zoudt gij het nog wel zoo vast durven te gelooven als ge gedaan hebt? Zou het met a nog wel goed uitkomen? "
En zie nu beluistert hg hier de zoetste van alle hemel-tonen, de liefelijkste van alle accoorden. Over dezen eenzamen, rersehrikten discipel buigt zich de Heere in gadelooze ontferming , vrees niet, Ik ben de eerste en de laatste".
Gevoelt ge 't niet lezer, welk eene liefelijke vertroosting hierin schuilt voor een in bangheid verkeerende ziel: Ik, die zorg droeg voor uw begin, zal ook zorg dragen voor uw einde.
Als ik een beeld mocht kiezen zou het dit zijn: het donkere doek wordt ingesloten in gulden Igsten. De Eeuwige laat inblikken in Zijn eeuwigheidswerk. „Vrees niet. Ik ben de eerste en de laatste."
Als ge er iets van peilen moogt van deze liefdezee, waarin de Heere Zijnen discipel hier laat zwemmen, moet ge het zóó lezen: zie zoo ver ge wilt achter u, achter heel de wereld, daar sta Ik. Ik heb alles en allen geschapen en houd ze in Mijne hand. Ik ben niet alleen de eerste, maar zal ook de laatste zgn. Ge kunt nooit zoo ver zien in de toekomst, ook in de donkerste toekomst, of Ik sta daar. Uw werk, uw persoon, uw leven is in Mijne hand veilig.
Hoe staat het nu met ons leven ? Een; woord van onderzoek is hier zoo uiterst gepast.
Ik ben de eerste zegt de Heere, dit gelooft ge niet waar?
Maar nu het tweede: Diezelfde God is ook de laatste. Kan u dit gerust stellen? Kan dit het schild zijn, waarop de pijlen van duivel en eigen vleesch afstuiten?
„Vrees niet", is zulk een duidelijke sprake. Als de Eerste en Laatste uw Borg niet is, is het om de vreeze te verdubbelen. Stel u voor, dat de Heere het een Judas in de oor en predikt: , Ik ben de laatste". Is dat niet om voor te huiveren?
Stel u voor, dat de Heere een Kajafas het toeroept: gij zult Mg vinden als laatste. Is dat niet om te besterven van schrik?
De «Laatste" is een bronwei van vreeze voor allen, die den Heere niet hebben liefgehad.
Maar nu ook omgekeerd, is Hg een God van volkomene vertroosting, van algeheele zaliging voor degenen die Zgne verschgning hebben liefgehad.
Als de Heere Johannes heeft laten inblikken in het heerlgke van Zijn wezen, zoo laat Hg Hem ook aanschouwen het kostelgke van Zgn werk.
„Ik ben dood geweest, zegt Hij, en; Ik leef en zie Ik ben levend in alle; eeuwigheid, Amen".
Ik ben dood geweest. Johannes, de oorzaak is u bekend, d.w.z. voor de zonde. Ook voor uwe zonden. Ik ben voor u in den dood gegaan. Ik heb de banden losgemaakt waarmede gij en al de uwen voor eeuwig gebonden waart. Gij waart in de macht des doods en nu liet Ik mij, om u te ontrukken, in de banden des doods slaan.
En zie — let er op, zegt de Heere, nu heb Ik dezen dood overwonnen, Ik heb hem onderworpen. Ik leef. Ik ben levend in alle eeuwigheid.
Wat 'n heerlgk Evangelie is dit voor den in nood verkeerenden jonger: Ik ben dood geweest.
Achter het kruis staat de geopende groeve, daar staat het leven zelf. Door in het leven terug te keeren wordt u het bewijs getoond dat de schuld is vereffend.
Ik ben dood geweest.
Dat had de duivel niet kunnen voorzien, dat zoo spoedig na den kruisgang de opstanding zou volgen. Wat had hij aangedreven op dat kruis. Alle krachten worden ingespannen.. Jood en Heiden moest hem de behulpzame hand bieden. Och wat had hij gejubeld toen de Heere het hoofd boog. Hg dacht: nu is Hij mijn prooi en kan er ook nooit van de menschenkinderen een mij ontsnappen. Het is nu voor altijd gedaan. Hij heeft het niet kunnen bevroeden dat hg op deze wijze eigen vesting verried.
Maar nu, op den tijd, dien hij niet geweten heeft, wordt de Koning wakker en schudt den slaap van zich, dezeelen des doods vallen af evenals van Simson de van het vuur gezengde draden.
Nu heeft de dood van Christus en alles wat Hem toebehoort geen touwen meer.
Ik leef, zegt de Opgestane en Verheerlijkte, en met Mij mijn gansche volk. Ik leef tot in alle eeuwigheid. Ik verzeker het u met een plechtig „Amen".
De dood is van nu en voortaan geheel aan Mij onderworpen. Wat dunkt u, is zulk een discipel, is dat volk dat in Christus zgn Koning begroet, niet hoogelijk te benijden ? ' Kan het met dezen Opgestanen Christus niet worden gewaagd?
Hij heeft de schuld betaald. Hij draagt | verder zorg voor heel het leven van al de Zijnen. Zoo ver kan zich hun zorg, ! hun levensmoeite niet uitstrekken of | altijd vinden zg daarachter den Heere. : Hg onderschept het. En komt de dood straks zelf zich melden, ook dan geen nood. De Levensvorst wacht; Hg heeft de sleutels van dood en helle. Daar is geen omkomen mogelgk voor allen, die op dezen levenden Christus hebben gehoopt, die dood is geweest, maar nu leeft. En wat Hg leeft, leeft Hij niet voor Zichzelven, maar voor de Zijnen.
Zijn leven wordt hun leven, vandaar dat straks, als de kluisters des doods geheel worden verbroken, zij met den Heere in de eeuwige zaligheid zullen leven Gode tot eere, dan is het voor eeuwig Paaschfeest.
Daarom zal het voor ieder van Gods kinderen gelden: Eens zal zich 't hoogste ontvouwen; Dan zult gij al uw lust. Uw eigen Borg aanschouwen In zaalge zielerust.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's