De waardeering van den arbeid.
II.
Door het leven, zooals het zich aan ons voordoet, loopt een scheur. Een geluid gaat er van uit als van een gebarsten klok, nooit klinkt zij zuiver en in eenheid van toon, maar allerlei bijklanken trillen erin mede, die even zoovele wanklanken vormen.
Het zuivere en normale van den oorspronkelijken staat is te loor gegaan. In al ons leven trilt de klanfc van den vloek, door de stem Gode vanwege de zonde gesproken.
Toch is het oordeel des doods niet aanstonds in al zijn volheid en omvang voltrokken. Het oordeel kwam, omdat de mond des Heeren het sprak, en de rechtvaardige hand des Heeren het bracht. Doch van stonde aan werd de vloek getemperd. Niet alleen door het uitzicht, dat geopend werd in de belofte van het zaad der vrouw, dat den kop der slang zou vermorzelen.
Maar ook in de werking der algemeene genade, die den mensch opriep tot den strijd, zijn krachten staalde in den kamp tegen den dood, die was ingekomen in de wereld.
Zoo verkreeg ook de arbeid een ander karakter, en onderging als vanzelf zijn waardeering eene wijziging. Ook hier komt het gedeelde, het gebrokene; het gave en ongedeelde is verdwenen.
De arbeid wordt een strgd, een kamp tegen de macht van den dood. Zijn leven heeft de mensch te verdedigen tegen den dood, die allerwegen op hem loert; zijn levensonderhoud zal hij hebben te ontworstelen aan de aarde, die om zqnentwil vervloekt is, en hem doornen en distelen zal voortbrengen.
Met smart zal hij er van eten al de dagen zqns levens; en in het zweet zgns aanschgus zal hq zijn levensnooddruft zich verwerven.
De roeping tot den arbeid blijft. De arbeidsvreugde kan en zal gesmaakt worden in het gehoorzamen aan die roeping.
Maar ongetemperd en ongemengd zal die vreugde niet meer zijn. Niet enkel een blij ontplooien van zijne krachten, maar ook een vaak harde noodziaak; niet slechts een spannen, vaak ook een overspannen van de energie; niet louter heerschen en slagen, pogen, en het zien gelukken, doch niet zelden ook een vergeefs worstelen, een zich aftobben en nóg zien mislukken; een slaven en sloven, een worstelen, waarin van heerschappij weinig te zien is, en dat volkomen beslag legt op alle krachten en gedachten.
Van dit veranderd karakter, en daarmede van de andere waardeering van den arbeid legt ook de H. Schrift getui genis af. Niet in dien zin, dat wij daarin opzettelijke, afzonderlgke beschouwingen over den arbeid en zijne waarde zouden vinden. Iets dergelijks is bijna uitsluitend het geval in de wysheidsleer der Spreuken.
Maar zóó, dat in de H. Schrift, waarin zoowel met de oorspronkelijke heerlgkheid en gaafheid als met de zondige, droeve werkelijkheid van hetmenschenleven wordt gerekend, de tweeheid van wat wg zouden kunnen noemen arbeidslust en arbeids-last beurtelings aan het woord is en aan den dag komt.
De roeping tot arbeiden wordt als een vanzelfsheid erkend in de H. Schrift; en de moeite en last, dat het levensonderhoud in het zweet des aanschijns moet gewonnen, vinden wg evenzeer uitgesproken.
En dat niet alleen. Geljjk iedere gave Gods den mensch tot zonde kan worden, zoo ook de gave van den arbeid. Ook de , arbeid heeft zijn zwarte schaduw, wanneer hij niet in gehoorzaamheid aan God, maar tegen Hem in, in den dienst van zelfzucht en genotzucht wordt gesteld.
De eerste bladzijden van het O. Test. verhalen ons, hoe in de Kaïnitische linie van hpt menschelijk geslacht o.a. het bewerken van metaal een aanvang nam. Tubal Kain was de eerste smid, Gen. 4 VS. 22. Hierdoor wordt duidelijk geïllustreerd, niet dat de arbeid op zichzelf, de veredeling en verfgning van den arbeid, de toepassing van al wat menschelgk vernuft ter volmaking van het werk kan uitdenken, om zich de natuur dienstbaar te maken, iets verkeerds zou zijn; maar wel dat er in dit alles zoo licht een Kaïnitisch element is, dat zich nimmer verloochent, en soms o! zoo klaar aan den dag komt.
Dit neemt echter niet weg, dat de arbeid wordt geëerd, dat hij aan Israël wordt bevolen en aanbevolen. Het goede dat in den arbeid is, is niet ongemengd ; maar nog minder geeft de H. Schrift voedsel aan de beschouwing, dat de arbeid hetzg zondig hetzij in strijd met des menschen adel zou zijn.
Uitdrukkelijk wordt in de wet der tien geboden gezegd, dat zes dagen moet gearbeid worden. De catechismus handelt naar aanleiding van het vierde gebod uitsluitend over den Sabbat, en de beteekenis en draagkracht van Gods bevel inzake het vieren van den rustdag. Eu daarvoor is alle reden, gezien den aan hef van het vierde gebod: gedenkt den Sabbatdag, dat gij dien heiligt.
Doch wij mogen toch ook niet over het hoofd zien, dat hier nadrukkelijk en stellig wordt gezegd: „zes dagen moet gij arbeiden en al uw werk doen." Ook dit is dus een gebod des Heeren, dat niet moet vergeten worden voor het klemmende van den eisch der heiliging van den rustdag.
Ook over Israels arbeid in het land der belofte breidde zich de zorg'van Israels God uit. De Mozaïsche wetgeving bevat tal van bepalingen en voorschriften, waardoor de akkerbouw werd bevorderd. Ook den verbouw van olie en wijn moedigde de wet aan.
Indien het volk naar de stem des Heeren zou luisteren, zou Zgn zegen het werk hunner handen kronen: gezegend zal zijn uw korf en uw baktrog; de Heere zal Zijn zegen gebieden, dat Hij met u zij in uwe schuren, en in alles, waaraan gij uwe hand slaat; Hij zal met u zijn om te zegenen al het werk uwer hand". Deut. 28 : 5, 8, 12.
Wanneer de 104e Psalm de grootheid van 's Heeren werken prijst, en de majesteit Zijzer ordeningen bezingt, rekent de dichter daaronder ook den arbeid, dien de mensch heeft te verrichten. Immers, na gewaagd te hebben van de wisseling van den nacht en den dag, en van het nachtelijk getijde, waarin het gedierte des wouds uit hunne schuilplaatsen uitgaat op roof, spreekt hg van den zonsopgang, wanneer zij hunne holen opzoeken om te rusten; en van de ordening, den menschen gezet, heet het dan: de mensch gaat dan uit tot zijn werk, en naar zijnen arbeid tot den avond toe", terwijl, nadat de onbezielde en de bezielde schepping de revue heeft gepasseerd, en ten laatste van den mensch, die te arbeiden heeft, is gesproken, de slotsom is: hoe groot zijn Uwe werken o Heere! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt, het aardrijk is vol van Uwe goederen". Ps. 104:20, 23, 24.
Geen wonder, waar de arbeid wordt gezien als een ordening, den mensch van wege zijnen Schepper gesteld, dat daar aan het leven volgens die ordening de zegen des Heeren wordt toegezegd, een zegen, die bestaat zoowel in de arbeidsvreugde en de bevrediging, gesmaakt in den arbeid zelven, als in het aanschouwen van de vruchten van dien arbeid.
Zoo roemt de Prediker onder de goede zaken, dio hij gezien heeft, ook dit: geeft God aan een mensch ook rijkdom en goed, en geeft Hg hem de macht om, daarvan te eten en zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijnen arbeid, ook dat is een gave van God", Pred. 5 : 18.
Behoeven wij nog te herinneren aan de wijze, waarop de Spreukendichter den lof zingt der arbeidzame huisvrouw, die „beter is dan robijnen", die onvermoeid bezig is om haar zaken te behartigen in de vreeze des Heeren? , vgl. Spr. 31 VS. 10—31.
Moeten wij er nog op wijzen, dat de luiheid en traagheid wordt bestraft, en hare verderfelijke gevolgen worden aangetoond : „de begeerte van den luiaard zal hem dooden, want zijne handen weigeren te werken", Spr. 21:25. , 0m den winter zal de luiaard niet ploegen", d.w.z, hij weet altijd wel een voorwendsel te vinden om den arbeid uit te stellen, daarom zaf hg bedelen in den oogst, maar er zal niet zijn", Spr. 20:4. d
Met zijne traagheid wordt de spot gedreven : „een deur draait zich op hare scharnieren, alzoo de luiaard op zijn bed; de luiaard steekt zijne hand in den schotel, hij is te moede om die weer aan zijnen mond te brengen", Spr. 26 : 14, 15.
De vloek der luiheid wordt geschilderd in dat bekende woord: een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens al nederliggende, zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man", Spr. 6:10, 11. d i h
Eenzelfde waardeering van den arbeid treffen wij aan in het N. Test., dat evenzeer als het O. Test. de beteekenis van den arbeid onderstelt, zonder daarover opzettelgke beschouwingen te houden.
Zoo onderstelt de Heere Jezus de waarde en den zegen van den arbeid, wanneer in de gelijkenis der talenten de man, die het ééne hem toevertrouwde talent verborgen had, het ongebruikt had gelaten, bestraft wordt als een: booze en luie dienstknecht", Matth. 25:26. Eveneens als in de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard met verbazing, ja afkeuring wordt gevraagd aan hen, die nog omstreeks de elfde ure werkloos stonden : wat staat gij hier den ganschen dag ledig ? Matth. 20 : 6.
Als de meest natuurlgke zaak, als een ordinantie Gods, stelt Paulus den eisch, dat de Thessalonicenzen met stilheid werkende hun eigen brood eten. Er waren er, die, in de verwachting van de naar zg meenden ophanden zijnde toekomst des Heeren, allen arbeid lieten rusten, „ongeregeld wandelende, niet wérkende, maar ijdde dingen doende". Zulken herinnert Paulus aan den regel, dat „'', zoo iemand niet wil werken, bij ook niet ete", 2 Thess. 3:10—12.
Doch ook voor de keerzgde is de H Schrift niet blind. Zij kent de zondige werkelijkheid, en rekent hiermede, zonder haar ook maar eenigszins te verbloemen.
Zg weet van het afmattende, vermoeiende van den dagelgkschen arbeid, en kent de ervaringen van een winnen van het levensonderhoud „in het zweet des aanschijns".
Zoo spreekt Job van den „dienstknecht die hggt naar de'' schaduw", om een beeld te vinden voor de moeite en ellende, waaraan zgn leven ten prooi is. De dagen des menschen vergelijkt hij bij de dagen van een daglooner; hij snakt naar het eind van den dag, wanneer hg zijn werkloon zal ontvangen, Job 7 : 1—2,
Ook hier zien wg de arbeids-vreugde overstemd door den last, verdreven door de hitte des daags, door de moeiten, die de arbeid oplevert.
Het ongerepte en ongebrokene is er niet meer, sedert het paradijs voor den gevallen mensch gesloten is. In deze bedeeling verwacht de geloovige het volmaakte ook niet.
Maar wel ziet hg in het geloof op den Christus, die in volkomen gehoorzaamheid in alles den wil des Vaders heeft gedaan.
Indien iemand, dan heeft Hij getoond, heerschappij te hebben over al de krachten der natuur. Maar als geen ander ook heeft Hij den vloek gedragen voor de Zgnen. Mensch geworden, in de jaren vöör Zgn openbaar optreden levende in de werkplaats van Jozef den timmerman, heeft Hg den handenarbeid geheiligd. En ondergaande onder den vloek, dragfende den toorn Gods, heeft Hg de verlossing teweeggebracht in een nameloos lijden, door een onpeilbare diepte van geestelijken strgd, door den arbeid Zijner ziel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's