Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 20)
„Wel ja, dat willen we hopen. En bidden ook, nietwaar? Als we gezond zijn, zoeken we den bakker en den slager, en als we ziek zijn den dokter; maar in gezondheid of ziekte, in leven en sterven, we hebben altijd den Heere noodig. Door Hem leven we en zij'n we, en van Hem ontvangen we al 't noodige, en 't betaamt ons dus, altijd Hem in gedachtenis te houden. Nietwaar, Femma? "
Zij mompelde iets, doch oom Johannes verstond niet wat, en ging bedachtzaam voort:
„Waar een ouder alles is voor een kind, denkt een kind graag aan zijn ouders, en heeft hen lief. Maar aan onzen God in den hemel hebben we veel meer, en we behooren Hem veel meer lief te te hebben. Nietwaar, Femma! een kind hangt zqu ouders meer aan dan andere | familie, maar als 't goed [met ons is, hebben we God toch boven alles lief!"
Kon de zieke dien naam Ood misschien niet verdragen ? Met schrille stem riep ze:
„Vader! vader!"
Hg kwam terstond, en waar zijn broer plaats voor hem maakte, boog hij zich naar zijn dochter toe, en hoorde haar fluisteren, dat oom weg moest gaan. Hij ging dan weer naar de andere kamer, en daar riep hij:
„Johannes!"
De broer ging terstond, en kreeg toen van den kroegbaas een schrob beering, omdat hij met een zieke over die „nare dingen" sprak. Maar Johannes zei:
„Hoor eens. Aardt! jij kent den weg evengoed als ik. Jij weet de waarheid. Jij weet, wat het beteekent; behouden te zqn, of verloren te gaan: jq kent het Evangelie zoo goed als iemand; dat zal je zelf wel toestemmen. Maar laat ik je dit zeggen, en denk daarover na: — als je kinderen verloren gaan, is 't jouw schuld, en hun rampzaligheid zal de jouwe verdubbelen, als jij je niet bekeert."
De toegesprokene werd bleek als een lijk en zijn lippen beefden.
„Jij, als vader, had de eerste moeten zijn, om te spreken met je kind, dat aan den oever der eeuwigheid staat. Er is niets goddeloozer en wreeder denkbaar in een ouder, dan zqn kinderen zóo de eeuwigheid in te zenden. — Jij hebt heel je leven, waar Gód je in den weg stond, gepoogd Hem weg te spotten en weg te vloeken, maar je weet in je ziel wel, dat je eerder de zou van den hemel zult wegblazen, dan dat God jou uit den weg treedt, omdat Hij bang is voor jou. Jg verbeeldt je wel, dat je een heele man bent, omdat je zoo durft spotten, maar je weet toch wel, dat je 't eens voor Hem zult moeten afleggen. En dat je zelf je verderf zoekt, is dwaas, maar dat je je eigen kinderen daarin meesleurt, en ze verhindert er aan te ontkomen, dat is de gruwelqkste wreedheid die een ouder voor zijn kinderen kan verzinnen."
Oom Johannes was steeds voor hem blijven staan, immer de linkerband gericht naar de zieke, den blik naar zgu broer, wiens lippen wit werden en wiens oogen glaasden naar den grond. De geloovige man had niet kunnen zwijgen, en hield er geen rekening mee, wat zijn woorden konden uitwerken. En in gelaat en houding van zijn broer ontdekte hg' niets, dat hem een blik gunde in diens hart.
Hij ging naar zijn schoonzuster, die zich blijkbaar opzettelijk in de achterkamer hield, om haar te groeten. Dan stapte hij weer naar zijn broer, en in de hoop eenig antwoord te zullen krijgen, zei hij:
„Aardt, ik denk morgen terug te komen!"
Er volgde evenwel geen antwoord en hg ging heen.
Ombra woelde de radeloosheid en uiterste verlegenheid in haar donkere ziel zóo rusteloos, dat ze onophoudelijk lag te woelen in 't bed, en meermalen opstond, als om hier en daar in de slaapkamer te vinden, wat ze tevergeefs in haar binnenste zocht.
Voor 't eerst van haar leven had ze den dood hooren ademen, daar in die zwarte, enge bedstede van haar zuster. In haar ziel zwol die adem tot angstig zuchten, tot bitter kermen, tot krampend --kreunen. «
't Woord: sterven — was als fluistering in haar gekomen, en nu in machtig klokgebons in haar binnenste, en loeide en gonsde immer geweldiger door, dat alles dreunde schudde en sidderde.
Zii had, in die bedstede, 't gezien van den gevreesde, dien ze bij name kende, 'en in haar ziel ^ geworden tot een gestalte, zoo — " vreeselgk, zoo ontzaglijk en ontzet dat ze, schokkend en trillend,zich maar omwentelde in haar bed en eindelijk opstond.
Want - en dat was het! - -zuster zou sterven; maar zg zelf' Met Femma kwam het zóo niet en — hoe zou 't met haar zelf gaan?, Maar Femma moest nu eerst toch geholpen, gered, en zij kon het niet. Wat raad kon ze dan haar zieke zuster geven?
Bidden ., .. en voor haar zelf kon ze niet bidden, hoe zou; ze 't voor haar kunnen ?
(Wordt vervolgd)'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's