Uit het kerkelijk leven.
Christelijk-Protestantsch karakter.
Christelijk-protestantsch karakter. Het Weekblad voor de Vrijz. Her vormden beweerde onlangs dat een Kerk j een belijdenis mo'et hebben, zij 't dan j ook al een ruime belijdenis. Evenwel ook weer niet al te ruim, want „ongeloovigen" en a Maria-vereerders" moesten er door uitgesloten worden.
Natuurlijk dringt zich dan de vraag naar voren: hoe ruim moet nu de belijdenis zgn; waar is de grens?
Men moet natuurlijk een norm, een maatstaf hebben, een regel van leer en leven. Hierin verschilt het Vrijz. Weekblad dus niet van ons. Zonder belgdenis gaat het niet. En de belgdenis moet grenzen hebben. Maar welke?
En dan zegt het Vrijz. Weekblad, dat het christelijk, protestaatsch karakter moet worden bewaard. Het christelijk karakter.
Dat is dus het karakter van de eerste, apostolische gemeente, waarvan we de teekening vinden in de Nieuw-Testamentische geschriften. Nu, daar hebben wij als Gereformeerden absoluut niets tegen.
Dat willen we juist gaarne, om in alles ons zooveel mogelijk aan te sluiten aan het Katholiek Apostolisch geloof, 't welk de grondsteen vormt voor de Christelijke Kerk van alle tijden en alle landen.
Bg de Reformatie was het onzenVaderen immers niet te doen om een einder fundament te leggen, of om een nieuwe Kerk te stichten. Neen, zg begeerden niets anders dan dat de Kerk van de grove dwalingen zou worden gezuiverd en weer zou gaan leven naar der Apostelen woord, ons in Gods Woord bewaard. En daarin zien wij niet anders dan onze Vaderen.
We willen telkens onderzoeken, of we in ons kerkelgk leven wel beantwoorden aan hetgeen ons door de apostelen is geleerd en of het karakter van ons kerkelijk leven wel echt-christelijk is.
Maar dan moet men natuurlijk van dat „christelijk" en van dat „apostolisch" geen carricatuur gaan maken, door b.v. te zeggen, dat het volstrekt niet „christelijk" is om te leeren, dat Jezus waarlijk Gods Zoon is, dat de Heiland ten derden dage uit de dooden is opgestaan, dat Hg is overgeleverd om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking enz.
Want met Gods Woord in de hand; en het beeld van de eerste christelijke gemeente voor ons, zeggen we, dat het; ^eht christelijk is om b.v. met 1 Cor. 151 te belgden: '„Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften, en dat hij is begraven en dat hg is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften; en dat hg is van Cefas gesien, daarna van de twaalve. Daarna is hij gezien van meer dan vgfhonderd broederen op éénmaal, van welke het meerendeel nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen. Daarna ia hij gezien van Jacobus, daarna van alle de apostelen. En ten laatste van allen is hij ook van mg, als van een ontgdig geborene, gezien". Hierin staan we niet alleen.
We herinneren ons ten minste dat dr. J. H. Gerretsen van den Haag in der tijd in „het goed recht der ethische richting" schreef: „DeeersteChristelgke gemeente heeft zonder eenige aarzeling de lichamelijke verrijzenis van Christus uit het graf beleden. Nergens in de Evangeliën of in de apostolische brieven vinden wg ook maar een zweem van twgfel aan dit feit. Het ledige graf is de voortdurende veronderstelling van de prediking der apostelen" (blz.9.)
En verder: „De vraag naar het heil des menschen is volgens het oudste ons bekende christendom de vraag naar de waarheid van de Opstanding van Christus. Alles kan vallen, het is van minder beteekenis, indien dit êene slechts niet valt", (biz. 10.)
Vervolgens: „De opstanding is hart en kern van hun (van de apostolische prediking) Evangelie. Hun Evangelie is een Evangelie der Opstanding", (blz. 11). En ten slotte, om niet meer te noemen : „De apostelen prediken overal, dat Christus leeft, dat wil natuurlgk niet zeggen, dat Christus er nog is, zooals wij aannemen, dat een Socrates of Plato er nog is, ook al zijn zij gestorven. Indien de boodschap der Opstanding alleen in de overtuiging bestond, dat Jezus na Zgn lichamelijk sterven nog voortbestaat, dan zou zij al bitter weinig te beteekenen hebben. Doch het Evangelie der Opstanding van Christus kan met geen ander historisch feit op éene lijn worden gesteld".
Wat dunkt het Vrijz. Weekblad, behoort in de christelgke Kerk de verrijzenis van Christus uit den dood geloofd en beleden, gepredikt en verdedigd te worden of niet? . . .
Dus het christelijk karakter moet bezwaard. En dan het protestantsch karakter. Ons wel! Wij willen niets liever! Maar dan ook hier, de dingen nemen zooals ze zijn.
En neen, dan gaan we niet breed op alles in, maar we willen om te laten zien wat een echt-protestantsche trek is, toch even een stuk van het bekende Pretest aanhalen, waardoor toch de naam protestant in de wereld is gekomen.
Op den Rijksdag te Spiers in 1529 werd den 19den April door de Evangelische vorsten die protesteerden tegen de totale verbastering van het Evangelie in het midden van de Roomsche Kerk en de maatregelen door den Keizer te nemen, het volgende stuk ingediend:
„Wij gelooven, dat de Schift uit de Schrift verklaard moet worden; dat de Bijbel op zich zei ven een verstaanbaar boek is, dat in de hand van eiken christen behoort te sijn, en dat elke geloovige daarin een krachtig wapen heeft om dwalingen te bestrijden en een voortreffelgk middel om in duisternis licht te doen opgaan. Wij hebben ons daarom voorgenomen, om, met Gods hulp, de hand te houden aan de zuivere en overvalschte prediking van het Woord van God, zooals ons dat geopenbaard en te vinden is in de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments en zonder daaromtrent eenige toevoeging of afwijking te gedoogen.
Dàt Woord alleen is waarheid en daarin alleen kunnen wij leering, bestuur en j troost vinden onder alle omstandigheden des levens. Dat Woord is het eenige vaste en onwankelbare fundament en die daar ! op bouwen zullen niet beschaamd gemaakt j worden. Ia vergelgking met dat Woord is alle menschelijke woord en leering ijdel, dwaas en verwerpelijk".
Voelt men hier niet wat het waarlgk protestantsch karakter der Christelgke Kerk is? Is het niet een protest laten hooren tegen alles wat met Gods Woord in strijd is?
Is het niet: Gods Woord alshoogaten rechter erkennen en geen menschelijke bepalingen dulden, die zich boven Gods Woord stellen of in strijd met Gods Woord zijn?
Welnu, wg voor ons hebben niets tegen het christelijk en protestantsch karakter onzer Kerk. Maar hoe staat het met dr. Niemeger en zgn geestverwanten ?
In elk geval moet onze Herv. Kerk een belijdenis hebben; een christelijke, een protestantsche belgdenis. En die heeft ze in de drie formulieren van eenigheid, die ons geschonken zijn door Gods genadig bestel, in dagen dat de Heere de Kerk van Rome's dwalingen kwam zuiveren of reformeeren.
En nu vragen we niets anders dan dat die belijdenis accoord van gemeenschap zal zgn in het midden van ons Kerkelgk leven en dat we dan als echte gereformeerden op de Kerkelgke Vergaderingen ons naar die belijdenis zullen richten, luisterend naar mogelijke bezwaren die tegen deze belijdenis mochten worden ingebracht, op grond van Gods Woord.
Want immers voor Gods Woord bukken we als hoogste gezag in kerkelijke zaken — dat Woord begeerend als een lamp voor onzen voet en een licht op ons pad; waarbij de kerk de bede opzendt: „ontdek mijne oogen, opdat ik de wonderen vanUwe Wetaanschouwe."
Zit er dus iets onredelijks in, als we zeggen, dat de rechtzinnigen wel en de vrijzinnigen niet in de Herv. Kerk thuis hooren, als we het christelijk en protes tantsch karakter van onze Herv. Kerk willen handhaven ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's