De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

Uit de N. Rott. Gt. van 2 April j.l, (Ochtendblad) knipten we onderstaand artikel uit, dat we zonder commentaar hier overnemen.

Uitputtingsoorlog.

„Zoolang vrijzinnigen en ultra-orthodoxen voor geen werkelijk vergelijk zgn te vinden, is al hun oreeren over een oplossing van het kerkelijk vraagstuk slechts welbewust schijnvertoon. En intusschen gaat hun gemeenschappelijk kerkgenootschap door die wederzijdsche halsstarrigheid te gronde".

Deze woorden, waarmee wij onlangs eenige opmerkingen inzake denpennenstrgd tusschen dr. Niemeyer en ds. van Grieken besloten, heeft, naar uit het Weekblad voor de vrijzinnige Hervormden big kt, eerstgenoemde zich persoonlijk aangetrokken. Al geven wg toe, dat e| verband bestaat tusschen beginselen en beginseldragers en dat dit ook in de kerkelgke politiek het geval zal zijn, toch hebben wg met het bovenstaande niet in het minst bedoeld een oordeel te vellen over iemands persoonlijke karaktereigenschappen. Trouwens, ware dat het geval, dr. Niemeyer zou deze vermeende blaam deelen met alle „vrijzinnigen en ultra-orthodoxen", die op zijn standpunt staan, en deze omstandigheid zou toch op zichzelf reeds elk persoonlijk karakter aan de veroordeeling ontnemen.

Maar het gaat niet om personen, doch om het standpunt. Dr. Niemeyer beweert, dat de Hervormde kerk vrg zinnig is, althans „enkel een belijdenis in ruimeren zin heeft, " en dus „ten aanzien van de belijdeniskwestie aan de wenschen der vrijzinnigen voldoet". Wie een kerk verlangt met een belijdenis in engeren zin, moet er maar uitgaan en kan dan een uitkeering krijgen, zegt hg.

Ds. van Grieken beweert omgekeerd, dat de Hervormde kerk rechtzinnig is en dat de vrijzinnigen alleen in de kerk zijn, omdat men de belijdenis, die wel zeer ter dege een belijdenis „in engeren zin" is, niet handhaaft en omdat de vrijzinnigen bovendien een ongepaste uitlegging aan die belijdenis geven. Waren zij eerlgk en lieten zg zich niet door utilistische beweegredenen drgven, zg zouden de kerk verlaten. Om hen daartoe door een utilistisch tegenwicht over te halen, stelt ook hg op zgn beurt voor ze bij hun uittreden een uitkeering te geven.

Wie heeft nu gelgk? Geen van beiden en allebei. Ieder die wat aan kerkhistorie gedaan heeft weet, dat de reglementair-dogmatische grondslag van de Hervormde kerk het karakter draagt van een compromis. Het is er op ingericht, kool en geit te sparen. En zoo kunnen kool en geit er zich beiden even goed op beroepen.

Dit beroep op den kerkrechtelgken grondslag van het genootschap heeft veel overeenkomst met het beroep op den bijbel, waarmee orthodoxe broeders elkaar trachten dood te slaan. Wie zulk een duel met bijbelteksten, dat vooral bg gelegenheid van een boerenbegrafenis pleegt gehouden te worden, heeft bijgewoond, weet dat er nooit een eind aan komt. Ieder der duelleerende exegeten blgft op zijn standpunt staan, tot het de tegenpartij gaat vervelen en de strijd wordt gewonnen door wie van beiden het beste uithoudingsvermogen heeft. Want ten slotte gevoelt de eene tegenstander zich door 't aanhoudend praten draaierig en afgemat worden en in arren moede houdt hg zgn mond.

Zoo zal het ook gaan met de belijdeniskwestie in de Hervormde kerk. Zou dr. Niemeyer met de hand op zijn hart durven verklaren, dat eenmaal ds. van Grieken of dr. Kromsigt zich door hem zal laten overtuigen, en zal verklaren ten slotte te moeten inzien, dat de Hervormde kerk warempel dan toch in wezen vrg zinnig is? En zullen ds, van Grieken of dr. Kromsigt met een effen gezicht kunnen getuigen in het vaste vertrouwen te leven, dat eenmaal dr. Niemeyer en de zgnen voor hun argumenten zullen zwichten en zullen toegeven, dat de opvatting van de confessioneelen en gereformeerden inzake de belijdenis-kwestie de juiste is?

Dat zg het van weerszijden doen voorkomen, alsof de kwestie aldus is op te lossen, noemden wg „welbewust schijnvertoon". Met deze qualificatie hebben wij geenszins een persoonlgkebeleediging, van wien ook, bedoeld, doch slechts gedacht aan een zedelijk geoorloofd strijdmiddel. De politieke leiders, die dit strijdmiddel in den oorlog en in de diplomatiek toepassen, zijn hoogst achtenswaardige en zedelijk hoogstaande leden. Zijn Wilson, Lloyd George of Clemenceau bijv. menschen, op wier zedelijk besef ook maar het minste valt ó, an te merken? En toch vereischt hun diplomatiek spraakgebruik een uitleg, dien men in 't particuliere leven niet gaarne aan iemands woorden zou moeten geven. Voor bizonderheden, dit „welbewust schijnvertoon" betreffend, verwijzen wij naar het dagelij ksch overzicht van onzen medewerker, die „de toestand" beschrijft.

De kerkelijke leiders weten heel goed, dat de belgdenisstrijd een uitputtingsoorlog is. Niet wie de sterkste argumenten heeft, zal overwinnen, maar de zege behaalt de partij mst het sterkste uithoudingsvermogen. De vraag is ten slotte: wie van beiden zal het op den langen duur het eerst gaan vervelen, zoodat ze de kerk uitloopen, de modernen of de orthodoxen? Op deze afmatting wordt van weerszijden gespeculeerd, en het balletje, nu en dan inzake boedelscheiding opgeworpen, is een proef, hoever het afmattingsproces is gevorderd.

Inderdaad vertoont deze kerkelijke strijd veel overeenkomst met den wereldoorlog. Ook daar hebben we van die proefballonnetjes gekend. „Ben jij al vermoeid? " sprak de eene partij, haar eigen uitputting verradend in een vage aanduiding van een vrede door vergelijk. „O, volstrekt niet I", antwoordde de ander, die door dit zwakke oogenblik van den tegenstander nieuwen moed had gekregen, en nu fier getuigde, dat van een vrede door vergelgk natuurlgk nooit sprake zou kunnen zgn, omdat een vrede door vergelijk de erkenning zou beteekenen van het recht van den tegenstander en de verloochening zou zgn van het eigen, eenig-rechtvaardige standpunt.

In den wereldoorlog is het psychologisch moment aangebroken, dat in den belgdenisstrgd zich misschien nog wel een paar jaar kan laten wachten. Misschien ook niet, want we leven snel tegenwoordig, zelfs op kerkelijk gebied. De eene oorlogvoerende partij is ineengezonken en de overwinnaar kan decreteeren, dat de tegenstander ongelijk heeft gehad. De vrede door vergelijk behoort tot het verleden; de overwinningsvrede ligt ter teekening. De centralen dienen toe te geven, dat het standpunt der geallieerden het juiste is geweest, en moeten het tooneel verlaten.

Hoevelen onzer hebben die wederzgdsche halsstarrigheid in den wereldoorlog verwenscht en hebben gehoopt, dat het nog voordat het te laat was, tot een eerlijk vergelijk met erkenning van eikaars rechten zou komen Principieel mocht zoo'n boedelscheiding tusschen de partqen minder roemrijk hebben geleken dan nu de eene partij de ander kan dwingen de gemeenschap der volkeren te verlaten, na haar een uitkeering te hebben verstrekt in den vorm van levensmiddelen en grondstoffen, praktisch waren we gespaard gebleven voor de algemeene ontreddering, die ons nu allicht wacht.

„En intusschen gaat hun gemeenschappelijk kerkgenootschap door de wederzijdsche halsstarrigheid te gronde", schreven we van de strijdende partijen in de Hervormde kerk. Als straks Lloyd George en Clemenceau de verslagen partij bij zich ontbieden om den vrede te teekenen, zullen de leiders der volkeren, die te principieel zijn geweest om van een vergelijk te willen weten, misschien eenzaam zitten om de tafel der onderhandelaars. Want de volkeren zelf die geen volharding hadden en de principieele beslissing van den eindeloozen strijd af te wachten, hebben inmiddels de officieele organisatie der naties den rug toegekeerd en zijn hun eigen organisatie gaan scheppen. Het bolsjewisme is de vrucht van de beginsel vastheid dergenen, die boedelscheiding, als zijnde principieele menschen onwaardig met een grootsch gebaar van de hand hebben gewezen.

Zijn er in de kerkelijke wereld eveneens alreeds geen bolsjewistische neigingen te ontdekken? Gaan zoowel rechts als links niet van dag tot dag meer personen en groepen hun eigen gang, in arrenmoede de ofBcieele kerk, die door den uitputtenden strijd om de belijdenis geen energie overhoudt om zich aan het leven des geestes te wqden, verlatende voor het conventikel? En sluiten zij over het hoofd hunner leiders heen geen nieuwe verbonden, die meer voor de toekomst beloven ?

Het zou inderdaad heel goed kunnen zijn, dat als na ettelijke jaren de vrijzinnigen of de rechtzinnigen in de Hervormde kerk eindelijk hun principieele overwinning behalen, er behoudens hun leiders geen mensch in Nederland meer is, die in dezen uitslag belang stelt. En aldus zou een organisatie, die mits met de eischen van den nieuwen tijd in overeenstemming gebracht en derhalve het richtingsverschil erkennend, voor het godsdienstig gemeenschapsleven van overwegende beteekenis kan zqn, haar gezag en haar kracht roekeloos verliezen. Daar wij dit ten zeerste zouden betreuren, meenen wij tegen dit „schijnvertoon"  en die „halsstarrigheid", niet van per­sonen maar van partijen, te moeten ne blijven waarschuwen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 april 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's