De waardeering van den arbeid.
III.
Het zal niemand verwonderen, dat onder Israël de arbeid in hooge eere was. Ook omstreeks het begin onzer jaartelling stond de handen-arbeid zeer in aanzien.
In de uitspraken der Rabbgnen zgn ons talrgke bewgzen hiervoor bewaard gebleven.
Daarmede werd eenvoudig de traditie voortgezet van den Oud-testamentischen tijd, en eene waardeering van den arb'eid komt hierin aan den dag, die geheel en al in overeenstemming is met Israels religie en wortelt in Israels Heilige Schrift.
Van ouds is het Joodsche volk een arbeidzaam volk geweest, dat in arbeidslust en vindingrijkheid niet onderdeed voor zgne omgeving. De bearbeiding van den grond en allerlei ambacht werd er uitgeoefend. Eerst allengs werd het een handeldrgvende natie, onder den invloed van zgne verspreiding over de geheele wereld, waardoor de arbeids-gelegenheden geringer werden, en de arboids-drang belemmerd.
Maar zoolang het Joodsche volk een rustig en zelfstandig bestaan kon leiden als een gezeten natie op den aartsvaderlijken grond, toont het zijn arbeidzaamheid in de beoefening van akker-en tuinbouw, en in de uitoefening van velerlei ambacht.
Reeds in oude tgden, in de dagen van Saul, vindt men in hgt Oude Testament gewag gemaakt van smids. Om de Israëlieten machteloos te maken, voerden de Filistijnen alle smids weg uit het land; bewapening werd daardoor onmogelijk; maar ook voor zgn landbouwgereedschappen, ploegijzer, houweel of spade, was Israël door dezen maatregel afhankelijk van zijn vijand, den Filistijn, 1 Sam. 13 VS. 19—22.
Een ambacht, dat men vaak naast dat der smaden genoemd vindt, is het ambacht der timmerlieden. Ook lakenvolders en pottebakkers hebben in hun handwerk een eigen bestaan, zelfs wonen zg in afzonderlijke wgken. Het „veld des vollers" wordt in 2 Kon. 18 vs. 17, Jes. 7 VS. 8 en 36 vs. 2 genoemd, klaarblijkelijk in de nabijheid van Jeruzalem.
Zelfs het barbiers-vak schijnt tot een afzonderlijk vak te zijn geworden; het heeft althans in Ezech. 5 vs. 1 een eigen naam. Hieruit valt op te maken, dat het afzonderlgk, en niet in vereeniging met een ander handwerk, werd beoefend.
Dat, met het toenemen der beschaving ook allerlei handwerk en kunstngverheid zich ontwikkelde, ligt trouwens voor de hand. In het volk van Egypte had Israël een voorbeeld inzake handen-arbeid en kunst.
Van meer belang is het, erop te letten, dat deze arbeid, naast den geestelgken arbeid van wets-studie en schriftgeleerdheid, in het Jodendom hoog werd aangeslagen. Meer dan koophandel werd hg gewaardeerd.
Terwijl de schrijver van het Apocriefe boek der Spreuken van Jezus Sirach den landbouw roemt als een Goddelgke instelling, spreekt, gewaagt hij van den handel niet: „Haat moeizamen arbeid niet, noch den landbouw, door God in het leven geroepen", hfdst. 7 vs, 15.
En elders in hetzelfde boek vindt men den lof gezongen van allerlei arbeid, geestelijken zoowel als lichamelijken: „De wijsheid van een Schriftgeleerde wordt verworven in het nuttig besteden van zgn' tgd, en hij die rust in zgn arbeid zal wijs worden." De schrjgver wil dus zeggen, dat hij den geestelgken arbeid, aan de kennis der wet besteed, hooger stelt: die zijn leven eraan geeft, en zich verdiept in de wet des Allerhoogsten, hij wordt geëerd en is met wgsheid vervuld.
Doch daarnevens spreekt deze schrijver ook met hooge waardeering van allerlei ambacht, van hem, die den ploeg drijft, van den timmerman en den architect, den zegelgraveerder, den smid en den pottebakker.
„Deze allen vertrouwen op hunne handen, en ieder van hen is verstandig in zijn werk. Zonder hen wordt geene stad gebouwd, en zal men daarin niet kunnen wonen of wandelen", hfdst. 38 en 39.
En zoo is het ook in den tijd omstreeks het begin onzer jaartelling en daarna.
De studie der wet, allerlei ambacht en handwerk wordt geroemd, maar over den handel wordt weinig met lof gesproken. Wel wordt meer dan eens gewaarschuwd tegen de gevaren van het geldverdienen door den handel en het zwervende leven van den koopman.
Rabbi Jochanan, zegt naar aanleiding van Deut. 80 vs. 12: „de wgsheid is niet in den hemel, d.w.z. zij wordt niet gevonden bg hoogmoedigen; zij is niet aan gene zijde der zee, d.w.z. gij vindt haar niet bij handeldrgvenden en reizende kooplieden".
Daarentegen staat de arbeid hoog in aanzien.
Wanneer een stoet met de eerstelingen der veldvrachten door Jeruzalem trok, stonden alle arbeiders, die voor hunne deur zaten te werken, op. Maar wanneer een Schriftgeleerde voorbgging, behoefden zg, hoezeer de stand der Schriftgeleerden ook in eere was, voor hem niet op te staan.
Een dergelijke practijk is geheel in overeenstemming met de opvattingen der Rabbgnen, van wie vele uitspraken ook over deze aangelegenheid in verschillende tractateu van den Talmud zijn overgeleverd.
Ook in het leven van den uit het Paradijs verdreven mensch staat, zoo wordt daar gezegd, nog vast dat de mensch boven het dier is, want zijn voedsel, hoe schaarsch het soms zg, en door hoe zwaren arbeid hij het moge verwerven, is toch loon en vrucht van eigen afbeid.
God heeft het, gelgk het elders in den Talmud beet, zóo verordend, dat iedere handwerksman behagen schept in zgn arbeid, opdat geen enkel handwerk ten onder ga.
Wel staat niet alle arbeid even hoog aangeschreven, maar ook de geringste handen-arbeid is geen schande; en iemand zijn zoon geen ambacht Iaat; leeren, voedt hij hem op tot roover".
De arbeid is door God gewild,„evenals de wet in het verbond gegeven; is, zoo is ook het werk in het verbond gegeven". Een vader is verplicht zijn zoon een handwerk als de wet te laten leeren.
Een zekere Simon uit het dorp Sichem was een zeer bekwaam graver van putten en maker van bronnen. Hg zeide eens tot Rabbi Jochanan ben Zakkaï, leerling van Hillel, en tijdgenoot der aposteIen „ik beteeken evenveel als gij". Toen de beroemde Rabbi vroeg: hoe dat? , was het antwoord: „omdat ik niet minder dan gij het geheel dien. Als iemand tot u komt en vraagt naar drinkwater dat rein is volgens de wet, zegt gij tegen hem: „drink uit die bron, welker water zuiver en koel is, of vraagt een vrouw u naar goed badwater, dan verwijst u haar naar die en die bron, want daarvan neemt het water de onreinheid weg".
Simon wilde hiermede zeggen, dat hij voor het inachtnemen van de reinheidswetten een even onmisbaar persoon is als de leeraar der wet want diens voorschriften kon men niet opvolgen zonder de bronnen en baden, die hg vervaardigde.
Niet bg allen was de waardeering van den handen-arbeid zoo groot. Er waren wets-leeraars, die met minachting; neerzagen, in een overdreven en eenzijdige waardeering van de wetsstudie Zoo was er een Rabbi Nechunja, die als hij uit de school kwam, placht te bidden: „ik dank U, mijn God, dat mijn deel is gegeven onder de bezoekers van het huis van onderricht, en niet onder de niets-doeners op de hoeken der straten: want ik sta vroeg op, en zïj staan vroeg op, ik keer mij vroeg tot de woorden der wet, en zij tot ijdele dingen; ik arbeid, en zg arbeiden, ik arbeid en ontvang loon, zij arbeiden en worden niet beloond; ik loop en zij loopen ik loop het eeuwige leven tegemoet, en zij het verderf".
Doch zulk een Farizeërs-trots en eigenwaan was vrij zeldzaam, en veel vaker wordt, ook onder de wetgeleerden, de handen-arbeid hoogelgk geëerd.
Dat blijkt wel uit het feit, dat ds meeste leeraars der wet een handwerk leerden, al waren zij niet allen genoopt het uit te oefenen. Niet allen toch ging het als Paulus, die na zijne bekeering arbeidende onder de heidenen, het handwerk van tentenmaker uitoefende, om niet ten laste van de gemeente van Corinthe té komen. Hand. 18 vs. 3, l Cor. 9 VS. 6—18.
Cor. 9 VS. 6—18, Maar waardeering hadden zij toch ongetwijfeld voor den handen-arbeid, getuige een spreuk, die onder de leeraars van Jabne gangbaar moet zijn geweest: „ik ben een schepsel Gods en evenzoo mijn medemensch, ik heb mijn beroep in de stad, hij op het land; ik ga vroeg aan mijn arbeid, en hij aan den zijnen; zooals hij niet pocht op zijn werk, doe ik het niet op het mijne; en denkt ge soms: ik verricht iets groots, hij iets gerings, wij hebben geleerd: hetzf iemand iets groots verricht, of iets gfr rings, het loon is hetzelfde, indien hei hart daarbij op den hemel, (d. i. op God) is gericht"
In Gamaliels familie was de spreuk gebruikelijk: „schoon is de vereeniging van wets-studie met een bezigheid in het maatschappelgk leven, want gverig met beide bezig te zgn, houdt af van de zonde, doch alle studie, die niet met handen-arbeid gepaard gaat, loopt uit op ijdelheid en heeft zonde tot nasleep".
Scheme ja, een leermeester van den beroemden Hillel, had tot geliefkoosde spreuk: „heb den arbeid lief".
Velen der Joodsche leeraars toonden hunne liefde tot en eerbied voor des handen-arbeid, door hun zetel op hui eigen schouders naar het huis van onder richt te dragen, want inspannende lichaamsarbeid was een eere.
Geheel in deze zelfde lijn ligt het, dat de Heere Jezus de dagen van Zijn verborgen leven doorbracht in het huis van Jozef den timmerman. De apocrief evangeliën hebben allerlei legendarische en wonderlgke verhalen over Zgnen arbeid in de timmermans-werkplaats van Jozef, die der vermelding eigenlijk niet eens waard zijn. Doch dat ook de Zaligmaker der wereld vóór Zijn openbaar optreden zich den handen-arbeid nie' zal geschaamd hebben, mogen wij gerust onderstellen.
Oók de handen-arbeid is door Hem geheiligd.
Zoo treffen wij onder Israël en ook onder het latere Jodendom eene waardeering aan van den arbeid, geheel gegrond op de Heilige Schrift, die God als Schepper eert, en rekent met de door Hem den mensch gestelde ordinantien.
Eene waardeering, die op het Christendom is overgegaan, die van groote zedelijke beteekenis is, en waardoor Jodendom en Christendom zich onderscheiden van andere volken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's