Stichtelijke overdenking.
Lukas 24 vers 5—63. En als zij zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bij de dooden? Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan.
De vrouwen bij het graf.
Bij de omwandeling des Heeren hier op aarde, neemt de vrouw een eereplaats in.
Bij Zijn geboorte zqn het aanstonds drie vrouwen die op den voorgrond treden, Elisabeth, Maria en Anna.
In Zijn leven zien we dat de Heiland telkens weer met vrouwen in aanraking komt. Denk aan Martha en Maria; denk aan de Samaritaansche en de Kananeesche, denk aan de schoonmoeder van Petrus en aan de vrouw, die een zondares was.
Op den kruisweg waren het weenende vrouwen, tot wie de Heiland zich gericht heeft. Bij het kruis stonden vrouwen van verre. Naar het graf zijn Hem vrouwen gevolgd. En aan den morgen der opstanding zijn het alweer vrouwen, die wü in den hof van Jozef ontmoeten.
De vrouwen die dan aan het ledige graf des Heeren worden aangetroffen zijn in de eerste plaats Maria Magdalena, dan de andere Maria, die de moeder van Jacobus, de vrouw van Cleopas was, dan Salome, de vrouw van Zebedeüs, en ten slotte Johanna, de vrouw van Chusas, die Herodes' rentmeester was.
Tusschen deze vrouwen bestond in menig opzicht niet weinig verschil, maar nog grooter was de overeenkomst die daar tusschen haar gevonden werd. Die overeenkomst was haar liefde tot Jezus, haar zoeken naar een gekruisten, naar een gestorven Zaligmaker.
Dat immers was de reden geweest, waarom zij aan den morgen van den eersten dag der week zich reeds zoo vroeg hadden opgemaakt. Dat was de drijfveer geweest die haar op de vleugelen der liefde Jeruzalem had uitgedreven. En zoo vinden we ze dan aan het geopende graf.
En nu ishet wel opmerkelijk, dat we in de eerste plaats deze vrouwen opmerken een ootmoedige vreeze. Immers we lezen van deze vrouwen dat zij zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden. Of er dan oorzaak voor zulk een vreeze bestond?
Aan de eene zijde niet, maar aan de andere zijde zeer zeker wèl.
Neen, in zekeren zin behoefden de vrouwen niet te vreezen. Het eerste woord, dat zq, volgens Mattheüs, dan ook uit den mond van den engel des Heeren ontvingen, was een: vreest gijlieden niet. Het was immers met deze vrouwen zoo geheel anders dan met de wachters. Zij hadden alle reden gehad om te vreezen. Dat zij als dooden van het graf waren weggevlucht, was waarlijk geen wonder geweest.
Maar voor deze vrouwen was éigenlqk alle reden tot vreeze vervallen. Zij behoefden niet meer te vreezen en toch lezen we dat zg bevreesd werden en dat zij het aangezicht naar de aarde neigden. En in zekeren zin is dat toch ook geen wonder geweest.
Immers de vrouwen bevinden zich hier op heilig erf. Zq staan aan den mond van een graf, en nog wel aan den rand van een geopend graf. Bij dat graf hebben zij twee mannen zien staan in blinkende kléederen. Die mannen blijken voor haar boden uit den hemel te zgn. En we weten dat bij zulk een engelenverschijning altoos iets afstraalde van hemelsche heiligheid, en hemelsche heerlijkheid. En hoe zou nu een mensch die van nature aardsch is uit de aarde niet vreezen wanneer hem iets van het licht des hemels omstraalt ?
Hoe zou nu een zondig mensch niet vreezen wanneer het licht van Gods heiligheid over hem opgaat?
Dus van die zijde bezien kon het wel niet anders of de harten der vrouwen waren door ootmoedige vreeze geroerd. Wanneer zelfs de engelen in den hemel hunne aangezichten bedekken, wanneer ziij in het rgk van het ongeschonden licht de heerlijkheid des Heeren zien, hoe zouden deze vrouwen dan niet haar aangezichten naar de aarde geneigd hebben, toen daar aan het geopende graf iets tot haar doordrong van diezelfde majesteit?
Ja, de harten dezer vrouwen waren met een ootmoedige vreeze vervuld. Wel bleek deze vrees iets heel anders dan de vrees der wachters te zijn. Immers waren de wachters gevlucht, van de vrouwen lezen we niet dat haar vrees haar van het graf heeft weggedreven. Integendeel, het is alsof die vrees haar nog meer aan het graf van den Heere Jezus verbindt.
Zij voelen er zich nog destemeer toe aangetrokken.
En zoo is het immers met alle ware vreeze, die ook thans nog op een Paaschmorgen onze ziel kan vervullen. Of zgn er ook nu nog geen zielen, die, schoon zij niet behooren tot de wachters, toch bij het ledige graf van den Heiland vervuld zijn met vrees? Ach, in zekeren zin behoeven zg niet te vreezen, want meer dan ooit kan het op Paaschmorgen aan allen die den Heere Jezus zoeken, toegesproken worden: vreest gijlieden niet. Maar toch is het anderzijds te begrijpen dat de harten van allen, die den Heere zoeken, op Paaschmorgen geroerd zgn door een ootmoedige vrees.
Immers, als we waarlijk in den geest aan het geopende graf van den Heere Jezus staan, dan staan we daar op heilig land, dan omstraalt ons daar als 't ware iets van de heiligheid Gods, iets van de heerlgkheid des hemels. En wie zou, als het licht van Gods majesteit over hem opging, het hoofd niet buigen en zijn oog niet ter aarde slaan?
Ja, als we door het licht van Gods Heiligheid aan ons zelf worden ontdekt en we hebben gezien niet alleen dat wij zondaren zgn, maar ook dat God te rein is van oogen om het kwade te zien, o dan kan het niet anders of ook onze ziel is met vreeze vervuld.
Maar nu is dit zoo'n verschil of onze vreeze ons van God afdrgft of naar Hem toedrgft; of onze vreeze ons van het ledige graf doet wegvluchten of ons naar dat ledige graf doet heenvluchten. In het eerste geval zgn we gelgk aan de wachters. En dan big kt er inderdaad ook voor ons reden om te vreezen zgn. Immers dan roept ook de Paaschmorgen het ons toe: De Heer' zal opstaan tot den strijd. Hg zal Zijn haters.wgd «n zgd, verjaagd verstrooid doen zuchten.
Maar in het tweede geval zijn we gelgk aan de vrouwen. En dan wordt straks ook onze vreeze beschaamd. O, dat er iets van die vreeze der vrouwen ook in onze harten gevonden mocht worden.
In de tweede pïaats echter wordt tot deze vrouwen gericht een ernstige vraag. Die ernstige vraag, die hier door engelenmond aan haar gedaan wordt, is deze: Wat zoekt gij den levende bij de dooden ?
De vrouwen, die wij aan het graf van den Heiland ontmoeten, bleken dus zoekende vrouwen te zijn. Zij zochten den Levende. Neen, dat wisten zg zelve in die ure nog niet. Zij meenden een dooden Jezus te zoeken. Daartoe hadden zg zich immers des morgens vroeg opgemaakt. Daartoe hadden zij specerijen bereid. Het was haar te doen geweest om een Jezus, die Zijn met doornen gekroond hoofd had doen zinken op Zgn borst, die het op Golgotha had uitgeroepen: Vader, in Uwe handen beveel ik mgnen Geest. Het was haar te doen geweest om een Jezus, die aan het vloekhout den dood der smart en der schande gestorven was. Dat zij dus een levende zochten, neen, daar hadden zij nog niet de geringste voorstelling van. Inplaats van den Levende meenen zij een doode te zoeken. Ik weet dat gij zoekt Jezus, die gekruisigd was. Toen de engel dit woord gezegd had, hadden zg hem dan ook beter verstaan dan nu haar deze vraag over den Levende werd voorgelegd. Toch hadden deze engelen .gelgk toen zij van deze vrouwen zeiden, dat zg den Levende zochten. Onbewust en zonder het zelf te weten zochten zij immers naar Hem, die het met zoovele woorden gezegd had: Ik ben de Opstanding en het Leven, die in Mg gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven.
Maar juist omdat haar zoeken nog onbewust was, zochten zij dezen Levende op een verkeerde plaats. Zij zochten Hem bg de dooden. Zg zochten Hem in den hof van Jozef van Arimathea; zg zochten Hem in het graf; zij zochten Hem om Hem met haar specergen te zalven, En zij begrepen niet, dat het juist omgekeerd was. Niet zij zouden Hem moeten zalven met de specerijen die zg gereed hadden gemaakt, maar Hij zou hé, ar moeten zalven met de specergen van Zijn volbracht Middelaarswerk. Dat werk, dat op Golgotha volbracht was, zou aan hare harten toegepast en verzegeld moeten worden en dat kon immers alleen geschieden door een levenden Zaligmaker ?
O, waarom dan den Levende bg de dooden gezocht? Waarom dan zoo gering van Hem gedacht? Immers, gij gevoelt wel, dat was de reden waarom deze vrouwen den Levende bg de dooden zochten. Zij haddeii te kleine gedachten gehad van Zgn macht, van Zijn liefde, van Zijn genade en trouw.
En dat is dezelfde reden waarom deze ernstige vraag ook thans nog telkens weer herhaald kan worden.
Wat zoekt gg den Levende bij; de dooden? Ja, dat wordt ook thans nog door zoovelen gedaan. En op zichzelf is dat zeker een voorrecht als van ons gezegd kan worden, dat daar een zoeken naar den Levende is. Immers van nature zoeken wij den Levende niet; van nature zoeken wij nog niet eens den dooden Zaligmaker. Van nature zoeken wg wel de dooden; d.w.z. wg zoeken allerlei doode dingen, waaraan het ware leven ontbreekt. Van nature zoeken wg naar geld en naar goed; van nature zoeken we naar genot en vermaak; kortom van nature zoeken we de wereld, niettegenstaande wg het zoo telkens weer zien, dat de wereld voorbggaat met al haar begeerlijkheid.
Wat een voorrecht dus als ook van ons getuigd kan worden, wat van deze vrouwen gezegd wordt, dat daar een zoeken van den Levende is. Ja, wat een voorrecht als daar, evenals in de harten dezer vrouwen, ook in onze zielen een oprechte behoefte, een waarachtige begeerte naar den Heere Jezus gevonden mag worden. Dan immers is dat een bewijs, dat daar ontdekking was aan zonde en schuld. Of is het dan ook ons, evenals deze vrouwen niet om een Jezus die gekruist was, te doen? En een gekruiste Jezus past immers niet anders dan bij een gevloekten zondaar. Welnu, als wij nu onszelven bij Geesteslicht gezien hebben als gevloekten voor God en we zoeken dus een Zaligmaker, die met onzen vloek beladen aan het vloekhout der schande den dood des gevloekten gestorven is, dan zoeken ook wg, zij het nog onbewust, naar den Levende, die dan ook voor ons, zonder dat wg het zelf nog weten, de Opstanding en het Leven reeds is.
Maar evenals de vrouwen, zoeken dan ook wij den Levende zoo vaak bij de dooden. Evenals de vrouwen hebben ook wij dan allerlei specergen bereid, waarmee we in onze dwaasheid Hèm zalven willen. Nietwaar, wij meenen zoo vaak dat wij den Heere allerlei moeten toebrengen, inplaats van dat Hij óns alles toebrengen moet. Wg meenen b.v. zoo vaak, dat de droefheid over onze zonden veel dieper moest gaan, dat ons breken met de zonde veel hartelgker moest zgn, dat onze liefde tot Jezus veel inniger moest wezen, dat wg veel meer doen moesten wat den Heere welbehagelgk is.
En zoo zgn daar allerlei specerijen die wij tot den Heere willen uitdragen, en die alteinaal een bewijs zijn dat wij nog bezig zgn den Levende bij de dooden te zoeken. En daarom, o, dat wg toch niet langer klein, niet langer *te klein mochten denken van de macht, van de liefde, van de genade en trouw van Hem, die eenmaal, den dood tot overwinning verslond. Dat wg het toch gelooven mochten, dat Hij niet alleen gestorven is om onze zonden, maar opgewekt om onze rechtvaardigmaking, zoodat Zijn volbracht Middelaarswerk de eenige grond is om zalig te worden en het met het oog daarop nog èltoos waar is wat de dichter eens zong:
Dit is, dit is de poort des Heeren Daar zal 't rechtvaardig volk door treên.
De Paaschmorgen wekte bij de vrouwen niet alleen een ootmoedige vreeze en stelde haar niet alleen een ernstige vraag, maar bracht haar in de derde plaats ook een rgke tg ding. Hoort maar hoe de mond der engelen het den vrouwen toeroept: Hg is hier niet, maar Hg is opgestaan.
Hij is hier niet. De Heiland was dus niet waar de vrouwen Hem zochten. En o, wat was dat gelukkig nietwaar?
Immers, gesteld eens dat Hij daar in dat graf nog wèl gelegen zou hebben; dat de vrouwen het dus gevonden hadden, zoo^s zij het zich hadden voorgesteld ; gesteld eens dat de steen nog voor de deur des grafs gewenteld was geweest, en dat zij in het graf werkelgk het ont zielde lichaam des Heeren nog gevonden zouden hebben, . en gesteld eens dat zij Hem dan met hun specergen hadden gezalfd, o gij gevoelt wel, dan was dat ook het allerlaatste geweest, en even troosteloos als zg gekomen waren hadden zij weer'' naar huis kunnen gaan.
O, misschien zijt ook gij wel eens naar een graf, naar het graf uwer geliefde dooden gegaan. Misschien meendet gij wel eens dat daardoor de smart over hun heengaan eenigermate zou worden verzacht. En, zeker, als gg daar dan stondt, deed het uitschreien u wel eens goed, maar wat een harde en bittere gedachte, dat gij dan toch tenslotte weer zonder hem of haar die-daar rustte, huiswaarts moest gaan I De ledige plaats had door uw gang naar het graf niet gevuld kunnen worden en haast werd het gemis nog meer dan vroeger gevoeld. Welnu, zoo zou het nu ook met de vrouwen geweest zgn, als de Heiland daar nog in het graf gelegen zou hebben. Maar hoe geheel anders was het nu! Immers Hij is hier niet, maar Hg is opgestaan. O, dat woord was voor deze vrouwen een licht in de duisternis.
Hij is opgestaan. Jezus had dus de ijzeren deuren gebroken en Hg had de koperen grendelen in stukken gestooten. Hij had den dood verslonden tot overwinning. En neen, het leven, het nieuwe leven waartoe Jezus thans opgewekt was, zou niet het zelfde leven, het zeïfdé Igdensleven zijn, dat Hij tot hiertoe had geleefd. Integendeel, het was een leven dat nimmermeer door den dood gegrepen kon worden. En datieven was daarom zoo rijk omdat in dat leven ook lag het leven van deze vrouwen, ja, het leven van allen, die met deze vrouwen 's Heeren eigendom zijn. Ik leef en gg zult leven, dit immers was de rijke beteekenis en tevens de rijke troost die er voor de vrouwen in de opstanding des Heeren Jezus besloten lag. Zonder die opstanding des Heeren toch zouden zg voor eeuwig aan den dood onderworpen zijn gebleven en was er voor haar geen eeuwig zalig leven geweest. Maar nu door de opstanding des Heeren was het woord, dat Paulus later sprak, ook aan deze vrouwen bevestigd geworden: U heeft Hg mede levend gemaakt, daar gg dood waart door de misdaden en de zonden.
En dat is immers nog steeds de rgkdom van de tijding, die ook op dit Paaschfeest weer allerwege werd uitgedragen. Hg is hier niet, maar Hg is opgestaan. Hij is niet meer daar waar Hg door Zijn volk vaak wordt gezocht. Hij ligt niet meer onder de zonden. Hij ligt niet meer onder de schuld. Hij ligt niet meer onder den vloek. Integendeel, Hg is uit de dooden weer levend geworden. Hg is ten derde dage opgewekt naar de Schriften.
En o, laten we ons met den apostel een oogenblik indenken, dat dat niet was geschied. Gesteld dan eens, dat het niet waar was, wat hier door de engelen zoo luide werd uitgeroepen. Wel, dan was, zegt Paulus, onze prediking gdel en gdel was ook uw geloof; dan werden wij bevonden valsche getuigen Gods; ja, dan zijn we nog in onze zonden en dan zijn ook verloren die in Christus ontslapen zijn.
Wel een bewgs, welk een groote waarde daar ook door ons aan deze boodschap der engelen moet gehecht worden. Immers laten we ons nu het laatste alleen maar even voorstellen, niet waar? Is het niet ontzettend om te denken, dat alle degenen die in hope op Christus van deze aarde zijn heengegaan, verloren zouden zgn?
Dus Abel, die door het geloof een meerdere offerande heeft geofferd dan Kaïn, zou dan verloren zijnl Dus Abraham, die begeerig was naar een beter vaderland, zou dan verloren zijn! Dus Jacob, die door het geloof stervende heeft aangebeden, zou dan verloren zijn I Dus Mozes, die verkoos met het volk van God kwaligk behandeld te worden, zou dan verloren zgnl Dus Job, die in heiligen geloofsmoed heeft gejubeld, ik weet mijn verlosser leeft, zou dan verloren zign!
Dus David, Stefanus, Petrus en alle degenen die in Jezus ontsliepen, zouden verloren zgn I Ja, dat zou zoo wezen als het niet waar was wat hier aan den mond van het geopende graf tot de vrouwen werd gezegd.
Maar nu dat ook wèl waar is, nu Christus dus ten derde dage, naar de Schriften weer opgewekt is, nu blqkt het ook juist omgekeerd te zijn.
Nu is de prediking niet ijdel; nu is het geloof niet te vergeefs, nu zijn de apostelen en alle predikers van een levenden Christus geen valsche getuigen Gods, Nu zijn Gods kinderen niet meer in hunne zonden; en nu zijn degenen die in Christus stierven niet verloren gegaan. Integendeel, nu zijn zij als een woike van getuigen rondom den troon Gods en des Lams om Hem daar dag en nacht te dienen en Hem te prijzen tot in eeuwigheid.
O, wat een rijke tijding die daar lederen opstandingsmorgen weer bij vernieuwing verkondigd mag worden. Immers nu Christus opgestaan is, nu is er nog altoos een volk dat het als vrucht van die opstanding met den apostel getuigt: ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad heeft en zich zelven voor mij heeft overgegeven. Nu Christus gestorven is, nu is daar nog altoos een volk — en geve God u en mij genade tot dat volk te behooren — dat het den dichter kan nazeggen:
Mijn hart roept uit tot God die leeft, En aan mijn ziel het leven geeft.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's