Uit het kerkelijk leven.
De Kerk en hare belijdenis.
In de Kerk is een Confessie onmisbaar. Zq bestaat dan ook eigenlijk reeds vóór zij in formulieren is opgesteld. Zg komt als van zelf, als vrucht van de gemeenschap met Christus, door de werking des Geestes, die aan de Kerk gegeven is om haar te leiden in de waarheid.
Bij elke moeilijkheid, zeker bij elke splitsing, wordt de Kerk er toe gedrongen naar haar Confessie te verwijzen en die nader te omschrijven. Het hangt met het bestaan der Kerk saam. Bij wegvallen van het Symbolum, is de Kerk ook weg. Zg is dan niet meer te vinden, niet meer te onderkennen; ze heeft als Kerk dan opgehouden te bestaan.
Nu schrgven we aan de Confessie geen eigen kracht toe. De autoriteit en de hoogste kracht ligt in Christus en in Zijn Woord. Maar we verzetten er ons tegen dat de belijdenis der Kerk stilzwggend zou worden ingetrokken, op zg zou worden gezet of krachteloos zou worden gemaakt. We houden vast aan haar permanente waarde als gemeen accoord, als teeken van eenheid, als steunpunt om elkander te ontmoeten, als document om zich op te beroepen.
Teugelloos subjectivisme verwoest de Kerk.
De groote waarheden van het Christendom, van Evangelie en Reformatie moeten uitgangspunt zgn ; aan deze waarheden kennen we burgerrecht toe in onze Herv. Kerk en we zullen niet dulden dat die door willekeur en geweld van kracht zullen worden beroofd en onze Herv. Kerk alzoo zal worden vernietigd.
Wat men de laatste honderd jaar met de belijdenis der Kerk gedaan heeft bedoelde kennelijk haar krachteloos te maken, haar af te schaffen, zich van haar te ontdoen. Maar omdat men zich, wegens het algemeen protest, niet geheel van haar kon ontlasten, heeft men haar tegen wil en dank behouden, maar zóo, dat men geen last van haar zou hebben.
Zoo is zg er nog. Maar zg is zóo omtuind, dat ze niet al te lastig is en geen binder doet.
De actie tegen de belgdenis bewgst haar kracht en haar waarde. Was de belgdenis iets, dat toch niet gemerkt werd in het kerkelijk leven, dan had men niet dien feilen strijd tegen haar gevoerd en die vele aanvallen tegen haar gericht. Een stervende laat men sterven. Een doode valt men niet aan.
De belijdenis heeft men dood willen maken. Maar ze leeft nog; en de Kerk vraagt er weer naar; in en buiten onze Herv. Kerk big ven duizenden bij duizenden zeggen, dat het een kostelijk geschenk Gods is, waarin de waarheden van het Evangelie en van de Reformatie kloek en keurig zgn beleden, uiteengezet en verdedigd.
We willen van de Kerk geen geadministreerde vereeniging van elk wat wils maken. Het volk in de Kerk mag niet overgeleverd zgn aan alle wind van leer. Het mag niet zonder waarborg zgn, dat hun het Evangelie zal worden verkondigd. De vrgheid in prediking is het juk van de Kerk, voor de gemeente, waaronder de Kerk bezwgken moet. En de conscientie van de belijders van Jezus, als den van God gegeven Zaligmaker, is dan ook bezwaard, omdat de Kerk als Kerk Zijn Naam niet belijdt en het Lam Gods als Kerk niet eert, wat hier toch in beginsel moet geschieden gelijk 't eenmaal volmaakt zal gebeuren in den hemel.
De Kerk moet zekerheid hebben mannen te ontvangen, die zich scharen rondom het symbool der Kerk, begeerende de Kerk te bewaren bij en te leiden in de waarheid. Het Evangelie moet in het centrum staan en alles beheerschen. Eu nu maken helaas I de meest uiteenloopende richtingen de belijdenis der Kerk krachteloos; zij willen het Evangelie des kruises het hart uitsnijden. Daartoe vrijheid te geven is de belijdenis om hals te brengen, de Kerk te verwoesten. Gods Woord van kracht te berooven, Christus te beleedigen allen arbeid der Kerk onmogelgk te maken, de volkskracht te breken.
De waarheid kan en mag de leugen niet met vree laten; want dat doende zou zij zich zelf bezig zijn te begraven.
Dit houdt allerlei in voor de practijk.
Wij moeten in de Herv. Kerk blijven. Want wat men er ook van zegge, het orthodoxe geloof, overeenkomend met Schrift en belijdenis, is het ware geloof van onze Herv. Kerk.
De Evangelische grondslag is de basis van onze Kerk. De Reformatorische beginselen hebben alleen recht in onze Kerk, Dit is de historische leer, neergelegd in de historische belijdenisschriften, laatstelijk op de Dordtsche Synode in 1618—19 kerkelijk gereviseerd en vastgelegd, en sinds kerkelgk niet afgeschaft noch gewgzigd, door duizenden in en buiten onze Kerk geliefd en van heeler harte toegestemd.
De voorstanders van een leer, die van den Evangelischen grondslag is afgegleden en met de Reformatorische beginselen principieel verschilt hebben in onze Herv. Kerk geen zedelijke rechten. Elke reglementswijziging hield verband met het onaangetast laten van het fundament der Kerk, zgnde de belgdenis van Jezus Christus, den eeniggeboren Zoon van God; en steeds is plechtig verzekerd, dat het wezen en de hocfdsaak der formulieren van eenigheid niet zouden worden verschoven, maar gehandhaafd zouden big ven. Slechts zg hier, om dit te bewijzen, herinnerd aan een Synodale verklaring van het jaar 1841, waarin staat „dat het gewgzigd formulier van onderteekening voor de proponenten, al vordert het ook geen instemming met den ganschen inhoud der belijdenisschriften, zich echter niet vergenoegt met de aankleving van deze of gene waarheid daarin vervat, maar in 't algemeen de leer, die in dezelve voorkomt, gelijk die in haar aard en geest, het wezen en de hoofdzaak uitmaakt van de belijdenis der Herv, Kerk, door den leeraar dier Kerk wil aangenomen hebben" — een uitspraak door de Synode van 1854 nog eens herhaald en sinds nooit losgelaten.
Dat de leer, die in de belgdenisschriften der Ned. Herv. K«rk voorkomt, het wezen en de hoofdzaak van de belijdenis der Herv. wès en gebleven is, houden we in dit vertand vast. En we verklaren, dat zij die in het wezen en de hoofdsaak van de belgdenis der Kerk verschillen en toch in de Kerk big ven er feitelijk niet thuis hooren. De Kerk heeft tegen principieele verandering van haar confessie steeds geprotesteerd en gereageerd en reageert en protesteert er nog tegen. Waarbij aan den anderen kant als onze overtuiging wordt uitgesproken, dat men in 1834 en 1886 de Herv, Kerk niet in grooten getale had moeten verlaten, juist omdat de Symbolische geschriften nog hun wettig gezag hadden behouden, zg 't dan ook, dat voortijdeIijke afscheiding misschien allerlei bepaling en usantie, door overmacht zoo knellend en benauwend, oorzaak gaf, waarbij de vijanden van de Evangelische en Reformatorische waarheden geen gelegenheid en geen middel ongebruikt hebben gelaten, om een uittreding van hen, die toch wettige kinderen der Kerk waren, te provoceeren, gerugst.eund door een Overheid, die niet begrepen heeft wat haar taak was ten opzichte van de Kerk des Heeren in dezen lande.
Moeten we dus eenerzijds eerlgkheidshalve verklaren, dat degenen die de grondwaarheden van de belijdenis der Kerk loochenen en nochtans in haar midden zgn en big ven, niet tot haar behooren en ook uit haar midden zullen moeten heengaan, anderzgds spreken we onomwonden uit, dat de broeders en zusters in het geloof, die in 1834 en 1886, of bij andere kerkelgke conflicten, uit onze Herv. Kerk zijn uitgetreden tot haar blijven behooren en ook zoo spoedig mogelgk weer tot haar terug moeten komen. Wat geestelijk één is mag niet gescheiden van elkander leven, evenmin als men saam voegen mag wat geestelijk gescheiden is.
Hebben dus de afwijkende richtingen geen recht en zijn onze kerkelijk-gescheiden levende broeders en zusters ontijdig heen gegaan, wij verklaren ten opzichte van ons zelf en onze naaste geestverwanten, dat wij in de Herv. Kerk „thuis" zijn en dan ook in die Kerk wenschen te blijven. Maar om dan ook in die Kerk op te komen voor de ware belijdenis van 's Heeren Naam en voor het historisch erfstuk van onze Vaderen verkregen, met de zoo ernstige betuiging deze belijdenis te bewaren tot op de wederkomst van Christus. En we zullen strijden zóó lang, totdat óf de Herv, Kerk zich gereorganiseerd heeft op denonbewegelgken grondslag, van God zelf gelegd — óf dat zg, bezweken voor onrecht en geweld, zich ontdaan heeft van vormen, die bedriegelijk zijn, uitkomende als een vereeniging des ongeloofs.
Gereorganiseerd zgnde op de Schriftuurlijke basis vreezen we voor haar toekomst niet. Dan zullen alle ware belijders van den Christus, 't zij nu buiten of binnen hare grenzen levend, zich in haar midden vergaderen en zal zij als de Kerk van Christus in dezen lande de banier der waarheid opwerpen en haar arbeid uitzetten en gemeenschap zoeken tot over onze grenzen, overal waar de ware Kerk van Christus gevonden wordt, levend naar Gods Woord.
Dan heeft zg een toekomst.
Maar vallend in de handen dergenen die den Christus Gods loochenen als gestorven voor onze zonden en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking, zullen deze lieden tenslotte verlegen zitten met de Kerk in de steden en in de dorpen, daar het volk zich zal afwenden van die Kerk, die dan geen Kerk van Christus meer is — en zg zal van zelve vervallen, uitsterven, verdwijnen — waarb^ een stuk der historie wordt afgesloten en onder Gods bestel zich een nieuwe weg voor de Kerk van Christus in dezen lande zal openen.
Moet deze laatste weg des oordeels over ons en over onze Kerk komen, 't zij zoo. God is dan niet te beschuldigen van onrecht. Het zal tenslotte dan ook zóo het beste zgn vóór Kerk en volk. Maar we willen dat toch niet afbidden. We willen het ook niet werkeloos afwachten. We willen handelen, alsof de Herv. Kerk als de Kerk van Christus te herstellen en te behouden is in het midden van dezen lande en in het midden van dit volk.
Glorieeren willen we dus, met de banier der waarheid in de hand — óf uitgedreven worden. Een andere weg is er niet. Onze positie, door Ja" en „neen" tegelijk te zeggen, te bestendigen, willen we niet. Niets onzedelijker is er dan op het terrein der waarheid met twee monden te spreken. En niets verderfelijker dan de Kerk in haar geloof binnen hare muren te laten bestrgden.
Het geloof der Kerk mag niet vervangen worden door meeningen, die dat geloof omverstooten. De Kerk zelf moet dan ook weer aan 't woord komen, om te spreken naar het Woord en zij moet niet dood gedrukt worden door een bestuursinrichting, welke met het wezen der Kerk in strijd is en de belijdenis niet durft afschaffen uit vrees voor het volk en de belgdenis niet wil vrijlaten uit vrees voor de waarheid en zoo geeft en neemt, te gelgk „ja" en ^neen" spreekt waarbij niemand vrede heeft en de positie der Kerk met den dag verzwakt wordt, totdat anderen geheel haar plaats hebben ingenomen en haar ineenstorting slechts een kwestie van tijd is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 april 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's