De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De waardeering van den arbeid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De waardeering van den arbeid.

9 minuten leestijd

IV.

Gansch anders dan in de H. Schrift van Oud en Nieuw Testament, anders ook dan in het Jodendom, was de waardeering van den arbeid in de wereld, waarin het christendom optrad met zijne prediking.

Geen wonder, daar de levensopvatting in de Grieksche en Romeinsche wereld van ouds een zoo gansch andere was, en buiten de erve der bijzondere Openbaring God niet werd gekend en geëerd als Schepper.

Griekenlands oude wijsgeeren spraken over den arbeid in een geheel anderen toon dan de H. Schrift dat doet; met name voor den handen-arbeid treffen wij bij hen weinig waardeering aan.

Dit staat in verband met hun gansche levens-beschouwing en waardeêring.

Kenmerkend is bijv. de weinig waardeerende wijze waarop een wijsgeer als Plato over den arbeid spreekt. Voor hem toch is de deugd inzicht, inzicht  in hetgeen het goede is naar zijne idee, in het wezen der gerechtigheid. Volgens Plato is derhalve de ware wijze, de man van het rechte inzicht, ook de ware deugdzame.

In den idealen staat, dien Plato zich denkt, en waarin de ware wijsgeeren, als de echte deugdzamen, de heerschers moeten zqn, neemt de handen-arbeid dan ook wel eene plaats in; want zonder dezen kan in de levens-behoeften der menschen niet voorzien worden: zonder den handen-arbeid zou de landbouwer geen gereedschap, de stedeling geen woning hebben; de landbouw is onmisbaar voor de levensmiddelen-voorziening; ook handel moet er zqn en scheepvaart; doch hoog wordt dit alles bij Plato niet aangeslagen.

Het behoort alles tot de stoffelijke, zinnelgke, d.i. volgens Plato de lagere zijde van het leven. Onmisbaar bestanddeel van het levens-complex moge dus dè handen-arbeid zijn, eervol is hij niet. Handen-arbeid, het ambacht, verklaart hij — en bij zijne wijsgeerige gronddènkbeelden wekt dit geen verwondering — maakt dat men zich afwendt van de vrije zede.

Immers, naar zijne opvatting bestaat het hoogste goed in een zich afkeeren van alle stoffelijkheid, in de zuivere aanschouwing. Welke waarde zou hiervoor dus een ambacht, welke handen-arbeid ook, kunnen bezitten, welke beteekenis dan die van een belemmering ?

Zóó sterk zelfs spreekt hij, dat hij van ambacht en handen arbeid zegt, dat zij schande brengen ; want wie er zich mede bezighoudt, bezit naar zijn natuurlijken aanleg de gestalte van het goede slechts zwak in zich, en kan dus over zijn lagere driften niet heerschen, maar moet hen dienen.

Nog lager staan bij hem diegenen, die geen ambacht of handwerk verstaan; wat hun inzicht betreft, zyn zij wel niet zeer waardige deelhebbers aan Plato's idealen staat, maar zij bezitten een lichaamskracht, die geschikt is voor zwaren arbeid, waarvan zij het gebruik aan den staat verkoopen kunnen als loonarbeiders, als huurlingen.

Hoe ver staat deze aristocratische opvatting, die niet het gansche leven, ook het stoffelijke, als een schepping Gods kent, verwijderd van de waardeering, die wg in de H. Schrift aantreffen!

En om niet meer te noemen, willen wij hier alleen nog even herinneren aan Aristoteles, die zich in dit opzicht weinig van Plato onderscheidt.

Voor den arbeid zijn er de slaven; dezen moeten weten, wat zg te verrichten hebben, kunnen hierin zelfs onderricht ontvangen; doch hunne heeren behoeven slechts te kunnen bevelen, wat de slaven moeten kunnen doen. En zelfs kunnen zij, die het geluk hebben, zich aan deze moeite te onttrekken, hiervoor een opzichter aanstellen; zelf leven zij dan als burger of wgden zich aan de wijsbegeerte". Hoogere deugden worden volgens Aristoteles niet in den slaaf, wel in diens heer vereischt. Voor den slaaf is slechts zooveel noodig, dat hg niet uit moedwil of traagheid zgn' arbeid nalaat.

Ook de man, die handen-arbeid verricht, een ambacht uitoefent, kan geen deel hebben aan de hoogere deugden, het verheven inzicht, dat den regeerders eigen is. Zoodat Aristoteles zelfs komt tot het stellen van de vraag, of men de handen-arbeiders tot de burgers vaneen staat mag rekenen. Niet allen toch, zonder welke de samenleving niet zou kunnen bestaan, moeten als burgers worden aangezien. En gelgk in oude tijden hier en daar zij die handen-arbeid verrichtten, tot den slavenstand behoorden, zal de staat, die op z'n best is ingericht, den handwerksman niet het burgerrecht geven. Want het is onmogelijk dat menschen, die met handen-arbeid of koophandel hun leven doorbrengen, de deugden, waarvan hier sprake is, kunnen verwerven. Voor het verwerven n.l. van dergelijke deugden als Aristoteles bedoelt, is het noodzakelgk vrij te zgn van handen-arbeid, en de hoogste deugd is te verkrijgen door middel van wijsgeerig inzicht.

Doch zien wij thans van deze theoretische beschouwingen af, en stellen wij de vraag, hoe omstreeks het begin onzer jaartelling in het Romeinsche rijk de waardeering van den arbeid was.

Opmerkelijk is, dat de gangbare opvattingen in hoofdzaak overeenstemmen met de theorieën van die wijsgeeren uit den ouden tiijd.

Het beeld, dat de romeinsche keizertijd te aanschouwen geeft, is in menig opzicht weinig verheffend; het draagt veelszins de trekken van diep verval.

In alle standen, in alle lagen der maatschappij heerschten de zucht naar bezit en de dorst naar genot. De positie van den Romeinschen burger hing allereerst af van hetgeen hg bezat. Al het overige was slechts in zooverre van praclisch belang, als het kon medewerken tot verwerving of vermeerdering van bezit. Wie geen kans had, tot een zoodanig bezit te komen, dat hij kon opklimmen tot de standen, waar voordeelige staatsambten werden bekleed, stelden zich ermede tevreden, in de diepere lagen van-het maatschappelijk leven te blijven, its hij daar slechts met zoo weinig ogelijk inspanning en op zijne wijze et zooveel mogelijk genot zijn leven kon slijten.

De hooge staats-beambten, die rijke inkomsten genoten uit hun betrekking, hadden echter meestal aan hun salaris niet genoeg voor hun hoog opgevoerde behoeften. Vermeerdering van hun inkomen wisten velen zich te verwerven door middel van hunne slaven. Op allerlei wijzen konden dezen een bron van inkomen zgn, hetzg dat men hun het uitoefenen van een ambacht of kunst liet leeren, om hen dan of zelf daarin te gebruiken of hen te verhuren tegen dagloon, hetzij dat men hen aan het hoofd stelde van een of ander bedrijf, bijv. een landgoed liet beheeren, het bevel gaf over een zeeschip of de leiding van een geldbank; de inkomsten hiervan kwamen ten goede aan den eigenaar van den slaaf.

Wist deze zich allengs zelf een vermogen te verwerven, dan kon met hem een pachteontract worden gesloten.

In ieder geval, de hoogere standen hielden niet zelf zich met dergelijke bedrijven bezig; wel genoten zij de voordeden ervan, door middel van hunne slaven, doch hunne waardigheid gedoogde niet, dat zij zich met soortgelijke zaken onmiddellijk en persoonlijk inlieten.

Evenmin was aan de voornamere standen een meer geestelijk beroep geoorloofd. Afgezien van het bekleeden van hooge staats-ambten stond voor hen alleen de betrekking van advocaat open.

Het weelderige en uiterst samengestelde maatschappelijk leven van Rome bracht wel het ontstaan en den opbloei van een ontzaglijk groot aantal bedrijven en ambachten met zich; tallooze winkels, allerlei nering was er te vinden, doch alles in handen van slaven of vrijgelaten slaven. Een vrij-geboren Romeinsch burger gaf zich met dit alles niet af.

De laagste standen der burgers van Rome waren allengs eraan gewoon geraakt, op staatskosten te leven en zich te vermaken. Bekend is de gewoonte, geregeld uitdeeljngen van graan, later ook van brood, te doen houden, wat den staat op enorme kosten kwam te staan. Temeer daar behalve graan allengs ook nu en dan andere zaken gratis werden uitgedeeld, reeds in de tgden der republiek olie en wijn, later, in den keizertgd ook nog zout, vleesch en kleederen.

Wat aanvankelijk een uitzondering was, kwam langzamerhand veelvuldiger voor, werd eerst gewoonte bij het optreden van en nieuwen keizer, tenslotte zelfs behoorde bij de uitdeeling van graan ook die van olie, wijn, en vleesch.

Ónder Septimius Severus bijv., in het laatst der tweede eeuw, werd geregeld ook olie uitgedeeld, in andere tijden vleesch, somtijds ook werd de wijn tegen uiterst lagen prijs beschikbaar gesteld.

Voorts werden op kosten van den staat in den keizerstijd om het volk te vermaken, allerlei publieke spelen gegeven, die steeds talrgker en kostbaarder werden.

Genoeg, om begrijpelijk te maken, dat in een samenleving van dergelijke strucuur de lust tot arbeiden en de waardeering van den arbeid niet groot waren.

Wel waren er sommige wijsgeeren, die een anderen toon deden hooren, die een beginsel van humaniteit erkenden, en ook de beteekenis van den arbeid hooger begonnen aan te slaan.

Maar op de algemeene gesteldheid oefende dit nog weinig invloed.

Gearbeid werd er, wat vanzelf spreekt; velen wisten te profiteeren van den arbeid, die voor het maatschappelijk leven, voor de productie noodzakelgk was; doch zonder er zich toe te verlagen; men kon er zich mede bevoordeelen, maar liet den arbeid over aan de slaven of vrggelatenen.

Geacht werd de arbeid niet. Zij, die moesten arbeiden, deden dit meestal slechts door den nood gedwongen.

De arbeids-schuwheid nam hand over hand toe, vooral onder de lagere standen der bevolking van Rome.

Eenerzijds werd dit in de hand gewerkt door de minachting, die in de hoogere lagen van het maatschappelijk leven voor allerlei arbeid werd gekoesterd, anderzijds zeer bevorderd door de gewoonte, de „proletariërs" op staatskosten te onderhouden. In Caesar's dagen waren er in Rome nog 150, 000 proletariërs, die op kosten van den staat leefden, onder Augustus was dit getal tot 200, 000 gestegen, op welke hoogte het geruimen ijd bleef.

Practijk en theorie vielen ook hier dikwijls samen. Het samenstel van het maatschappelijk leven in den Romeinschen staat in de eerste eeuwen onzer jaartelling is een bewijs voor de juistheid an een woord als van Cicero, die eervolle en oneervolle beroepen onderscheidt, en zegt „dat niet eervol en verachtelijk zijn koophandel en alle handen-arbeid, die geen kunst is".

Eigenlijk waren alleen de krijgsdienst en de landbouw geacht. Voor den meesten anderen arbeid achtte de vrijgeboren Romein zich te goed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De waardeering van den arbeid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's