Stichtelijke overdenking.
En Thomas antwoordde en zeide tot Hem: mijn Heere en mijn God! Joh. 20:28.
Het geloof van Thomas.
Door den twijfel heen is Thomas tot deze gegronde belijdenis des geloofs gekomen. Zooals de storm het geboomte scbudt, zoo zgn ongeloof en twijfel een geweldige macht geweest in het hart van dezen discipel des Heeren, die hem dreigde neer te werpen, maar die er toch nog toe medegewerkt heeft dat zijn geloof eeuwig wortelde in den verrezen Heiland.
Ieder begrijpt dat het ongeloof van Thomas niets gemeen heeft met het verwerpen van de Waarheid door hen, bij wie de twijfel een beginsel is. Wij bedoelen hen, die den twijfel koesteren en aankweeken. Zij stellen zich, zooals zij meenen, neutraal tegenover alles wat de Heere in Zijn Woord geopenbaard heeft. Zij beginnen met er aan te twijfelen, om dan door eigen beschouwing te klimmen tot de kennis der geestejke wereld. Deze twijfelzucht is de kanker der opvoeding. Zij zaait de ongeloofstheorieën breed uit. Zij woelt het aloude beginsel. waaruit' ons gedoopte volk leefde los en zet alles op losse schroeven. de twijiel is dan beginsel geworden. Het uur van ongeloof wordt dan in het van nature zoo ongeloovige hart des menschen ingeblazen, hem brengend tot een eeuwigen ondergang.
Wq hebben bij Thomas te doen met het lijden van den twijfel, met de smart van het ongeloof. Deze discipel zou niets liever willen dan te kunnen gelooven. en twqfel deed hem bittere zielepijn. het ware te wenschen dat er maar vele dergelijke ongeloovigen waren !
Zulk een twijfelende wordt door God op de knieën gezien. Hg wordt als door onweder voortgedreven. Hij moet zekerid hebben en mist haar. Zulk een twijfelende leest den Bgbel met een biddend hart en de Heere hoort zijn rechte verzuchting, dat de Christus der Schriften ook zijn Christus mocht wezen, is dan een dorst naar het geloof, zooals een hert dorst naar de waterstroomen. Laten zij, die den Heere vrezen, toch nimmer uit de hoogte op zulke inderdaad gepijnigde zielen neerzien. Er veeleer eens nederdalen tot hun leed, en meeleven met hun zorgen. Er ga bemoedigende taal tot hen uit, een taal die voortvloeit uit de wetenschap dat Hij Zijn werk niet zal laten varen en Zijn volk niet eeuwig in het verdriet .laat en dat Hij, naar Zijn welbehagen, het gebed de zekerheid des geloofs geeft en sterkte voor der eeuwen eeuwighelid. Zulke • zoekende zielen toch zijn het doel van de opzoekende liefde van in Zaligmaker. Dat leert ons de geschiedenis van Thomas,
In de woorden, die deze discipel tot anderen spreekt, ligt dan ook niet die van het grove ongeloof dezer wereld. Men zegt dan: wat ik niet kan daarin zal ik ook niet gelooven. de stelling van den geesteloozen mensch. Eene stelling, die uitloopt op meest dorre stofvergoding. Alleen wq dan waarnemen kunnen met onze zintuigen, zou dan bestaan. Eerst , dan gelooven!.... Neen, zoo is met Thomas niet, toen hg zeide: indien ik in Zijne handen niet zie het en teken der nagelen, en mgnen vinger steke in het teeken der nagelen, en steke mijne hand in Zijne zijde, ik zal geensins gelooven.
Gij moogt dit zoekend kind van God geen onrecht aandoen. Beluister uit deze woorden een brandend begeeren naar de gemeenschap met den verrezen Christus, een smachtend verlangen om deel te hebben aan den gekruisigden en gestorven Zaligmaker.... O, als Deze toch eens uit de dooden ware opgestaan! Hij kon het haast niet gelooven.... Dan was voor hem het raadsel van Christus' sterven opgelost Het mysterie van Jezus' dood plaagde hem zoo I Hij zou vrede met zijn sterven hebben als hij de zekerheid Zijner opstanding had. En dan zijn hand te mogen leggen in de zijden steeken en, die dan overwinningsteekenen waren.... het zou de zaligheid zqner ziel zijn! Hg zou gelooven !.... Hoe vreemd toch, nietwaar, dat hij juist de lijdensteekenen noemde? .... Ja, hij verlangde voor zijn naar vrede dorstende ziel niets meer, maar ook niets minder dan een Christus die door den dood heen groot was, om dan persoonlgk met Hem vereenigd te wezen. Dat hg een voorwaarde stelde voor zijn gelooven, was zeer in hem af te keuren. Maar dat hij juist déze.voorwaardê koos, spreekt ons van het stille werk des Geestes in .zijn ontruste ziel, waardoor hg, om getroost te wezen, niets anders begeerde te weten dan Jezus Christus en Dien gekruist.
Hij wilde zien naar de teekenen in Jezus' handen. Dan ook zijn hand leggen in Diens zijde. Voorts ook zijn vinger steken in de kruisteekenen der voeten .... Hoe kon dit anders geschieden dan in de knielende houding? Thomas wenschte biddend, als een arme smeekeling, deel te hebben aan den verrezen Christus.
Van nature staat de mensch koud en onverschillig tegenover hetgeen Thomas' hart verontrustte en hem in droefheid deed ronddooleu. Het Evangelie des Kruises is veeleer een oorzaak van ergernis dan dat het hem zou aantrekken. Alleen door den weg van zelfontdekking wordt dit anders. En ieder spreekt dan van , mijn" zonde, mgn eigen boos hart. De zonde van den gevallen mensch is mijn zonde; een persoonlijke zaak. Het moet tusschen God en mg in orde komen. En zoo niet, 'k zal om mgn eigen zonde eeuwig verloren gaan. Wat geeft mij dan het geloof van anderen? Al is het getal dergenen die zich in den Heere verheugen nog tienmaal grooter, ik kan het met hun vreugde niet doen. Hun juichen besterft mij op de lippen. Zelf moet ik Jezus hebben. Hij moet mijn Heere en mijn God zgn.
In de onstuimigheid der begeerte doen zich dan de ongeloofsgedachten wel eens krachtig gelden. Dan komen er wel eens woorden van een ongeloovigen Thomas op de lippen. Maar achter de stormen van ongeloof en twgfel schuilt een zielskracht, die niet te bedwingen is, een zielskracht die ons denken doet aan een hert, dat schreeuwt naar de waterstroomen. Alzoo schreeuwt mijne ziel tot u, o God!
Maar meent nu niet, dat de weg dezer zoekende zielen voor den Heere verborgen is, dat Hg op hun jammerklachten niet let. De Heiland heeft nauwkeurig acht gegeven op alles wat in Thomas' hart woelde. De Heere Jezus kwam toch dezen discipel tegen met een woord, dat een zuivere terugslag is op het twgfelwoord vftn Thomas: „Breng uw vinger hier en zie Mgne handen en steek ze in Mijne zijde en wees nietongfiloovig". Nóg is Hij Dezelfde. Hg let nóg op elke klacht der ziel, waaruit blijkt dat wg het leven bg ons zelf niet meer kunnen vinden. Op Zgn tgd openbaart Hg zich. Om zijn eigen ongeloof was Thomas wel de laatste van het elftal in het genieten der Paaschvreugde, maar geeii der discipelen kwam tot zulk een krachtige en heerlijke geloofsbelijdenis!
Is het ook niet tot groote vertroosting voor zoekende zielen, als wij zien dat de Heiland zich geheel geeft aan dezen door ongeloof gepijnigden discipel? Breng uw vinger en breng uw hand! Leg uw hand op Mij! Hier ben Ik nu, Thomas, Ik geef Mg aan u om de Uwe te wezen!
Beschamend is de overgave van den Christus, waarmede Hg Zich met al Zijn werk geeft aan verlorenen, beschamend voor Thomas, maar ook bovenmate weldadig.
Leg uw hand op Mijn offer!
Nog heden komt Hij met dezelfde dringende noodiging alle vermoeiden en belasten tegen. In het Oude Verbond werd een rein dier geofferd. De Israëliet legde zijn hand dan op het te brengen offer, alsof hij zeide: Mgn schuld wordt door u gedragen, den dood in!... Leg uw hand op Mijn offer! Zoo biedt de gekruiste Christus door Zgn Evangelie Zich altijd aan, opdat wij, eens voor het eerst en telkens weer in het geloof de hand zouden leggen op de volkomene offerande der verzoening.
Leg uw hand op Mgn offer en wees niet ongeloovig, maar geloovig.
Wij weten niet of Thomas het deed zooals hg het eerst bedoelde. In ieder geval heeft hij het in geestelijken zin gedaan. Zoo zij het ook bij ons, opdat wij biddend en aanbiddend opzien tot den gekruisten en opgewekten Christus; opdat wij smeekend de hand leggen op alles wat Hg voor ons wilde doen, en ons laten dienen door Hem, die Zichzelf geheel geeft aan Zijn Gemeente.
De Heere gaf Zich aan Thomas.
Maar nu ook geeft zich Thomas aan den Heere. Zoo zet de Heere Zijn werk voort.
„Mgn Heere". Zgn leven onderwerpt Thomas aan zgn Heiland. Zijn hart is vol aanbidding en geeft zich geheel aan Hem, Dien hij, als zgn Koning en zijn Bevrijder begroeten mag; als zijn Heere en zgn Meester,
„Mijn Heere". Als deze belijdenis in het hart van Gods kind wonen mag, neemt deze de plaats in van een dienstknecht des Heeren. En elke polsslag is dan. van dien Koning, Die ons met lichaam en ziel Zich tot een eigendom gemaakt heeft.
Maar dan niet alleen „mgn Heere"; ook „mgn God". Het Evangelie van Johannes is er mee begonnen. De be-Igdenis van Christus' Godheid. „In den beginne was het Woord en het Woord (d. 1. de Zoon) was bij God en het Woord was God".
Maar ook in het eind van het voorlaatste hoofdstuk beschrijft diezelfde apostel de roemtaal des geloofs van een der andere discipelen, die roemtaal, die de Godheid van den Zaligmaker verheer-Igkt! Waarlgk, Hg is God, boven allen te prgzen in der eeuwigheid.
Zulk een Zaligmaker hebben wg noodig. Die met Zgn machtswoord over de dorre oodsbeenderen Zgn stem verheft. Waar ou de mensch anders blijven met zgn olslagen onmacht om zich uit de banden es doods op te heffen? Gelukkig dat wg mogen spreken van Hem, die de Levensoorsprong en de Levensonderhouder is.
„Mgn God", belijdt Thomas. „Mijn oneindig machtige Heiland" Wel dan blijft Zgn Kruis staan, al rukt de vijand aan, met opgestoken vaan. Uw weg is dan veilig, o kind des Heeren, niet om uw geloof, maar door Hem, in Wien in de zaligste tijden van uw leven, uw geloof rusten mag. „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen". Geloof daarom niet in uw geloof, in uw bekeering, in den weg dien de Heere met u wilde gaan. Maar uw geloof zij in Hem, Die alleen waardig is het voorwerp des geloofs te zgn, uw Heere en uw God. Laat dan alle verwachting Hem zijn, die niet gezien wordt, van maar toch DezeKde is, als in Wien Thomas geloofde; van Hem, Die Zich naar de eenzamen wendt. Inderdaad, het is Hem niet te gering, hoewel Hij de Vorst des levens is, om zich met een enkel verloren menschenkind te bemoeien, de verslagene zielen, ieder afzonderlgk, op te heffen; om hen te brengen tot het geloof in Hem, Wien zij niet zien, maar in Wien zij nochtans gelooven, alsof zij Hem zagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's