Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 23)
Maar alleen voor die schuldigen, die den Heere Jezus als hun schuld-en straf drager erkenden, zich aan Hem toebetrouwden, en van Hem de schuldvergeving en 't leven in Zgn koninkrijk begeerden met een oprecht hart en 't ernstig voornemen, om nu altijd tegen de zonde te strijden en voor den Heere te leven.
Zóó eenvoudig had Ombra nog van niemand het Evangelie gehoord. Ze begreep nu eenigszins, op welke wiijze haar zuster nog zou kunnen behouden worden, en het weten, dat het kon, bracht een glans op haar gelaat. De Schulden Strafdrager had alles voldaan, en als Femma nu maar dien Schulddelger hartelijk vertrouwend handslag gaf, dan kon ze vol hoop de eeuwigheid ingaan! Ja, dat zou voor Femma niet moeilgk wezen! Dat moest ze maar doen!
MienI Oom Johannes weet dat zeker ook wel, wat je me daar vertelt van den moordenaar aan 't kruis? "
„Natuurlijk weet hg dat!" zei Mien, die haar nicht nog nooit zoo onnoozel had gevonden als nu. Als haar vader ddt niet wist, wat zou hij dan wél weten!
„Mien! — Oom moet dat dan vandaag aan Femma vertellen! Dat is 't allerbeste, wat hij zeggen kan."
Ja, dat dacht Mien ook, en Ombra zei: „'k Zal 't oom vragen, of hij dat aan Femma wil zeggen!"
Druk sprekend over en onder den ernst van 't oogenblik, traden ze, arm in arm, de wagenmakerij binnen, en vertelden hoe welgezind ze de ouders hadden aangetroffen. Mien pakte haar vader in den arm en troonde hem mee naar binnen, waar eerst Ombra en daarna Mina verslag deed van haar bevinden. Oom Johannes — en tante öok — was erg blq, dat hij vandaag nog bij de zieke nicht verwacht werd.
Met hun vijven — want Wim was ook binnen gekomen — zaten ze om de tafel; tante schonk de beide meisjes een kopje koffie in. Dan zij Ombra 't:
„Oom! u moet Femma dat eens vertellen van den moordenaar aan't kruis!"
Tante Betjes wangen en kin kwabbelden terstond van hooge ingenomenheid met dit zeggen van haar nicht, en inwendig zei ze, geheel verrast: Wel, dat kind I En haar oogen, vol vertrouwen en gezag, gericht naar haar man, zeiden:
„Ja, Johannes! dêit is 't allerbeste, wat je kunt doen!"
Maar de man zuchtte diep, en zei: „Ik vrees zeer, dat Femma zou vragen: maar oom, voor wat voor een boef houd je me wel! Ik heb altijd braaf geleefd, en nooit kwaad gedaan !"
Tante richtte zich terstond naar haar nicht en knikte heel sterk, zoodat nu alles aan haar hoofd kwabbelde, en enkel haar oogen en een bijna onmerkbaar handgebaar zeiden duidelgk:
„Kijk, Ombra! zóó is nu je oom! hij ziet een mensch dadelijk tot in zqn hart!" En op 't zelfde oogenblik zei Ombra de handen zachtjes uitspreidend:
„'t Is precies dat, wat Femma dadelijk zal zeggen! En dan.zit oom weer vast; want dan is 't uit. Ik ken Femma wel!"
Oom zuchtte heel diep en zei: „Ja, kinderen! als we 't aller-allernoodigste uitstellen tot aan ons sterfbed, ziet het er donker uit. Donker, donker!"
Toen de wagenmaker in den laten namiddag de woning van zqn broer binnentrad, werd hij vriendelijk ontvangen, en hem al spoedig toegang verleend tot de ziekenkamer. Heel zachtjes ging hij naar binnen, om, mocht Femma slapen, haar rust niet te verstoren. En daardoor juist verraste hg haar, want hij zag, hoe ze blijkbaar wel iemand had hooren binnenkomen en niet wist wie, en daarom nu nieuwsgierig achter 't bedgordijn gluurde. Doch zoodra zg oom herkende, rukte ze haar hoofd terstond om, 't gelaat van hem afgewend.
Hg had dat gezien en wist dus, dat zg wakker was.
„ Dag Femma! hoe gaat het ? Wat beter ? ''
Hg zag het rukken van haar hoofd, en bleef lang wachten op een antwoord. Doch zonder hoop.
Femm hoe gaat het? " Hij voelde in dat nukkig zwijgen den onwil van de zieke. „Femma! — je vader vindt goed, dat we samen eens bidden om je herstelling en om.... „Moêder! moeder!" krijschte en gilde de zieke. „Wêg ! wêg!”
't Was ontzettend, hartverscheurend 't Klonk oom Johannes in ooren en hart als de allerbitterste woede.
De vader, in de geopende deur staande schudde verlegen het hoofd, en de moeder zoo snel mogelijk op 't ijzingwekkend roepen afgekomen, zag bleek als een doode, en als ze even voor 't ziekbed had gestaan, deed ze met enkel haastig gebaar 'haar zwager en haar man de kamer verlaten. In de gelagkamer zetten zich de beide broers tegenover elkander neer, verlegen en beschaamd, beiden onder den indruk van de overtuiging dat het te laat was. Dit telaat ontroerde den oom, maar stemde den vader tot tevredenheid, want nu zijn dochter onwillig was, om nog naar goeden raad te luisteren, kon hem geen verwijt meer treffen, wijl hij nu had toegegeven.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's