Uit het kerkelijk leven.
Aanmatiging en heerschzucht.
De Vrgzinnigen te Utrecht hadden zich tot den Orthodoxen Kerkeraad gewend, met het verzoek de 14de predikantsplaats te doen vervullen door een vrijzinnig man te beroepen.
Op dit adres kwam spoedig een afwijzend antwoord, waarin o.m. déze volzinnen voorkwamen:
„Onder het vele goede dat ü nastreeft belgdt u toch niet den Christus der Schriften als den eenigen grond onzer zaligheid, door zijn lijden en sterven aan het kruis, gelijk de Kerk door alle eeuwen heeft beleden, en ook onze Kerk nog doet.
Daarom kunnen wij aanuwwensch niet voldoen.
Door dat te doen zouden wij Christus verloochenen en de Kerk van haar fondament afvoeren.
Geen onverdraagzaamheidt leidt ons in ons besluit, maar eerbied voor Christus als" den Zoon van God en eerbiediging van Zijn Woord."
Dr. Niemeyer, de redacteur van het „Weekblad voor Vrijz. Hervormden", is over dat antwoord maar weinig gesticht. Ja, 'tis wel vriendelijk gesteld, maar 't staat toch, - wat den inhoud betreft, „op een laag peil."
En om dat te bewijzen zegt hij dan: „Waarom spreekt de kerkeraad van den „Christus der Schriften", alsof dat een vaststaande en aanwijsbare grootheid was?
Hij weet immers wel, dat in de Schriften onderscheidene Christusbeschouwingen voorkomen, die niet met elkander overeenstemmen, en dat ook zgn leden niet allen dezelfde Christusbeschouwing huldigen!
Bepaald ergerlijk is echter zijn verklaring, dat eerbied voor Christus hem tot zgn weigerend besluit heeft geleid.
Jezus herinnerde de Schriftgeleerden en Farizeën van zijn tijd aan het woord van Jesaja, volgens wien God van de Israëlieten zeide: „Dit volk nadert Mij met den mond, en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij."
Ontgaat het den kerkeraad van Utrecht geheel, dat zijn eerbied voor den Christus een soortgelijk karakter draagt ?
De ware eerbied voor Christus moet toch zeker niet blijken uit mooie titels, die men hem geeft, maar hieruit, dat men handelt in zgn geest, en zich houdt aan zijn geboden.
Is dèt in Jezus' geest, menschen af te stooten, die Hem erkennen als oppersten Leidsman ?
Is dàt overeenkomstig zgn geboden anderen te behandelen, zooals men niet gaarne zelf zou willen worden behandeld door hen?
Eerbied voor Christus is een hoog en edel gevoel.
Daarom is het buitengewoon hinderlgk, dat iemand zegt, erdoor te worden gedreven, maar intusschen daden verricht, die er geheel mee in strijd zijn.
Zoo iets kèn voortkomen uit huichelarij. Dat gelooven wij van den kerkeraad van Utrecht niet.
Maar hij zal toch wel in staat zgn, iets te zien van den strijd, die er is tusschen. sign woorden en zijn daden, en kan dat hem geen aanleiding worden, om te erkennen, dat hij zich op een dwaalweg bevindt, dat niet eerbied voor Christus alleen hem leidt, doch dat die eerbied is vermengd met onverdraagzaamheid en leerheiligheid, met aanmatiging en heerschzucht? " Is het niet teekenend, dat iemand als dr. Niemeyer nog altijd weigert te erkennen, dat onze Herv. Kerk een beslist orthodoxe, protestantsch-gereformeerde Ohristusbeschouwing heeft, door den Utrechtschen kerkeraad met een enkel woord zoo juist aangegeven ?
En is het niet jammerlijk, dat hij niet meer of minder durft beweren, dan dat de daad van Utrechtsch kerkeraad een daad is van „onverdraagzaamheid en leerheiligheid, met aanmatiging en heerschzucht ? "
Dat moest in onze Herv. Kerk niet kunnen voorkomen.
Het moest in onze Herv. Kerk onomstootelijk vast staan, dat ieder die den Christus loochent als „gestorven om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking" niet in de Herv. Kerk thuis hoort.
Dat heeft niets te maken met onverdraagzaamheid, niets met leerheiligheid, niets met aanmatiging en niets met heerschzucht.
Dat is alleen het fundament onzer zaligheid en dat zullen we eerenen verdedigen, met alles wat in ons is.
Kunnen we nu niet zoó ver komen, dat zij die hierin principieel vierkant met elkander verschillen, uit elkaar gaan? Het is toch eenmaal absoluut ondenkbaar, dat in éen en dezelfde Kerk precies het tegenovergestelde geleerd en verdedigd wordt als fundamentstuk der zaligheid!
Genoeg van?
De moderne theologen hebben zich tot voor korten tijd sterk geïnteresseerd voor Oud-Testamentische studiën en ze hebben de dingen aardig door elkander geworpen. Er bleef van de orthodoxe beschouwing der dingen eenvoudig niets heel. Alles, alles was ènders dan men van geslacht op geslacht geleerd had. De moderne theologen waren in eens de Oudtestamentici. Zij wisten er alleen wat van af. De orthodoxe heeren konden wel naar huis gaan; hun geschriften werden eenvoudig niet meer meegeteld. En de moderne heeren waren de studiekoppen bg uitnemendheid, dietriumfantelijk 't hoofd omhoog staken.
Maar „t kan verkeeren" zei Breêro vroeger reeds.
De studiën zijn voortgezet. Opgravingen werden er gedaan. Ontdekking volgde op ontdekking. En de moderne heeren kregen 't wat benauwd. Hun allernieuwste stelsels kwamen in 't gedrang. Ze hadden zich een weinig „vergist" ; de stukken moesten weer een weinig anders in elkaar gezet worden, en de studiën der moderne theologen verminderen; 't Iijkt wel of men er genoeg van heeft.
Lees ook maar de verslagen van de 54ste Moderne Theologen Vergadering welke pas gehouden is. „De Hervorming" zegt, dat de vergadering wel goed was, maar een weinig mat en enthousiasme miste. Vooral toen de hoogleeraren Lindeboom en Eerdmans refereerden. „Dat niemand iets zei werkte wel eenigszins teleurstellend en had het eigenaardige gevolg, dat wij om kwart voor negen op straat stonden, hetgeen zeker niet vaak in de geschiedenis onzer vergaderingen zal zijn geboekt." En als verklaring in deze volgt dan: „Het Oude Testament wordt onder de theologen wat stiefmoederlijk behandeld; de Vermoedelijke oorzaken zijn waarschijnlijk, dat het vak zoo ver van ons staat in dezen tijd, dat het heden zoozeer onze aandacht vraagt en het feit dat men zich dood gekeken heeft op de Oud-Testamentische problemen. Heeft de inleider niet zelf eenmaal verklaard: „het vak is voor vijftig jaar dood."
Dat laatste is merkwaardig. Men heeft dit vak eerst zelf dood gemaakt en nu zit; men er verlegen mee.
Laat het voor onze orthodoxe theologen een aansporing te meer zijn, om zich met ernst op de studie van het O. Testament te werpen. Het is hier een terrein waar nog zooveel te doen is en waar een massa materiaal is en komt, om de Kerk des Heeren ook in deze te dienen tot eere Gods en tot heil der gemeente.
Wie weet wat ook voor deze dingen de „nieuwe" tijd, die nu aanbreekt, nog voor verrassingen brengt en het alom duidelijker zal worden, dat Gods Woord bestaat in eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's