De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De waardeering van den arbeid.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De waardeering van den arbeid.

9 minuten leestijd

V.

Hoe stond nu de christelijke religie met haar waardeering van den arbeid in de wereld, waarin het Woord Gods, het evangelie Zijner genade, moest worden ingedragen?

Wij hebben reeds gewezen op de vermaningen, die Paulus richt tot de Thessalonicenzen. Degenen onder hen, die de roeping van het dagelijksch leven verwaarloosden, om zich te verdiepen in bespiegelingen over de nabij gewaande toekomst van Christus, roept hij terug tot de nuchtere werkelgkheid. Doch tevens doet hij die werkelijkheid verschijuen in het licht van een goddelijke ordening; hij herinnert aan zqn vroeger gegeven vermaningen, toen hij had gezegd : als iemand niet wil werken, zal hq ook niet eten. En hij wekt hen, van wie hij hoort, dat zij niets uitvoeren, maar zich over allerlei druk maken, op, dat zij kalm aan het werk gaan en hun eigen brood eten, 2 Thess. S vs. 10-12.

En hetgeen hier en elders het Woord des Heeren als Zijn' onbedriegelijken wil aanwijst, is in de beschouwingen zoowel als in de practijk der christenen ook van den na-apostolischen tijd overgegaan.

En daardoor heeft het christendom zich ook in dit opzicht een cultuurmacht van beteekenis getoond. Niet, als traden de christenen op met een program van oeconomisciie hervormingen; niet, als stelden zij zich buiten of tegenover het maatschappelijk leven, dat in de heidenwereld werd aangetroffen. Integendeel. Zij hadden hun eigen religieus leven; in de kerken, die in de heidenwereld ontstonden, vonden zij hun religieus vereenigingspunt, en aanbaden zij den God en Vader des Heeren Jezus Christus, dien zij in hun leven dienden.

Maar zij leefden, ook als uit het heidendom tot God bekeerden, het leven in dezelfde omgeving.

De onbekende schrijver van den brief aan Diognetus (midden 2e eeuw) zegt het zoo duidelijk: „christenen onderscheiden zich noch door hun land noch door hun spraak noch door gewoonten van de overige menschen. Want zij bewonen evenmin afzonderlijke steden, als zij eene andere taal spreken. Doch Grieksche en niet-Grieksche steden bewonend, naar ieders woonplaats hem beschikt is, en zich houdende aan de inheemsche zeden, wat kleeding en voedsel en het overige leven betreft, béwqzen zij dat de gesteldheid van hun burgerschap wonderlijk en paradox is. Zij bewonen hun eigen vaderland, maar als bijwoners; zij deelen in alles als burgers, en dragen alles als vreemdelingen ; ieder vreemd vaderland is het hunne, en ieder vaderland is hun vreemd. Zg huwen als allen, verwekken kinderen, maar werpen ze niet weg bij hunne geboorte; zij zijn in het vleesch, maar leven niet naar het vleesch; zq verkeeren op de aarde, maar zijn hemelburgers. Zij gehoorzamen aan de gestelde wetten, en overwinnen f door hun eigen leven de wetten. In één woord, wat in het lichaam de ziel is, dat zijn in de wereld de christenen. De ziel is door alle leden van het lichaam verspreid, en de christenen in de steden der wereld".

Dat is de beteekenis der christelgke religie voor het maatschappelijk leven geweest. Als een zuurdeeg heeft zij inen door-gewerkt; zq heeft het leven helpen omzetten en anders leeren beschouwen.

Treffend weerlegt Tertullianus (omstreeks 200) in zijn Verweerschrift de beschuldiging, tegen  de de christenen in-gebracht, dat zij in het dagelijksch leven eigenlijk geen nut doen, en er buiten staan, „Hoe kan dat", zoo vraagt hij, „wij, menschen die met u ons leven doorbrengen, van gelijke levenswgze, met dezelfde gewoonten, inrichting, dezelfde levens-behoefte ? Wij zijn toch ook geen Indische boschkluizenaars, uit het leven ons terugtrekkend ? Wij gedenken, dat wij God, den Heere, den Schepper, dank schuldig zqn; geen vrucht Zijner werken versmaden wg ; ongetwqfeld, wij matigen ons, om er geen onmatig of verkeerd gebruik van te maken. Zoo wonen wij niet in deze wereld zonder markt, zonder slachthuis, niet zonder badhuizen, herbergen, werkplaatsen, winkels, marktdagen en al het overige verkeer met u te deelen.

Ook scheepvaart en krijgsdienst beoefenen wij met u, wg doen aan landbouw en koophandel, wq oefenen metu onze beroepsbezigheden uit, en stellen onzen arbeid te uwer beschikking".

Dat is inderdaad de wijze geweest, waarop de christelijke religie ook op het maatschappelijk leven haar machtige werking heeft uitgeoefend. De kennis van den éénen waren God, de zekerheid van Zijne genade en de liefde tot Zijne geboden heeft op het leven in al zijn vormen en geledingen ingewerkt.

Zoo heeft de christelijke religie een andere beschouwing en een andere practqk geschapen.

Ongezocht, maar zeer sprekend komt dit aan den dag in de regels, die het oud christelijk geschrift, dat onder den naam „Leer der twaalf Apostelen" bekend staat (Ie kwartaal 2e eeuw), aangeeft voor de behandeling van reizende broeders.

„Ieder die tot u komt" zoo wordt daar gezegd, „in den naam des Heeren, moet ontvangen worden ; voorts moet gij hem op de proef stellen om te weten, wat gij aan hem hebt. Indien iemand, die tot u komt, slechts op zijn doorreis is, helpt hem naar uw vermogen ; maar dan moet hij niet langer dan twee of drie dagen blijven, als dit noodzakelijk is. En indien hij zich onder u.wil vestigen, en handwerksman is, laat hij werken en zoo den kost winnen. En indien hq geen handwerk verstaat, zorgt dan met verstand, dat een christen onder u niet in ledigheid leve. En als hij zich daarnaar niet voegen wil, is hij iemand, die van Christus een zaak maakt; wacht u voor zulk soort menschen",

Hoe nuchter, en hoe eenvoudig! En ook, hoezeer komt dit óns vanzelfsprekend voor. Maar daarom moeten wij de beteekenis van een dergelijken regel niet over het hoofd zien voor de wereld, waarin de jonge kerk leefde. Zoo licht kon een huichelaar speculeeren op de broederliefde der christenen, zich als broeder aandienen, en op kosten der gemeente willen leven. Maar lang mag dat niet zijn; en wil hij zich vestigen, dan moet hij werken; zijn ambacht uitoefenen, of op andere wijze arbeiden voor de ondersteuning, die de gemeente hem zal verschaffen. „Ben christen", zoo luidt dan de regel, „mag niet in ledigheid leven". Van hoe diep ingrijpende beteekenis is deze toepassing van het Schriftwoord: „wie niet werkt, zal ook niet eten". En dat in een wereld, waar de handen arbeid niet in eere was.

In getallen en met statistieken is het nimmer aan te wijzen, hoeveel invloed er van een dergelijke levens-houding is uitgegaan. Maar dat de christelijke religie van" stonde aan 5ök op het maatschappelijk en oeconomisch leven heeft gewerkt, kan ieder gemakkelijk begrqpen.

Korter, maar in denzelfden trant spreekt de schrqver van den z.g.n. brief van Barnabas (110 è. 130), die zegt: „Wanneer iemand op den weg des levenswil wandelen en komen op de aangewezen plaats, hij legge zich met qver toe op zijnen arbeid.

Als de meest vanzelf sprekende zaak schrijft tegen het eind der Ie eeuw Clemens, bisschop van Rome, in den brief der gemeente te Rome aan die van Corinthe de volgende woorden neer: „een goed werkman ontvangt vrijmoedig bet^ brood, waarvoor hij gearbeid heeft, een trage en nalatige durft zijn werkgever niet in de" oogen zien".

Dat dergelijke opvattingen aan het christendom inhaerent waren, ten nauwste met de christelqke religie samenhingen, is wel zeker. Het volgt ook hieruit, dat men ze geuit vindt in alle deelen der kerk. Niet alleen bij monde van Clemens van Rome, maar ook in de kerk van Egypte, waarschqnlqk het vaderland van den z.g.n. brief van Barnabas.

En in Syrië of Palestina moeten wij den oorsprong zoeken van een ander oud-christelqk geschrift uit de 2e helft der derde eeuw, waaruit eenzelfde klank ons tegenklinkt. De eene keer is het de vermaning; „Zwerf niet werkeloos rond langs de wegen, maar heb acht op uw handwerk en uw arbeid, en zoek zoo te doen wat Gode welgevallig is"; een ander maal klinkt tot de jongeren in de gemeente het volgende woord van levenswijsheid: „gij jongeren, beijvert u in al uwe behoeften naarstig te voorzien, weest met alle ernst bezig in uwen arbeid, opdat gij en voor uzelven genoeg hebt, en ook iets hebt voor de armen. Want ook wij, zegt de schrijver, (het geschrift doet zich voor als van de 12 Apostelen afkomstig), bezig zijnde in het woord des evangelies, verwaarloozen evenwel den anderen arbeid niet; want sommigen van ons zijn visschers, anderen tentenmakers, anderen bewerken het land, opdat wij nooit ledig zijn, , , Arbeidt dus onverflauwd, want de smet der ledigheid is ongeneeselijk. Indien iemand niet werkt, hq zal onder u niet eten. Want de werkeloozen verfoeit de Heere onze God; want niemand dergenen, die op God hopen, behoort werkeloos te zijn".

Elders worden in ditzelfde geschrift de vaders vermaand, hun kinderen niet alleen op te voeden in de tucht en vermaning des Heeren, maar ook: „leert hen arbeid, die geschikt is en met het Woord overeenstemt, opdat zij niet uit ledigheid weelderig worden en door hun ouders niet onderricht, verkeerde dingen doen, als de heidenen".

Deze vermaningen spreken voor zichzelf. Zij bewijzen bovendien, hoe de elhische vermaningen religieus gemotiveerd zijn; hoe ook hier het zedelijke gebouwd is op, wortelt in de religie.

Met de opvattingen, die uit deze en vele andere practische vermaningen spreken, stemmen in menig opzicht de meer theoretische beschouwingen overeen van sommige bekende leeraars uit de oude kerk.

De beroemde Clemens van Alexandrië geeft hier en daar zijne beschouwingen over den arbeid weer. Daarbij blijkt hij voor een deel onder den invloed te staan der Grieksche wijsgeeren en van de Grieksche levens-opvatting, maar hij heeft toch gepoogd, die in het christelijke over te zetten, en te doortrekken van het zuurdeeg der christelijke religie.

In een verband, waarin hij handelt over de beteekenis dien lichamelqken arbeid voor de gezondheid heeft, komt hij met klem op tegen de minachting, die bij velen arbeid ontmoette. De vrouwen moeten zich oefenen in wolspinnen en wevep, hulp verleenen aan de kookster, als het wezen moet. Het k geen schande, als zij aan den molen bezig zqii; en ook met het eten zich bezig houden, opdat het den man tot een vreugde zij, is geen oneer voor een huishoudelijke en behulpzame echtgenoote.

Een dergelijke vrouw wordt geroemd als eene, die haar armen uitstrekt naar nuttige dingen. Haar voornaamste dienstbetoon schame zq zich niet.

De mannen zouden, in plaats van gymnastische oefeningen, zelfs de spade kunnen ter hand nemen, zonder dat zij zich hierover behoeven te schamen.

Clemens wijst hierbij op het voorbeeld van den koning der Mityleners Pittacus, die zelf den molen draaide, en op die wijze een nuttige lichaamsbeweging nam.

Eenerzijds blqkt hier, hoe diep in de Grieksche wereld de opvatting was geworteld, dat handen-arbeid den vrijen burger onwaardig is; anderzqds, hoe een christen-leeraar als Clemens van Alexandrië zich beijvert, deze onchristelijke beschouwing te bestrijden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

De waardeering van den arbeid.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's