Stichtelijke overdenking.
Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op den Naam des Heeren betrouwer. Zefanja 3 vers 12.
Een ellendig en arm volk.
Ik «al doen overblijven, spreekt de leere.
Dat is 't eenig lichtpunt in den zwarten nacht van ontrouw en afval; dat eenig houvast, dat het eenige, dat een hechten grondslag schuift onder den wankelenden voet. Waar ge ziet, het is schier alom één zieleschokkend en - bedroevend schouwspel van wereldzin en stofvergoding, en waarlijk niet 't minst in uzelf ontwaart gij dat woelen van dien geest der eeuw; maar Ik zal doen overblqven, spreekt de Heere, een volk dat naar Mij vraagt. Om de troost, in deze woorden vervat, met volle teugen te kunnen indrinken, moet u 't oog zign opengegaan voor de diepte van 't zondebederf.
Dit Woord is in hooge mate ontdekkend.
Het leert u afzien van het schepsel; het vermaant u, om geen enkele verwachting te bouwen op 't beter gevoel 't-dieper inzicht des menschen, die er hem toch ten slotte wel-toe zullen nopen, om het van den Heere te verwachten.
Niets daarvan. Als gij daarvan iets verwacht voor de komst van Gods Koninkrijk onder de volken, in de gezinnen of in 't eigen hart, wat zult ge bitter teleurgesteld worden, 't Vleesch onderwerpt zich der Wet Gods niet.
't Vleesch zou niet rusten, vóór de laatste glimp van het Godsrijk was wegevaagd. Duizendmaal zult ge bedrogen uitkomen, als ge van uzelf meent, dat ge zóó diep niet vallen zult, en van de menschen, dat ze zóó dwaas niet zijn zullen.
't Is goed, dat wij daarover tot klaarheid komen : er is niemand, die God zoekt, ook niet tot één toe; sterker nog, de mensch, iedere mensch is van nature geneigd God te haten. De werkelijkheid doet ons klaar voor oogen staan; wij zijn slechts met waarheid gebaat. Te zingen van vrede, vrede en geen gevaar kan ons niet helpen, als de nood nijpt.
Maar wat dan ?
Wel, lezer, als alles afgesneden is, en ge van uzelf en 't schepsel niets meer verwacht, dan wil de Heere het van u vernemen ; Hij, die een afgesneden zaak op deze aarde doet,
Hemelmuziek wordt u dan een woord als dit: Ik zal doen overblijven. Hier beluistert gij 't bemoedigend antwoord op 't bange vragen, wat gij zult uitrichten tegen die phalanx van machtige vijanden, die daar optrekken onder de oproerige kreten; laat ons Zijne banden verbreken, want wij willen niet, dat Hij Koning over ons zal zijn. Bang doet 't aan, als ge onder die vijanden ontvaart die ge elders onder de banieren van Koning Jezus zocht; en 't bangst van alles is dit, dat ge er uzelf — eer ge 't weet en u bewust werdt — op betrapt overgegleden te zijn in 't kamp ier vijanden van Gods heiligen Naam. Welnu, als ge die vyanden ziet optrekken met onstuimige kracht, om de gedachtenis zelve van 's Heeren Naam uit te roeien, dan troost u 't woord: Ik zal doen overblqven.
O, zg dit door genade ons diepste zielsbegeeren, dat God tot Zijne eer mocht komen in ons en rondom ons; dan versagen wij niet, als de jubelkreten opgaan in de tenten der vijanden of 't vreugdegejuich weerklinkt uit de phalanx van belagers; immers Die met ons is, is meerder dan allen die ons tegen zijn; dan leert ge ook 't woelen van uw eigen zondig vleesch met een ander oog beschouwen; nog wel met diepe droefheid en beschaming, maar toch als 't stuiptrekken van een overwonnen vijand, wiens dagen geteld zijn, aan wiens macht paal en perk werd gesteld; een vijand in banden.
Verblijd u niet over mij, o mijne vijandinne; als ik gevallen zal zijn zal ik weer opstaan, en als ik in duisternis ben gezeten, zal mg de Heere een licht zijn
Of weet gij, lezer, nog een anderen grond om op te bouwen, een ander steunpunt om op te staan ? Daar is er geen.
Wat leert u. 't woord overblijven ? dat 't gaan zal als door vuur. 't Ontzaglijk gebeuren met de Wan wordt er door aangeduid.
Breed is de weg ten verderve, velen betreden hem; smal is 't pad ten leven, weinigen vinden het!
Daar is een overblijfsel naar de verkiezing der genade.
Maar wie vormen nu dit ovèrblgfsel; o, lezer, zoo ook gij daarvan deel uitmaken wiltj 't is noodig, dat 'ge u voor God. verootmoedigt, want het overblijfsel is een ellendig en arm volk.
Wordt 't u hier niet duidelijk, dat gij diep zult moeten bukken, opdat u Gods oordeelen niet verteren zullen. Hier staat 't u klaar voor oogen, wie rechtop blgft staan en zichzelf handhaaft en geen zondaar voor God wil worden, zal geen deel hebben in de erve der heiligen in het licht.
Ellendig, 't woord beduidt uitlandig; balling; 't wil zeggen, dat ge u hier niet thuis gevoelt; dat gij gast en vreemdeling op aarde zijt geworden.
Lezers, zijn er onder u, die zich hier niet thuis gevoelen, voor wie de spijze, die vergaat, ontoereikend is geworden; die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid, die het schreien des harten naar den levenden God kennen ?
O, is, dit niet een verblijdend wonder, dat er nog menschen zijn, die zich niet thuis gevoelen in een wereld zonder God 1 Ja, een wonder, want wij zijn allen vervreemd en vervallen van het leven Gods.
O, ellendigen zijn er te over in den ondiepen zin, dat het drukkend lot van een rampspoedig leven alle vreugd rooft en alle zonneschijn verbant.
Maar ieder gevoelt dat hier wat anders bedoeld wordt.
Hier is sprake van den weedom, die door 't harte schrijnt, dat ver is van God, en die smeeken doet: o Heere, breng ons weder, laat uw aanschijn lichten, zoo zullen wq verlost worden.
Daar zijn zoovele ellendigen, die 't altijd maar weer wachten van den overste der wereld, altijd maar weer delven in den bodem van 't zonde-leven naar den schat, die hen rgk maken zal; maar dit volk is ellendig; omdat het God kwijt is; het hongert naar verzoening en hereeniging met den Eeuwige.
En is dit niet een wonder van gena, als een afkeerige begeerig wordt.
Ook wordt dit volk arm genoemd. Ach, moet 't opnieuw gezegd, dat hier niet moet gedacht aan arm in aardsche goederen, arm in geluk, in zonneschijn en levensvreugd.
Armoe, zooals die onder de menschen wordt gevonden, geeft geen voorsprong in het Koninkrijk Gods.
Hier valt sprake van armen van geest. Hier wordt gedoeld op ziele-armoe, die niet te bannen is door al de weelde der paleizen; niet te overwinnen is, ook al zoudt gij heel de wereld gewinnen. Dit is de armoe van hen, die verstaan, dat zij Gode den losprijs hunner ziele nimmer kunnen voldoen.
Dit arm-zqn wil zeggen, dat 't eigen werk waardeloos werd, maar dat beduidt, dat wegviel, wat u in den weg stond om zalig te worden.
Dit arm-zijn is wel waarlijk een beduidend stuk der verlossing, want het beteekent, dat gij verlost werdt vanden eigendunk en waan van 't hoovaardig hart; dat die stijfheid, die u ophield vóór God, gebroken werd.
Dit arm-zijn treft ge aan in den tollenaar, die de bede om gene, uitstamelt, of in den psalmdichter, als hij bedelt aan den genadetroon: zeg tot mijn ziele: Ik ben uw heil. Arm zijt ge, als uw ziele ontledigd werd en er ruimte voor Christus in uw harte ontstond.
Het is niet onmogelijk, dat u de eischi van dit arm-zijn afschrikt, lezer. Toch is daar welbeschouwd geen oorzaak voor; of wat dunkt u, is dit verlies geen winst te achten? Immers, al wat gij van uzelf hebt, staat u in den weg; al wat van de wereld is, is een slagboom en gtruikelblok op den weg der zaligheid.
En moet 't nu niet als winste geboekt, als de slagboomen worden weggeruimd? Vraag Paulus, of hij zich niet wèl bevonden heeft bij dit verlies!
Wat leerde hem juichen: ik danke God door Jezus Christus? immers de zielsontblooting die voorafging in de bittere klacht: ik ellendig mensch!
O, 't is te verstaan, als u de angstkreet wordt ontperst in het donker dal der verbrijzeling, waar gij van uw eigengerechtigheid wordt ontdaan.
Maar is dit niet 't einddoel, dat gij uit de duisternis 't licht zult aanschouwen.
Want de Heere neemt't mindere weg, om het betere, ja Zichzelf te geven; Hij doet smart aan en Hij verbindt; want Hij leert den armen betrouwen op den naam des Heeren.
Betrouwen, dat is zich verlaten of overgeven of vastklemmen; zoo doet de schipbreukeling met de ranke reddingsboot ; de verdwaalde tegenover den gids; de kranke aan den heelmeester.
En hierbij komt 't nu voor alles aan op de vraag, of de boot, de gids, de arts betrouwbaar is.
Wat dunkt u, lezers, is de Naam des Heeren betrouwbaar? is er êen onder u, die 't durft ontkennen?
De naam des Heeren, dat is God zelf, Die zich heeft geopenbaard in Christus Jezus als den Getrouwen Ontfermer, die nooit veranderd wordt en spreekt: zoo waarachtig als ik leef, Ik heb geen lust in den dood des goddeloozen, maar daarin heb Ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijn weg en leve.
Gods volk is een ellendig volk, want 't gevoelt zich niet thuis in deze wereld. Het is een arm volk, want het mist alles in zichzelf en bedelt, om dorpelwachter. te mogen zgn in het huis hun Gods.
Maar, het leert betrouwen op den naam des Heeren, en dat doet alles omslaan, en den jubel opgaan: welgelukzalig is het volk, welks God de Heere is.
O, hoe groot is het goed, voor hen weggelegd; de erfenis voor hen bewaard.
Ellendig en arm? ja in zichzelf, maar rijk, onuitsprekelijk rijk door Hem, die hen heeft liefgehad.
Zou dit u, mijn lezer, niet tot heilige jaloerschheid kunnen verwekken?
Hoe zalig is het volk, dat naar Gods klanken hoort I
Dat volk zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheên 1
Dat volk, ja het komt uit de groote verdrukking, maar het heeft de kleederen witgemaakt in het bloed des Lams en dies zullen zij straks ontvangen de wuivende palmtakken en de ruischende cithers en zingen het nieuwe lied voor den Troon.
Arm in zichzelf, maar in hun Borg en Koning zóo rijk, dat de engelen begeerig zijn in te zien in hunne schatkameren.
Dat zich de mensch van God afkeert, is alleen omdat hg Hem niet kent.
Hier geldt met nadruk 't woord: onbekend maakt onbemind,
O, lezer, worde uw oog geopend voor de heerlijkheid van den Christus, opdat ge ook zult mogen behoren tot dat volk, dat ellendig en arm in zichzelf leert betrouwen op den naam des Heeren, dien sterken toren, waarheen een arm zondaar mag vluchten, om in een hoog vertrek gesteld te worden.
Zalig gij, die in nood en dood u geloovig op des Heeren naam verlaten moogt, want wie op dien Naam betrouwt, heeft op geen zand gebouwd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's