De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Feuilleton.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Feuilleton.

5 minuten leestijd

OMBRA.

OMBRA. VAN STERVEN EN LEVEN.

VAN STERVEN EN LEVEN. Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 24)

Oom Johannes zat, naar den grond starend, te peinzen, te bidden, te overleggen. Wat kon hg nu nog doen? —Vooreerst nog maar wachten, tot de vrouw hier terugkeerde. Ze kwam spoedig, maar zonder eenig besef van wat hier zoo ontzettend was. Oom Johannes wist nog één weg.

„Wq kunnen nog alleen voor haar bidden — zei hq — hier bidden, en dan de deuren open zetten, dat Femma 't kan hooren, indien ze wil." De herbergier knikte met het hoofd, ten teeken, dat hij hierin toestemde.

„Dan moet het maar!" zei hig, nam zijn pet af, vouwde de handen en wenkte zijn vrouw, om zich ook tot bidden te zetten, en zg deed het terstond, alleen omdat haar man 't zoo wilde.

De oom begon nu te bidden, luid genoeg, dat de zieke, als ze wilde, 't kon hooren. Hij bad voor zich zelf om 't ééne noodige; en hij bad er om voor zqn broer en schoonzuster, en dan ook voor Femma.

Dit bidden kon voor de hoorders de volle rgke verkondiging van 't Evangelie zgn, en 't was geest en leven, ernst en ootmoed, wat daar in eenvoudige woorden door de beide kamers klonk.

De wagenmaker toefde dan niet lang meer, en stil alleen zijn broer en zuster de hand drukkend, ging hij heen, vol twijfel, dat zijn bezoek ook maar 't minst had uitgericht, en al maar biddend en zuchtend, dat de Heere de arme zieke mocht genadig zijn.

Thuis binnentredend kwamen zijn vrouw én Mien en Wim dadelijk naar hem toe, om te weten hoe vader nu ontvangen was. En als hg' alles had meegedeeld, waren ze zeer mismoedig over Femma; doch over ooms toegeeflijkheid wisselden ze woorden, die van hoop getuigden.

HOOFDSTUK X.

Ombra vermagerde van smart, die ze leed om haar wegkwijnende zuster; een triestig vloers sluierde over haar gelaat, en in haar blik versmeulde alle hoop.

Want Femma bleef er bg, dat ze niet ziek was, en niet sterven zou, en ni«t sterven wilde, en geen goeden raad van iemand begeerde. O, dat maakte 't Ombra zoo bang, want het was voor haar zeker, dat haar zuster sterven zou.

Stientje zag die smart wel, en had niets tot sterking voor haar dan altigd denzelfden raad, dat ze moed moest houden, want zoolang er leven was, was er hoop.

Mevrouw was meer wezenlijk begaan met haar, eu waar ze eerst meende, dat Ombra zoo bedroefd was, omdat haar zuster zoo gevaarlgk ziek lag, troostte ze haar met de almacht Gods, en dat ze daarop moest Hopen. Doch zoodra ze merkte, dat het nu juist daar niet alleen schortte, maar dat ze ook zeer bezorgd was over haar eigen eeuwig heil, trachtte ze haar te sterken en te bemoedigen met de verzekering, dat God enkel liefde is, en ze nooit iets kwaads van Femma had gehoord. Femma toch was een braaf, naarstig, goed meisje, en had dus niets te vreezen. Max ging Ombra's verdriet zeker het diepst ter harte. Hij hield zooveel van haar, omdat ze altijd zoo oprecht hartelijk jegens en bezorgd voor hem was. Troostwoorden kende hiij niet; hij kon maar alleen haar hand pakken en in haar oogen zien, smeekend, dat ze niet bedroefd zou zijn, maar weer lachen moest.

Mijnheer Brants zelfs had nu, als hij haar een of ander opdroeg, of vroeg, iets zachts, iets tegemoetkomends in zijn toon, als ontzag hij de zwaarbeladene, en als wilde hg door dien toon haar lot mee helpen verlichten.

Al dat meeleven smaakte ze wel als iets zoets, voelde ze als verwarming in de kilheid van haar hopeloos peinzen, ontspande zelfs een weinig de al te strakke snaren van haar weemoed, maar 't was veel te luttel, te zwak om de zware triestigheid uit haar ziel, de sombere wade haar van 't gelaat te heffen.

Femma, haar zuster, zorgzaam moedertje harer prille jeugd, speelgenoote harer schooljaren, vertrouwelinge later in al haar jongemeisjesgeheimen, Femma zou sterven, en Femma wou niet behouden worden. Femma ging voor eeuwig — eeuwig van haar heen.

't Doorrilde haar aderen en zenuwen.

Tante Betje sprak van den Raad Gods, doch wat z'er mee bedoelde, raakte zelfs niet den zoom van Ombra's bewustzijn. En oom Johannes, wien dat niet ontging, liet het zoo. Hij wees zgn bezwaarde nicht liever naar Christus aan 't kruis, gehoond door den eenen gekruisten moordenaar naast Hem, gehuldigd eu aangebeden door den anderen. Aanhouden in gebed en vermaning, dat was de eenige weg voor hen allen; aanhouden tot het einde, tot den snik des doods.

De raad Gods — voorzeker was daar het eindelgk rustpunt voor alle marren en peinzen, voor al het woelen en wenschen der dobberende ziel. Maar hij zag Femma's verantwoordelijkheid als een rotsgevaarte, de kruin in wolken gehuld. Die rots, machtig én hoog moest ook Ombra zien. Die verantwoordelijkheid moest ze kennen in Fernma, maar ook — en dat vooral — in haar zelf.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's

Feuilleton.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1919

De Waarheidsvriend | 4 Pagina's