Uit het kerkelijk leven.
De Kerkvisitatie.
II.
In onze Nederl. Gereformeerde Kerken voelde men aanvankelgk niet veel voor de Kerkvisitatie. Zooals zij door de Roomsche Kerk werd gehouden was zij aanstonds bij onze Qeref. vaderen veroordeeld. Niet wat naar hiërarchie zweemde vond in de oogen der Gereformeerden genade; en in Kerkvisitatoren zagen zg een soort superintendenten, wat onvereenigbaar was met het grondbeginsel der gereformeerde Kerkregeering; geen Kerk zal over een andere Kerk, geen dienaar des Woords, geen ouderling, noch diaken zal over den ander heerschappg voeren (art. 1 van de besluiten der Emdensche Synode) In de oudste gereformeerde Kerkordeningen zal men dan ook tevergeefs naar Kerkvisitatoren zoeken. Toen het op de derde Synode van Orleans, die in 1561 gehouden werd, bleek, dat sommige Provinciale Synoden Kervisitatoren hadden benoemd, verwierp de Synode dat nieuwe ambt, omdat het bedenkelgke gevolgen kon hebben. En nog op de Synode van Middelburg, die in 1581 samenkwam, werd op de vraag, of het niet goed zou zgn om eenigen aan te wgzen om jaarlijks de Kerken te bezoeken, geantwoord, dat het onnoodig was en niet aan te bevelen. Men vreesde, dat uit de visitatoren een blijvend super intendenten-ambt groeien zou.
Calvijn was niet tegen Kerkvisitatoren en in zijn Kerkordening (Ordonnances ecelesiastiques) heeft hg aan hen een af zonder Igk hoofdstuk gewgd. JohnKnox, de groote Hervormer van Schotland was ook niet tegen het aanstellen van Kerkvisitatoren. In de eerste Schotsche Kerkenordening vindt men naast de gewone ambten van dienaar des Woords, ouderling en diaken ook het ambt van superintendent. Deze superintendenten werden over een district gesteld, 't welk zg in zekeren zin als reizende predikers (op de eerste^Synode waren slechts 12 predikanten) hadden te verzorgen, terwgl zg tegelgkertgd nieuwe gemeenten moesten organiseeren, deels ook toezicht houden op den wandel en de ambtsbediening der geestelijken; waarvan zg aan de Synode verslag moesten doen.
Hoewel nu onze Vaderen waakten tegen het schenden van het gereformeerd beginsel, uitgedrukt in deze woorden; „geen Kerk mag over de andere heerschappg hebben", was men niet tegen visitatie als zoodanig. De meerdere vergadering was geroepen over de mindere vergaderingen toezicht te houden en deze met raad en daad te dienen. En daarom was men niet voor een superintendent, een soort Opzichter over de gerü^enten en dB arnbtsdragers — maar op "het Convent van Wezel in 1568 bepaalde men, dat in de Classicale bg eenkomsten naarstig een onderzoek zou worden ingesteld naar het leven van de dienaren des Woords en de ouderlingen, elk in 't bizonder, en hoe ieder zich in zgn werk gedragen had; en „die vermaning van noode hebben, vullen vermaand, die bestraffing en kastgding van noode hebben zullen bestraft en gekastijd worden, al naar dat de fouten klein of groot bevonden worden". En voorts werd gezegd, dat de Classicale bijeenkomst niet a, ltijd op dezelfde plaats mocht worden gehouden, maar telkens ergens anders „opdat de vergadering des te naarstiger zou onderzoeken hoe 'tin iedere Kerk gesteld was, wat orde daar gehouden werd in de leer, gebruik der ceremoniën en kerkelijke discipline; en of predikanten en ouderlingen vromelgk en naarstig elk hun beroeping waar namen."
Om deze visitatie, dit onderzoek, des te beter te kunnen verrichten schreef de Synode van Emden in 1571 reeds eenige vragen voor, die de president na het gebed tot elk lid der vergadering richten moest, en wel: of zij de vergaderingen des kerkeraads hielden; of de kerkelijke tucht werd gehandhaafd; of zij eenigen strijd hadden met ketters; of zij eenigen twijfel hadden in eenig hoofdstuk der leer; of men zorg droeg voor de armen en voor de scholen enz.
Evenwel kon die visitatie op den duur niet beperkt big ven tot de classicale vergaderingen. En oordeelde de Synode van Middelburg in 1581, dat het niet noodig s was Kerkvisitatoren aan te stellen — men zeide toch wel, dat de Classen en Particuliere Synoden in deze hun plicht moesten doen en in 1568 werd op de Nationale Synode van 's Gravenhage in art, 40 van de Kerkenordening bepaald: „Sal ook de Classe daar zulks zoodig zgn sa, l, de vrijheid hebben eenige harer dienaren van d' eene Classicale vergadering tot de andere te authoriseeren, om opsicht te nemen op de leere en 't leven der Predikanten, en den stand der Kerken onder die selve Classe sorterende, en daarvan op de naaste vergaderingen rapport doen.
Hoewel nu onze Vaderen waakten tegen het schenden van het gereformeerd beginsel, uitgedrukt in deze woorden; „geen Kerk mag over de andere heerschappg hebben", was men niet tegen visitatie als zoodanig. De meerdere vergadering was geroepen over de mindere vergaderingen toezicht te houden en deze met raad en daad te dienen. En daarom was men niet voor een superintendent, een soort Opzichter over de gemeenten en de arnbtsdragers - maar op "het Convent van Wezel in 1568 bepaalde men, dat in de Classicale bg eenkomsten naarstig een onderzoek zou worden ingesteld naar het leven van de dienaren des Woords en de ouderlingen, elk in 't bizonder, en hoe ieder zich in zgn werk gedragen had; en „die vermaning van noode hebben, vullen vermaand, die bestraffing en kastgding van noode hebben zullen bestraft en gekastijd worden, al naar dat de fouten klein of groot bevonden worden". En voorts werd gezegd, dat de Classicale bijeenkomst niet altijd op dezelfde plaats mocht worden gehouden, maar telkens ergens anders „opdat de vergadering des te naarstiger zou onderzoeken hoe 't in iedere Kerk gesteld was, wat orde daar gehouden werd in de leer, gebruik der ceremoniën en kerkelijke discipline; en of predikanten en ouflerlingen vromelgk en naarstig elk hun beroeping waar namen." Hoewel nu onze Vaderen waakten tegen het schenden van het gereformeerd beginsel, uitgedrukt in deze woorden; „geen Kerk mag over de andere heerschappg hebben", was men niet tegen visitatie als zoodanig. De meerdere vergadering was geroepen over de mindere vergaderingen toezicht te houden en deze met raad en daad te dienen. En daarom was men niet voor een superintendent, een soort Opzichter over de gerü^enten en de arnbtsdragers - maar op "het Convent van Wezel in 1568 bepaalde men, dat in de Classicale bg eenkomsten naarstig een onderzoek zou worden ingesteld naar het leven van de dienaren des Woords en de ouderlingen, elk in 't bizonder, en hoe ieder zich in zgn werk gedragen had; en „die vermaning van noode hebben, vullen vermaand, die bestraffing en kastgding van noode hebben zullen bestraft en gekastijd worden, al naar dat de fouten klein of groot bevonden worden". En voorts werd gezegd, dat de Classicale bijeenkomst niet a, ltijd op dezelfde plaats mocht worden gehouden, maar telkens ergens anders „opdat de vergadering des te naarstiger zou onderzoeken hoe 'tin iedere Kerk gesteld was, wat orde daar gehouden werd in de leer, gebruik der ceremoniën en kerkelijke discipline; en of predikanten en ouflerlingen vromelgk en naarstig elk hun beroeping waarnamen."
Om deze visitatie, dit onderzoek, des te beter te kunnen verrichten schreef de Synode van Emden in 1571 reeds eenige vragen voor, die de president na het gebed tot elk lid der vergadering richten moest, en wel: of zij de vergaderingen des kerkeraads hielden; of de kerkelijke tucht werd gehandhaafd; of zij eenigen strijd hadden met ketters; of zij eenigen twijfel hadden in eenig hoofdstuk der leer; of men zorg droeg voor de armen en voor de scholen enz.
Evenwel kon die visitatie op den duur niet beperkt big ven tot de classicale vergaderingen. En oordeelde de Synode van Middelburg in 1581, dat het niet noodig was Kerkvisitatoren aan te stellen - men zeide toch wel, dat de Classen en Particuliere Synoden in deze hun plicht moesten doen en in 1568 werd op de Nationale Synode van 's Gravenhage in art, 40 van de Kerkenordening bepaald: „Sal ook de Classe daar zulks zoodig zgn sa, l, de vrijheid hebben eenige harer dienaren van d' eene Classicale vergadering tot de andere te authoriseeren, om opsicht te nemen op de leere en 't leven der Predikanten, en den stand der Kerken onder die selve Classe sorterende, en daarvan op de naaste vergaderingen rapport doen, " Evenwel kon die visitatie op den duur niet beperkt big ven tot de classicale vergaderingen. En oordeelde de Synode van Middelburg in 1581, dat het niet noodig was Kerkvisitatoren aan te stellen - men zeide toch wel, dat de Classen en Particuliere Synoden in deze hun plicht moesten doen en in 1568 werd op de Nationale Synode van 's Gravenhage in art, 40 van de Kerkenordening bepaald: „Sal ook de Classe daar zulks zoodig zgn sal, de vrijheid hebben eenige harer dienaren van d' eene Classicale vergadering tot de andere te authoriseeren, om opsicht te nemen op de leere en 't leven der Predikanten, en den stand der Kerken onder die selve Classe sorterende, en daarvan op de naaste vergaderingen rapport doen, "
In dit artikel wordt wel geen bindend besluit genomen, maar hier komt de Nationale Synode toch reeds dicht bg het gevoelen van de Particuliere Sjaode van Vlissingen (25 Febr. 1581) waar tot Jiet aanstellen van Kerkvisitatoren was besloten. Op de vraag, „of 't niet goet en ware, dat beneffens de classicale versamelinghe de Kerken tweemaal 's jaars ' gevisiteert wierden bij eenighe, van de classen daertoe vercoren" werd geantwoord : „ja ende dat op deze wyse sullen twee ministers ende twee ouderlingen tot verscheyden Kercken van de classe hiertoe verordineert zijn; ten 2. alle jare verandert worden ; ten 3. sullen sy de ministers hooren prediken binnen de steden in de weke en op de dorpen des Sondaeghs; ten 4. na de predicatie sullen sy de consistorie met de diaconen doen verzamelen om te vernemen na den staet der Kercken, of men namelick consistoriën houdt, registers, scholen, armen versorght werden; ten 5. sullen sy getrouw rapport doen van alles in de classe, die daarover oordeelen sullen naert behooren."
Zoo ziet men, de Particuliere Synode was hier de Nationale Synode vóór en we zien de Nationale . Synode in 1586 dan volgen, al is 't dat men daar 't aanstellen van Kerkvisitatoren facultatief stelt (aan de vrijheid der dassen overlaat).
Hoe die verandering van afkeuren te Middelburg in 1581 en dat facultatief stellen te 's Gravenhage in 1586 te verklaren ?
In Zuid-Holland heerschte groote verwarring (en niet alleen in Z.-Holland!). Er waren Kerken, die zich niet aan het Kerkverband stoorden en vele predikanten waren onkundig. Daarom begeerde men in Zuid-Holland ^en „Opper-Kerkeraad" (senatus ecclesiaaticus) uit kerkelijke en politieke (!) personen bestaande, die toezicht over alle Kerken hield. Men wilde ook, dat door de dassen en de Magistraten (!) of door de dassen alleen eenigen zouden worden gedeputeerd om Kerkvisitatie te doen. De Particuliere Synode van Z. Holland, 2 Juni 1586 te Rotterdam gehouden, stelde dan ook de Nationale Synode van 's Gravenhage voor: „dat eenen senatus ecclesiasticus vercoren werde, indien het sal goet bevonden worden, bestaende uit politicque ende kerckelijke, doch doende professie van de Ghereformeerde religie, persoenen. Ende indien het syn Exellentie believen sal een ghequalficeerde persoon daerby te voeghen, dat sulcx geschiede. Ende dat dezen Kerckenraet sal moghen handelen met alle voorvallende saeeken der Kercke over den dienaren ende audersins om de saeeken te verhooren, neder te leggen, te decideren ende bestraffen, ende indien sulcx niet en helpt, die schuldighe te suspenderen ende preparatie te maecken de saecke te brengen tot den naas volgenden Synode, alsoo dat dese persoenen ghenomen worden ende vercoren syn bij den Synode dobbelgetal, daeruit de , hooghe óverheydt den halven deel neme."
" Vermenging van Kerk en Staat hier, door aan de Overheid zeggenschap te geven in de Kerken 1 Maar het komt al mee, doordat men bij ervaring wist, dat er in tal van Kerken zooveel moeilijkheden zich voordeden, waar ingegrepen moest worden. En al gaat dan ook de Nationale Synode van 's Gravenhage niet in alles op de voorstellen van de Particuliere Synode van Rotterdam in, met het oog op de bestaande verwarring meende zij toch terug te moeten komen op het besluit der Middelburgsche Synode en het benoemen van Kerkvisitatoren facultatief te stellen. Zij besloot het aan de vrijheid der Classen over te laten, „eenighe haerder Dienaren van d'eene Classicale Vergaderinghe tot d' ander te authoriseeren, om opsicht te nemen op de leere ende leven der Predicanten ende den stande der Kercken onder dieselve classe sorterende."
Niets wat naar hiërarchie zweemde vond in de oogen der Gereformeerden genade Men erkende de autonomie der Kerken en verwierp alle machten, die deze in den weg stonden. Geene Kerk mocht over de andere heerschappq hebben, was de leuze. In Classis en Synode vergaderden de Kerken samen, doch deze vergaderingen mochten geen machten zqn, die de enkele Kerken een juk oplegden. Evenwel bleek spoedig, dat, wilde men niet tot volslagen bandeloosheid vervallen, van de Kerk in haar geheel eenige centraliseerende kracht behoorde uit te gaan, met behoud van de vrijheid der plaatselqke Kerken. Vandaar eerst de benoeming van deputaten en straks van visitatoren; inspecteren door de Synode aangesteld over de dassen en visitatoren door de Classis aangesteld over de Kerken ; waarbij de eersten n.l. de inspecteren weer vervielen toen de Kerkvisitatie door de afgevaardigden der Classis geregeld werd gehouden, (Een der „inspeetoren" over de dassen was bv-Jan van Venray, in de classis Bommel; Johannes Pontanus was „inspector" in de classis - Arnhem.)
{Wordt vervolgd).
Predikants pensioenen.
Op de Utrechtsche predikanten vergadering heeft de heer Mortier van Wageningen het woord gevoerd (wel een novum, waar nog nimmer een niet predikant in de predikanten vergadering het woord voerde) in het belang van de predikants pensioenen.
Hij kwam in kwaliteit van voorzitter van de Vereeniging van Kerkvoogden] der Ned, Herv. Kerk, welke vereeniging in October 1918 is opgericht.
De vereeniging van kerkvoogden is eigenlijk een onderling fonds van Kerkvoogdijen, Eens per jiaar wordt vergaderd. Er moet meer samenwerking komen tusschen kerkeraad en kerkvoogdq, die nu vaak tegenover elkaar staan, want het gaat bij beiden om bevordering van den eeredienst. Geld is er wel. Maar de nooden moeten meer bekend gemaakt worden. De rgkstractementen zijn bij lange na niet voldoende. Van de tractementen van vele predikanten kan een arbeider tegenwoordig niet rondkomen. En met de pensioenen is het nog treuriger gesteld. Maar dan moet de gemeente het ook weten.
De heer Mortier zei ongeveer het volgende: Vele Kerkvoogdijen zijn reeds toegetreden tot de vereeniging, maar het gaat langzqam. Nu moeten predikanten meewerken, aangezien dit ook in het belang der gemeente is. Men neme geen beroep aan voor men zich overtuigd heeft, dat er een goed pensioen in de gemeente is. En elke gemeente doe mee, ook proponentsplaatsen en de consulent wijze daarop. Aan alle-Kerkvoogdijen zijn statuten der vereeniging verzonden. De Staat, de industrieelen zorgen voor pensioneering hunner ambtenaren. Dan kome de Kerk daarin niet achteraan, 't Is tot schade der gemeente, wanneer de predikant eigenlijk zijn werk niet meer kan doen, maar wegens gebrek aan pensioen geen emeritaat kan nemen.
In de Geref. Kerk is door een Commissie een onderzoek ingesteld, welk tractement absoluut noodig is om te bestaan; en men is tot de conclusie gekomen dat een gezin van man, vrouw, drie kinderen en dienstbode een inkomen van f 3257 behoeft om behoorlek te kunnen rondkomen.
Waarom zgn de tractementen van de predikanten zooveel minder dan die van leeraren aan H. B. S. en Gymnasium? Alle classicale en andere beurzen moesten worden omgezet in één groote beurs voor weduwen en weezen, met behoud van rechten en plichten. Dit is mogelijk, wanneer alles door deskundigen beheerd wordt en dan zal niemand er minder van worden.
Wij hopen hartelijk, dat het woord van den heer Mortier bij kerkvoogden, kerkeraden en predikanten een goede ontvangst mag vinden.
Waar een wil is, is ook nog wel een weg te vinden. En de oude spreuk blijft nog waar: „eendracht maakt macht."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's