Staat en Maatschappij
Het Vrouwenkiesrecht
De Tweede Kamer heijft het wetsvoorstel tot toekenning van het kiesrecht van de vrouw aangenomen. Dit was, nadat verschillende partijen haar aanvankelijke bezwaren hadden prijsgegeven, te verwachten. Het waren ten slotte slechts weinigen die zich tegen de invoering verzetten.
Deze afloop spijt ons. Het vrouwenkiesrecht is naar onze meening verwerpelijk.
Dat het algemeene kiesrecht, consequent doorgevoerd, het vrouwenkiesrecht omvat, moge een standpunt zijn dat de vrijzinnigen kunnen innemen, voor' hen intusschen, die zich destijds op het laatste oogenblik bij het individueele stemrecht neerlegden, in de hoop dat op gunstiger tijdstip nog een poging, kon gewaagd worden voor de invoering van het organische kiesrecht, is kiesrecht van de vrouw contrabande.
Het kiesrecht is toch in strijd met de natuur en den aanleg van de vrouw. Man en vrouw zijn als ondeling verschillende wezens geschapen. De man heeft plaats in het publieke leven, terwijl de taak van de vrouw meer op het privé terrein ligt.
En nu heeft de mensch deze dingen niet zóó ingesteld, maar God zelf heeft in Zijn Woord de plaats gegeven, waar de vrouw heeft te staan. Het heele milieu waarin de vrouw geschapen is en leeft, verwerpt het beginsel van het kiesrecht aan de vrouw.
Natuurlijk heeft het vrouwenkiesrecht niets te maken met de positie der vrouw. De laatste eischt zekerlijk verbetering en versterking maar daarmede heeft kiesrecht van de vrouw niets uitstaan. Het stembiljet zal hier geen verbetering brengen.
Het vrouwenkiesrecht stond bij behandeling in het teeken van feminisme. De Nederlandsche vrouw —~ en dat is duidelijk in het debat gebleken —wil het kiesrecht niet.
Wanneer het voorstel in het Staat komt, zal het niet twijfelachtig zijn dat het kiesrecht aan de vrouw wordt opgedrongen.
Gelukkig waren er maar twee revolutionairen, die zich voor het voorstel verklaarden. De andere aanwezigen stemden met twee Christelijk-Historischen tegen het ontwerp.
Niet geheel bevredigend.
Onder het opschrift: „Niet geheel bevredigend" schrgft de Standaard over de vragen die het kamerlid Duijnmaijer van Twist inzake onzedelijke voorstellingen in de cantine te Gouda tot de Minister van Oorlog richtte:
Het antwoord van den Minister van Oorlog op de vraag van den heer Duijmaijer van Twist over onzedelgke' stellingen in de soldaten-cantine te Gouda zal niet ieder geheel bevredigen.
Slag op slag ontvangen we berichten over zedenkwetsende voorstellingen dan zoogenaamd tot ontwikkeling en ontspanning van onze militairen heeft te dienen, en daaruit blijkt dan de regel, dat zij, die hier de leiding hebben jammerlijk in hun taak tekort schieten.
Dat is niet te verwonderen.
Wie de geestesgesteldheid van de tegenwoordigen tijd kent, weet dat bij velen in de genotzoekende wereld zeer zonderlinge begrippen heerschen over wat geoorloofd en betamelijk is. Men heeft de tooneelverslagen in de bladen maar' door te zien, om te ontwaren dat het huidige tooneel een vreemd soort beschavingsmiddel is, en het publiek zich vooral vergaapt aan al wat met echtbreuk in verbinding en met goede zeden op zeer gespannen voet staat.
Vanzelf denkt men dan, dat bij de militairen er gerust nog een schepje bij kan. Wanneer „heeren en dames eiken avond bij schuinigheden van dit soort genot zoeken, dan kan 't bij militairen zeker nog wel een beetje erger. De levenstoon in de kazernes en kamers is toch al ruw en onbeschaafd, en om te prikkelen is dus nog sterker! kost noodig. En in plaats daartegen nu met kracht in te gaan; werkelgk te gaan arbeiden aan de verheffing van den soldaat; wordt de man, die den wapenrok draagt, door zulke voorstellingen telkens weer in het slijk der zonde geworpen, telkens dieper vernederd; en peinst men er slechts op om wat voorafging een volgend maal in scbunnige gewaagdheid te overtreffen.
Dat is een zedelijk moorden van duizenden jonge mannen; een kwaad, dat niet ernstig genoeg kan worden bestreden ; een euvel, waartegen met kracht en gestrengheid dient opgetreden.
Het blijkt dat de hooger geplaatsten in Gouda, die hier verantwoordelijk zijn, allerminst eenig begrip hebben van den ernst hunner taak ten opzichte van de aan hun hoede vertrouwde soldaten. En 't zal een zeer krachtige terechtwijzing moeten zijn, die de Minister aan den' betrokken commandant gegeven heeft, j wil zq eenigen invloed ten goede uitwerken.
Niets ondermqnt meer de tucht m het leger dan voorstellingen, waarvan de soldaten heel goed weten, dat ze laag zijn; en er hun gevolgtrekkingen uit maken, als de officieren er niet tegen opkomen. Er zal nu weer een „legerorder" komen.
Er zal nu weer een „legerorder" komen. Waarom? De Minister is toch niet van oordeel, dat de-oflacieren niet weten zouden, dat zulke dingen ongeoorloofd zijn. Dat weten ze allen opperbest.
Neen, officieren die zich aan dit kwaad schuldig maken, moeten worden verwijderd. Het zijn mannen, die zich niet op hun plaats bevinden; aan wie wij onze zonen niet kunnen toevertrouwen; die onbekwaam zqn voor hun taak, en schade toebrengen aan den geest van het leger.
Tegen zulke „leiders" moet met kracht worden opgetreden, want ze leiden verkeerd.
Er is in ons leger heel wat te veranderen voor het goed zal worden; en allereerst is noodig, dat de officieren vóórgaan in de bestrijding van wat verkeerd ia en in geen enkel opzicht aan het verkeerde meedoen.
het verkeerde meedoen. Een officier, die niet hoog genoeg staat, om in dit opzicht een voorbeeld te geven moet dan maar een anderen werkkring zoeken waarin hij minder bederven kan dan in het leger.
De Nieuwe Lager-Onderwijswet.
Voor de opleiding der hulponderwijzeressen (voor de eerste klassen) kunnen eenvoudiger opleidings-inrichtingen in het leven worden geroepen.
Drieërlei ambtenaren zullen met het schooltoezicht worden belast:4 ' hoofdinspecteurs (inplaats van de tegenwoordige inspecteurs); 30 inspecteurs (inplaats van de tegenwoordige districts-Schoolopzieners) en 36 schoolopzieners, die de inspecteurs bijstaan; benevens 29 bureau ambtenaren, één voor elk der inspectiën (1 inspecteur zal speciaal zijn voor het z.g.n. buitengewoon Onderwijs).
De kosten van dit inspectie stelsel zijn globaal f490.000 per jaar, zijnde ongeveer f150.000 meer dan thans het schooltoezicht kost.
Ook de regeling van het plaatselijk toezicht zal gewijzigd moeten worden. Het zal een raadgevend college moeten worden. Ook Onderwijzers zullen van de commissie kunnen deel uitmaken.
Berekend is dat er 45 Rijkskweekscholen zullen moeten zijn voor het openbaar Onderwiijs, en wel 35 kweekscholen en 10 opleidingsscholen voor hulponderwijzeressen.
Voor het Bijz. Onderwijs wordt gerekend op 55 en wel 40 kweekscholen en 15 opleidingsscholen.
De opleiding alzoo geregeld zal voor het Rijk eene stijging der Rijksuitgaven geven van f 4.819.720 (berekend is, dat de schoolgelden aan het Rijk zullen komen). De vermeerdering der Rijksuitgaven ten gevolge van dit wetsontwerp wordt in 't geheel geschat op een be drag van f 7, 609.720 of rond 7 milioen per jaar
Doordat de gemeenten niet langer de salarissen enz. zullen hebben te betalen brengt het wetsontwerp aan de gemeenten een verlichting van kosten tot een bedrag van rond f 8.200 000 per jaar. Door de inmiddels plaats gehad hebbende stqging van het peil der salarissen is deze verlichting intusschen nog aanmerkelijk grooter geworden.
Voor de bijz, scholen is het deelnemen der leerlingen aan het gymnastiek-onderwijs verplichtend gesteld.
De opbrengst der schoolgelden ook van de bijz, scholen die gesteund worden, zal in de gemeentekas vloeien. Het minimum-schoolgeld wordt vastgesteld door de gemeenteraden, Aan een schoolvereeniging moet vrgheid gelaten worden op gemeentekosten gelf een school te bouwen naar eigen plannen, met inachtneming van de te stellen voorschriften; de schoolvereeniging behoort ook eigenares te worden van het door haar te stichten gebouw. Tegen ongemotiveerde opvoering van de bouwkosten zal worden gewaakt. Ook zijn in het ontwerp van wet opgenomen de noodige waarborgen tegen de stichting van te kleine of niet werkelijk noodige scholen. Van het schoolbestuur zal o.a. de storting van een waarborgsom in de gemeentekas verlangd worden.
Uitgegaan wordt van de veronderstelling, dat de nieuwe wet met 1 Januari 1920 in werking zal kunnen treden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's