De waardeering van den arbeid.
VI.
Ontegenzeggelijk heeft het christendom bij zijn optreden in de Grieksch-Romeinsche wereld ook door zqn waardeering van den arbeid groeten invloed uitgeoefend, zoowel in sociaal opzicht als ook op het cultuur-leven.
Het christendom bracht in eene wereld, waarin de arbeid, met name de handenarbeid, niet geëerd werd, de opvatting mede, dat de arbeid plicht en roeping is, niet een schande, niet den vrgen burger onwaardig, maar een eere, een taak, in gehoorzaamheid aan het woord Gods te volbrengen.
Dit is van te meer beteekenis, wanneer wij bedenken, dat juist uit slaven en handen-arbeiders de Kerk een groot deel harer leden won, dat de „machtigen en edelen" toch overal maar een kleine minderheid vormden.
Naast het motief nu, dat de arbeid een plicht is, speelt in de hooge waardeering van den arbeid in de christelijke religie nog een andere overweging een rol; en wel een overweging die in nauw verband staat met het besef van de roeping, de armen der gemeente te verzorgen.
Dat dit van stonde aan beseft is als eene roeping, behoeft voor geen kenner van het Nieuwe Testament nader aangetoond. Wij kunnen volstaan meteene herinnering aan Handel. 6, waar de verzorging der armen aan 7 met name genoemde mannen wordt opgedragen; en met eene verwijzing naar de apostolische brieven, bepaald die aan Timotheüs en Titus.
Terwijl wij hierop dus niet verder ingaan, willen wij in dit verband er wel de aandacht op vestigen, dat al vrij spoedig in de oude'-K«rk aan het geven van aalmoezen de gedachte, zoo al niet van verdienstelqkheid, dan toch van loon werd verbonden.
Dat gaf een begrijpelijken prikkel tot arbeiden, om daardoor zich de middelen tot weldoen te verwerven. Paulus had reeds de vermaning doen hooren: „die steelt, stele niet meer, maar spanne zich liever in en verwerve zgn goed met zijn eigen handen, opdat hij hebbe om mede te deelen aan hem, die behoefte heeft", Ef. 4 VS, 28.
Hier vindt men aireede als een motief tot arbeiden gewezen op den plicht der naastenliefde; hier in een sprekend contrast met het benadeelen van den naaste door diefstal.
Zoodra nu de gedachte aan een loon van Godswege zich naar voren drong, werd het religieus motief voor een ingespannen arbeiden op eigenaardige wqze versterkt.
Inderdaad vindt men in de oudchristelijke litteratuur hiervan bewijzen in groeten getale. Eenerzijds doordat de christenen telkens gewaarschuwd worden tegen huichelaars of luiaards, die speculeeren op de bereidheid tot het geven van aalmoezen. Het loskoopen van slaven bqv, werd door vele christenen als een vorm van christelijke weldadigheid en naastenliefde beschouwd. Daarom acht reeds de bisschop-martelaar Ignatius van Antiochië het noodig, in zijn schrijven aan Polycarpus, den bisschop van Smyrna, (110) de slaven te vermanen, dat zij geen hooge borst moeten opzetten, maar met te meer ijver zich in hun dienstbaarheid moeten gedragen, ter eere Gods, om van Hem een betere vrijheid te verkrqgen. Zij moeten er niet al te zeer naar staan, op kosten der gemeente losgekocht te worden, opdat zq geen slaven van hun begeerte blijken te zijn.
Anderzijds treffen wg bij meer dan één schrijver der christeligke oudheid uitspraken aan, die van den arbeid gewagen als van een uiterst geschikte wijze, zich de middelen te verschaffen voor het doen vaii aalmoezen. De schrijver bijv. van den brief van Barnabas (i:130) zegt: werk met uwe handen om uwe zonden af te koopen", hij bedoelt, door het doen van aalmoezen.
De zorg der liefde strekte zich niet slechts uit tot de armen, streefde er niet alleen naar, slaven uit hun diertstbaarheid los te koopen; ook tot broeders in het geloof, die op andere wijze in ellende en moeite waren geraakt, ging de helpende liefde der christenen uit.
Gevangenen, om hun belijdenis van den naam van Christus in den kerker gezet, werden bezocht; vaak wist men door geschenken de wacht gunstig te stemmen en toegang tot de gevangenen te verkrijgen, door spijzen en andere gaven hun lot te verzachten.
In den tijd der christen-vervolgingen werden er velen verbannen, om in de bergwerken te arbeiden. De gemeenschap met de verbannen broeders werd echter onderhouden; niet alleen hield men lijsten bij met hunne namen, maar ook werden telkens pogingen gedaan, hun vrijlating te bewerken; en, daar dit maar zelden gelukte, vaardigde men broeders af, wier taak het was, het lot dier dwangarbeiders te verlichten, hen te bemoedigen en te sterken.
Dat alles kostte geld. Vanwaar zou men zich het noodige verschaffen, om dergelqk liefdebetoon, dat in meer dan woorden bestond, tekunnenbekostigen? Rijk waren de gemeenten over het geheel niet. Verontschuldigde men zich met een beroep op zqn onvermogen?
Het antwoord op dergelqke vragen vindt men in de vermaning, door een geschrift uit het midden der derde eeuw gegeven. Ten aanzien van de martelaars wordt daar de volgende raad gegeven: „Indien een christen om den naam van Christus en om het geloof en de liefde tot God veroordeeld wordt tot dwangarbeid in de bergwerken, laat hem dan niet aan zijn lot over, maar zendt hem hetgeen gij door uw arbeid en in het zweet uws aanschijns verworven hebt om zich mede te voeden en de soldaten, die hem bewaken, te beloonen, opdat zgn lot verlicht worde, en hem eenige zorg ten deel valle Daarom moet gij geloovigen allen door middel van uw bisschop van uw bezit en uit de opbrengst van mü arbeid de heiligen dienen."
Welk een, geheel van de heidensche "Waardeering van den arbeid verschillende onderstelling! En welk een machtige prikkel tot arbeiden wordt hier genoemd!
Hier is een solidariteits-besef aan het woord, gelijk rhen het verwachten kan op de erve der christelijke Kerk; daar, waar de liefde tot den broeder opbloeit uit het gemeenschappelijk geloof; daar, waar de liefde tot God verstaan en gezien wordt als gave en vrucht der liefde van God; waar het apostolisch woord wordt gekend en begrepen: „hierin bestaat de liefde, niet dat wg God hebben liefgehad, maar dat Hij ons Zijne liefde heeft betoond en Zijnen Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden. Geliefden, als God zóó Zijne liefde ons heeft betoond, zijn ook wij verplicht elkander lief te hebben. God heeft niemand ooit aanschouwd; wanneer wij elkander liefhebben, blijft God in ons, en is Zijne liefde in ons volmaakt, " 1 Joh. 4 VS. 10—12.
In zulk liefde-betoon wordt iets aanschouwd 'van de liefde van den onzien-Igken God. Daar is een liefde-betoon dat geeft, omdat men zelf alles heeft ontvangen.
Zulke christenen vraagden niet allereerst en allermeest naar gemeenschappelijke belangen, waardoor zij werden te hoop gejaagd en waarvoor zij zich aaneensloten; zij gevoelden een machtige aandrift der liefde tot den vervolgden en gekwelden broeder; zg zouden hun inspanning vermeerderen, intensiever arbeid verrichten, ten einde iets te kunnen overhouden voor hem, die om Christus' wille in moeite was.
De gedachte aan den behoeftigen of ellendigen broeder, de begeerte, voor den hulpbehoevende iets te doen, was in de oude Kerk een krachtige drijfveer tot arbeiden, en verleende aan den arbeid een eigen bekoring. Ook op deze wijze verschijnt de arbeid in religieus licht. Zoo vinden wij de bisschoppen op de volgende wiijze aangespoord: „zeg tot het volk, dat aan Uw zorgen is toevertrouwd, wat ook de wijze Salomo zeide: vereer den Heere van uw rechtmatigen arbeid, en geef Hem eerstelingen van uw rechtmatige vrucht, opdat uwe schuren met overvloed van tarwe vervuld worden, en uwe perskuipen va.n most overloopen" (Spr. 3 vs. 9, 10). En dit woord van den Spreukendichter wil de schrijver dan aldus verstaan hebben: „voedt en kleedt dus van de opbrengst van den arbeid der geloovigen hen, die gebrek hebben, en besteedt het geld, dat van hen ingezameld wordt om de heiligen los te koopen, slaven te bevrijden en gevangenen".
Geheel naar het woord van Christus beschouwden de christenen der eerste eeuwen zulke weldaden, op eenige wijze aan geloovigen bewezen, als aan Ohristuszelven verricht. Zooals Cyprianus het in één zijner brieven uitdrukt: „inonze gevangen broeders moeten wij Christus zien; Hij moet uit het gevaar der gevangenschap vrijgekocht, die ons uit doodsgevaar heeft losgekocht; opdat Hij, die ons uit den afgrond des duivels heeft gerukt. Hij die in ons blijft en woont, nu zelf uit de handen der roovers worde gerukt, en Hij voor een som gelds worde vrijgekocht, die ons door Zijn kruis en Zijn bloed heeft gekocht."
Indien zoö het liefde-betoon aan de broederen het karakter heeft van een offer der dankbaarheid, om Christus' wille Gode gebracht, verkrijgt dan niet ook de arbeid, verricht om tot zulk een dank-en liefde-offer in staat, te zijn, een religieus aspect?
Zou daar niet de inspanning Verdubbeld worden; is daar niet de schatting van den arbeid als een schande onmogdijk geworden ?
En dat is inderdaad het geval. In de oude christelgke Kerk wordt de arbeid als een plicht en roeping gekend, in aansluiting aan het Woord Gods. En daarmede ging gepaard het besef, dat de arbeider zijn loon waardig is. Ook hierin ging het Woord des Heeren voor, men denke slechts aan de scherpe woorden, waarmede Jacobus de hebzucht geeselt van hen, die het loon hunner arbeiders verkorten.
Merkwaardig is het, en een sterk getuigenis voor dé zedelijke kracht der christelijke religie, dat zbb nuchter over den arbeid wordt gesproken, en de roeping tot arbeiden zoo ernstig wordt ingescherpt; en dat in een Kerk, waar, getuige de gemeente van Thessalonika in Paulus' dagen, getuige ook de opkomst van dweepziekte bewegingen in de 2e en 3e eeuw, het gevaar voor een valsch enthousiasme en een laten rusten van den arbeid niet denkbeeldig was.
Opmerkelgk is ook, dat de oude Kerk de consequenties van haar eigen opvattingen zonder bedenken heeft aanvaard. En wel in dezen zin: Vooreerst, wg wezen er reeds op, dat zij van elders komende broeders, die zich vaak aan werk hielpen; en dan ook, zich geroepen achtte, hem,die arbeiden kon, te ondersteunen, en in nooddruft te voorzien. Een schrijver (3e eeuw) zegt: „verschaft alle blijmoedigheid het onderhoud wie onder hen zonder handwerk is zinnende op de voorwaarden voor noodzakelgk onderhoud; aan de ambachtsman werk, barmhartigheid den tot werken ongeschikte.
Een religie, die zulke motieven in zich sloot, moest wel in de heidewereld waarin zij haar veroveringen maakte een zeer sterke cultuur-kracht zijn, en haar beteekenis hebben' ook voor het sociale leven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's