Feuilleton.
OMBRA.
VAN STERVEN EN LEVEN.
Een waar verhaal door JAN VELTMAN. 25
25)
Want voor zgn bewustheid lag Pemma daar als een boom, reeds gevallen, maar nog met een enkelen wortel gevezeld aan 't leven en wachtend op den laatsten bqlslag. Doch Ombra stond daar in fieurigen groei en bloei, met al haar wortelen in 't volle leven; maar als ook zij eens omgehouwen werd, nu I Meende ze niet reeds gevonden* te hebben, wat ze nog nauwelgks was begonnen te zoeken ?
Hij gaf haar zelfs den ernstigen raad, om haar bezorgdheid over Femma wat te matigen en allereerst op eigen behoud bedacht te zijn, want het ging om een eeuwig bestaan.
Ombra vatte wel iets van dat bedoelen en nam zich ernstig voor, haar persoonlijk eeuwig belang meer ter harte te nemen, maar nu was haar ziel teveel vervuld met het gevaar, waarin Femma verkeerde. Eerst moest haar zusters zaak zgn afgedaan, eer ze goed haar eigen kou ter hand nemen.
Haar oom bracht de zieke alle dagen een bezoek, maar zg toonde reeds van verre haar afkeer van hem, en 't vermoeden werd dan uitgesproken, dat die afkeer misschien persoonlijk was. Daarom zou dan tante Betje eens trachten met haar te spreken, maar 't verging haar niet anders dan haar man. Dan vond de herbergier 't eindelijk goed, dat de dominee eens kwam. Maar ook deze stond machteloos tegenover een verharding zoo als hg nog nooit had ontmoet.
Ombra en Mien ook waagden het, om met de uiterste vriendelijkheid en teerheid de arme zieke te wgzen op de liefde van den Heere Jezus, maar de ongelukkige toonde, woest en wild, dat ze daarvan niets wilde hooren.
Dan bleef er niets te doen over, dan te bidden, dat de Heere haar oogen zou openen voor 'tvreeselijk gevaar, waarin ze zioh bevond, opdat ze uit den angst des harten mocht roepen om genade, en verhooring vinden.
Het gebeurde, dat Ombra zich had verlaat, en dan ook nog opgehouden was bg haar oom, omdat Mien nu bepaald met haar wilde gaan.
In de herberg verzekerde moeder, dat Femma opmerkelijk beter was dan vorige dagen, en de beide meisjes, zoodra ze bij 't ziekbed waren geweest, geloofden dat moeder gelgk had. Allen waren onder den opbeurenden indruk van die verandering, wat te merken was aan 't opgewekte spreken.
De vader en moeder en Roosje zouden gaan eten, hoewel Ombra en Mien nog een poosje bleven, omdat ze maar pas waren gekomen. Ombra had sedert ze uit huis was, het maaltgden hier niet meer bggewoond, en 't verraste haar zeer, toen ze de verlegenheid van haar vader merkte en hem de handen als tot gebed zag vouwen. En waarlijk, moeder en Roosje deden evenzoo', en dan zaten allen een poosje met gesloten oogen.
De nichten, verwonderd, verrast, keken elkander met verhelderde gezichten aan. moeder had de sauspan in de hand en vader en Roosje hielden beiden hun bord bij om bedeeld te worden.... Dan plots gilde 't uit de bedstee, bang en akelig: „Benauwd! benauwd!" Alle vijf schrokken op. Ineens hoorden ze een bedsteedeurtje openslaan en terstond daarna een plof.
Allen snelden naar de andere kamer. De zieke hing met het bovenlijf over de bedsteeplank, de handen aan de stoelleuning geklemd, 't Kermde nog: „Benauwd I benauwd!" Ze scheen het bed te willen uitvluchten, doch moeder had haar reeds vast, en Ombra hielp mee, om haar weer op haar plaats te leggen, ""
Mien bevend, en de knieën knikkend, begon de ramen open te schuiven, en riep daartoe ooms hulp in. En als de frissche lucht nu door beide voorramen en 't eene op zij, binnenstroomde, en zij allen van 't bed, waar de gordgntjes nu wijd werden opengeschoven, wegdreef, opdat de zieke 't frisscher zou hebben, bleef ze alleen bijj haar nicht, terwijl Ombra in de open kamerdeur stond. Ze zag, dat Femma een flauwte had en zei, dat er terstond iemand om den dokter moest.
Van 't eten kwam natuurlgk nites en moeder bracht alles weer naar ackteren. zooals ze 't van daar gehaald had. Want niet alleen had dat vreeselgk angstgillen hen ontsteld, maar ze hadden ook eens goed dat gelaat gezien, en' dien krampenden mond en die glazende, wilde oogen, en dat had zich zóó in hun brein afgedrukt, dat ze overal dat gelaat bleven zien.
De nichten bleven tot ze van de dokter zouden gehoord hebben, hoe het er nu eigenlgk voorstond. Er moest nu altijd, nacht en dag iemand bij de zieke blijven, omdat, wat er nu gebeurd was, zich waarschijnlgk zou herhalen. Ombra en Mien beloofden nog vóór den nacht te zullen terugkomen, en gingen dan gauw heen.
Telkens schenen ze behoefte te hebben om 't nog eens en *weer eens te zeggen; hoe ontzettend dat gillen in hun oor had geklonken, en hoe ze nog telkens het wanhopig gezicht als van iemand uit een andere, een bange wereld, voor zich zag.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 23 mei 1919
De Waarheidsvriend | 4 Pagina's